Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5265
2026-07-28
Civiel recht
12286865 \ MV EXPL 26-92 AW/1583
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Toelaten tot de werkzaamheden en loonstop is onterecht opgelegd.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.119 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12286865 \ MV EXPL 26-92 AW/1583
Vonnis in kort geding van 28 juli 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: B.E.J.M. Tomlow,
tegen
[gedaagde]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C.E. Stratenus.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 juli 2026 met 16 producties- de brief van 9 juli 2026 van [gedaagde] met 19 producties - de nadere producties 17 en 18 van [eiseres] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. De gemachtigden van [eiseres] en [gedaagde] hebben pleitaantekeningen overgelegd. Van wat besproken is op de mondelinge behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1
[eiseres] is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij [gedaagde] in dienst, eerst als [functie] en sinds 1 augustus 2024 als [functie] . Op 23 september 2025 is [eiseres] uitgevallen met burn-out klachten. [gedaagde] heeft [eiseres] op 18 juni 2026 een loonstop opgelegd, omdat [eiseres] zich volgens haar niet houdt aan het plan van aanpak voor re-integratie. Volgens [eiseres] is dat onterecht. Zij vordert betaling van haar loon en ook onbelemmerd toegang tot haar werkzaamheden als [functie] . De vorderingen van [eiseres] worden toegewezen.
3 De beoordeling
Wat is er gebeurd?
3.1
Op 23 september 2025 is [eiseres] uitgevallen met burn-out klachten.
3.2
Uit de probleemanalyse van bedrijfsarts [A] van 13 november 2025 volgt dat er sprake is van werk gerelateerde factoren. Het advies is om deze samen aan te pakken. [eiseres] kan nog niet starten met re-integratie. Werkgever wordt geadviseerd om passende maatregelen te treffen in verband met werkdruk/tijdsdruk bijvoorbeeld door aanpassing van het takenpakket, verbetering werkinstructies, aanpassing planning van werkzaamheden en assistentie van derden, bijvoorbeeld ondersteunende werkzaamheden. Het doel is werkhervatting in de eigen functie.
3.3
Op 3 december 2025 schrijft de onder de verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts werkende WIM-adviseur dat [eiseres] naar verwachting eind februari/begin maart 2026 weer volledig belastbaar is en dat een duidelijk perspectief op haar rol en werkactiviteit zal bijdragen aan herstel.
3.4
In een gesprek op 12 januari 2026 met [B] (adviseur [functie] van [gedaagde] ) en [C] ( [functie] ) vraagt [eiseres] om haar duidelijkheid te geven over haar functie.
3.5
Op 18 februari 2025 adviseert de bedrijfsarts om meer duidelijkheid/helderheid te geven over het einddoel re-integratie/en toekomst. De prognose is dat binnen de termijn van drie maanden er een redelijk tot goede kans op een relevante verbetering van zowel de medische situatie als de belastbaarheid is door het natuurlijk herstel van de aandoening en adequate behandeling.
3.6
Op 8 april 2026 rapporteert de bedrijfsarts dat er voldoende belastbaarheid voor re-integratie is en dat per 20 april 2026 voor 30 à 40% kan worden opgebouwd en per 4 mei 2026 verder naar 50%. Het advies is om meer duidelijkheid/helderheid over het einddoel re-integratie en toekomst te geven.
3.7
In de eerstejaarsevaluatie van 13 april 2026 merkt [gedaagde] op dat er goede gesprekken zijn gevoerd en dat er tot dat moment geen mogelijkheden waren voor echte re-integratie-activiteiten. In overeenstemming met het advies van de bedrijfsarts zal zij de belastbaarheid gaan testen vanaf 20 april 2026.
3.8
Op 7 mei 2026 vindt een gesprek plaats met [eiseres] , [D] ( [functie] [locatie] ), [E] (nieuwe [functie] [locatie] ) en mr. Tomlow.
3.9
Op 13 mei 2026 constateert de bedrijfsarts dat er een stagnatie is in de re-integratie waardoor er een stagnatie is in het medische herstel en toename van klachten/beperkingen. De bedrijfsarts adviseert het opstarten van communicatie. [eiseres] kan op dat moment nog geen start maken met de re-integratie in verband met medische herstel en toename medische klachten en beperkingen.
3.10
Op 4 juni 2026 vindt er een gesprek plaats tussen [eiseres] , [D] ( [functie] ), [F] ( [functie] ), [A] (bedrijfsarts) en mr. Tomlow. In het verslag van het gesprek staat onder meer:
“(…)
. Mw. [eiseres] geeft aan zich voor 50% hersteld te willen melden en wil dan na 1 of 2 weken de stap naar 100% herstel maken. Kan op dit moment reeds aangegeven worden welke locatie er dan voor haar beschikbaar zal zijn in haar functie van [functie] ?
. Mw. [D] benadrukt dat, voordat hierover uitspraak gedaan kan worden, eerst dat moment van l00% herstel bereikt moet zijn. En dat we hierin zorgvuldig en met een opbouwschema te werk willen gaan. Na een lange periode van afwezigheid is een periode van gewenning, arbeidsritme opdoen immers gebruikelijk.
. Daarop geeft mw. [eiseres] aan dat zij zich in dat geval per direct volledig hersteld meldt.
. Mw. [F] vraagt advies aan dhr. [A] : ís het na een lange periode van uitval verstandig om per direct volledig aan het werk te gaan of is een periode van opbouw nodig? Dhr. [A] geeft aan dat, op basis van de informatie die hij in het voorgesprek met mw. [eiseres] gekregen heeft, hij geen bezwaren heeft tegen haar volledige hersteld melding. Er is duidelijk verbetering opgetreden en zij kan derhalve zelf beoordelen of zij tot volledige werkhervatting in staat is.
. Mw. [F] schetst de mogelijkheid voor een duurzaamheidstoets gedurende 2 weken: volledig werken, maar omwille van de zorgvuldigheid en behoud van rechten, nog wel administratief een klein percentage ziek. ln gezamenlijk overleg wordt deze optie als passend beschouwd.
. Dhr. Tomlow en mw. [eiseres] willen duidelijkheid over de locatie waar mw. [eiseres] geplaatst gaat worden. Aangezien de uitkomst van dit gesprek onverwacht is, kan dit niet op dit moment direct aangegeven worden. Mw. [F] zegt in overleg met mw. [D] toe, dat [gedaagde] hier eind volgende week (toevoeging: dat wil zeggen uiterlijk vrijdag 12 juni) uitsluitsel over zal geven.
Conclusie: met ingang van 05 juni 2026 geeft mw. [eiseres] aan 100% hersteld te zijn. Vanuit de organisatie zal medewerker nog deels administratief ziek gemeld blijven staan om de duurzaamheid van haar herstel te testen. Als dit goed verloopt, zal volledige herstelmelding volgen.
Uiterlijk vrijdag 12 juni zal [gedaagde] laten weten op welke vaste locatie mw. [eiseres] [functie] kan worden.”
3.11
Op 5 juni 2026 komt [gedaagde] terug op de gemaakte afspraken en stuurt [D] aan [eiseres] een plan van aanpak. Daarin staat onder meer:
“(…). Zoals gezegd overviel de uitkomst van dit gesprek ons erg. Ik heb dit intern besproken en wij komen tot het volgende plan van aanpak.
[gedaagde] wiI een zorgzame organisatie zijn. Voor duurzame inzetbaarheid is het ongekend én ongewenst om na een periode van langdurig, volledig verzuim van de ene op de andere dag 100% inzetbaar te zijn in de volle omvang van een functie. (…)
Dit betekent dat wij onze eigen koers op re-integratie volgen: niet meteen volledig als [functie] op een eigen team, maar eerst ritme, teamwork en zorgtaken. Dit monitoren we zorgvuldig gedurende tenminste twee weken. Hierbij kijken we naar hoe het met jou gaat, en hoe het jou vergaat in interactie met collega's en cliënten. Daarom nodigen we jou uit om vanaf aanstaande dinsdag 07.00 uur te starten op [locatie] . Eerst een focus op er zijn, uren maken, gericht op collegialiteit en zorg voor de cliënt. Dit zullen we met elkaar evalueren: [functie] woonzorgteam, jij en ik als [functie] .
De volgende stap zal bestaan uit een periode waarin jij leidinggevende taken van een [functie] gaat oppakken onder begeleiding van een ervaren [functie] . Dit monitoren we zorgvuldig gedurende tenminste 4 weken. Hierbij kijken we naar hoe het met jou gaat, en hoe het jou vergaat in interactie met jouw medewerkers, collega [functie] en cliënten. Dit zullen we met elkaar evalueren: de ervaren [functie] , jij en ik als [functie] . We zullen uiterlijk 12-6 aangeven waar dit zal plaatsvinden.
Bovenstaande stappen zijn gericht op een duurzame inzetbaarheid in principe als [functie] op [locatie] . (…)
ln afwijking van jouw visie op je herstel en wat de bedrijfsarts gisteren in het gesprek aangaf menen wij er goed aan te doen om ook in formele zin zorgvuldig te zijn in jouw verzuimpercentage. Dit betekent dat wij je vanaf maandag 8 juni voor 50% hersteld zullen melden voor een periode van 6 weken. Wij stellen voor dat je 18 uur per week volledig inzetbaar en 8 uur per week op arbeidstherapeutische basis aan het werk zult gaan.”
3.12
Op 5 juni 2026 bericht [eiseres] aan [gedaagde] dat zij niet akkoord gaat met het voorgestelde plan van aanpak omdat er duidelijke afspraken zijn gemaakt en de bedrijfsarts heeft bevestigd dat zij 100% in staat is haar werkzaamheden te hervatten. Zij zou een week op [locatie] opstarten en aan het einde van die week zou de nieuwe functie bekend gemaakt worden.
3.13
Op 16 juni 2026 stuurt [gedaagde] aan [eiseres] een officiële waarschuwing. Volgens [gedaagde] houdt [eiseres] zich niet aan het plan van aanpak voor re-integratie. [gedaagde] waarschuwt [eiseres] dat als zij zich hier niet aan houdt, zij het loon gaat stopzetten.
3.14
[gedaagde] heeft op 18 juni 2026 de loonbetaling stopgezet.
Toetsingskader kort geding
3.15
[eiseres] vordert in deze procedure toelating tot haar werkzaamheden als [functie] op een locatie van [gedaagde] in Hilversum op basis van 36 uur per week en doorbetaling van het loon. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet dan ook eerst beoordelen of [eiseres] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in een kort gedingprocedure geen plaats is voor nader onderzoek of bewijslevering.
Spoedeisend belang is aanwezig
3.16
De vordering van [eiseres] betreft een loonvordering en toelaten tot de werkzaamheden. Een dergelijke vordering is naar zijn aard spoedeisend. [gedaagde] heeft dat ook niet betwist. Het spoedeisend belang is dan ook aanwezig.
De kantonrechter vindt het aannemelijk dat de loonstop geen standhoudt in de bodemprocedure
3.17
De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] tot doorbetaling van het loon, naar de kantonrechter begrijpt vanaf 18 juni 2026, toe omdat de kantonrechter voorshands van oordeel is dat [gedaagde] de loonstop van 18 juni 2026 onterecht heeft opgelegd.
3.18
[gedaagde] heeft [eiseres] gewaarschuwd dat zij van plan is over te gaan tot een loonstop omdat zij zich niet heeft gehouden aan het plan van aanpak voor re-integratie. [eiseres] heeft zich niet gehouden aan het door [gedaagde] bij brief van 5 juni 2026 eenzijdig opgestelde plan van aanpak. [eiseres] had zich echter per 5 juni 2026 100% beter gemeld. [gedaagde] was het hier, ondanks dat de bedrijfsarts hiermee akkoord is gegaan in het gesprek van 4 juni 2026, achteraf toch niet mee eens. Zij heeft op 5 juni 2026 eenzijdig het tussen partijen besproken en akkoord bevonden plan van 4 juni 2026 gewijzigd. Uit het door [gedaagde] opgestelde gespreksverslag van 4 juni 2026 moet worden opgemaakt dat het plan was om [eiseres] vanaf 5 juni 2026 deels administratief ziekgemeld te laten en gedurende twee weken een duurzaamheidstoets te laten plaatsvinden. Deze optie werd door alle partijen als passend beschouwd. [gedaagde] gaat hier zonder nader overleg met partijen en/of de arboarts aan voorbij en wil, nadat zij [eiseres] eerst twee weken gemonitord heeft, dat [eiseres] leidinggevende taken gaat oppakken onder begeleiding van een ervaren [functie] . Dit gaat zij vier weken monitoren en evalueren. De vraag is of [gedaagde] eenzijdig de gemaakte afspraken kon wijzigen, of de instructiebevoegdheid van artikel 7:660 BW zover gaat dat [gedaagde] tegen de gemaakte afspraken in [eiseres] een ander re-integratieplan kan opleggen.
3.19
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat [gedaagde] daarmee haar instructiebevoegdheid te buiten. Als [gedaagde] terug had willen komen op de gemaakte afspraken, had het op haar weg gelegen om dit met [eiseres] te bespreken en dit niet eenzijdig op te leggen. Zij had dit moeten afstemmen met [eiseres] . Dit geldt temeer nu de arboarts geen bezwaar had tegen volledige herstelmelding. In dat geval kon en mocht [gedaagde] niet meer haar eigen koers varen. Dat de arbodienst later aan [gedaagde] aangeeft dat het gesprek van 4 juni 2026 niet als een consult moet worden gezien en dat dit daarom geen advies is aan de werkgever, maakt vorenstaande niet anders. [gedaagde] heeft dit te horen gekregen van de arbodienst en niet van de arboarts zelf. Deze was daar niet meer werkzaam. De arboarts was bij het gesprek aanwezig en heeft toen geen bezwaar gemaakt.
3.20
Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter voorshands van oordeel is dat [gedaagde] buiten haar boekje is gegaan door het eenzijdig opleggen van een plan van aanpak. [eiseres] kan daardoor niet verweten worden dat zij het daarmee niet eens was en niet aan de re-integratie heeft meegewerkt. Integendeel, [eiseres] wilde zich juist 100% betermelden en volledig aan de slag. Dit maakt dat de loonstop ten onrechte is opgelegd. De vordering tot doorbetaling van het gebruikelijke loon zal dan ook worden toegewezen.
[gedaagde] moet [eiseres] weer toelaten tot haar werkzaamheden
3.21
De vraag die vervolgens in deze procedure voorligt is of [gedaagde] [eiseres] in staat moet stellen tot het verrichten van haar werkzaamheden als [functie] .
3.22
Uit de algemene maatstaf van het goed werkgeverschap in artikel 7:611 BW volgt dat een werknemer in beginsel het recht heeft om tewerk te worden gesteld. Van een goed werkgever mag worden verwacht dat zij de werknemer de mogelijkheid biedt de overeengekomen arbeid te verrichten, tenzij de werkgever een redelijke en – tegenover het zwaarwegende belang van de werknemer – voldoende zwaarwegende grond heeft om de werknemer die mogelijkheid te ontzeggen.
3.23
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] werkzaam was als [functie] . [gedaagde] betwist ook niet dat zij [eiseres] weer toe wil laten tot de werkzaamheden als [functie] , maar pas nadat zij dit minimaal 4 weken heeft kunnen monitoren en onder begeleiding van een ervaren [functie] . Zij wil weten hoe het [eiseres] vergaat, hoe het haar vergaat in interactie met haar medewerkers, collega [functie] en cliënten. Zij wil een zorgzame organisatie zijn. Op zich is dit alleszins begrijpelijk, maar bezien in de licht van de eerder met [eiseres] gemaakte afspraken is dit een onredelijke eis. Dit geldt temeer omdat ook de arboarts heeft aangegeven dat [eiseres] weer volledig inzetbaar is en niet is gebleken van dusdanige kritiek op de werkzaamheden van [eiseres] dat zij daarin begeleiding behoeft. Ter zitting heeft [gedaagde] aangegeven vast te willen houden aan de afgesproken twee weken voor wat betreft de duurzaamheidstest en dat het plan van aanpak daarna niet in beton is gegoten. [eiseres] heeft ook aangegeven geen problemen te hebben met de twee weken duurzaamheidstest. [eiseres] zal, nu zij zich 100% beter heeft gemeld, moeten worden toegelaten tot haar werkzaamheden als [functie] met inachtneming van de hiervoor genoemde twee weken. Over de periode daarna en de invulling van het plan van aanpak is verder niks door partijen gevorderd, zodat de kantonrechter zich daar niet over kan uitlaten. Partijen zullen daarover in overleg nadere afspraken moeten maken.
3.24
[gedaagde] heeft [eiseres] lang in onzekerheid gelaten voor wat betreft de locatie waar zij haar werkzaamheden als [functie] kan gaan invullen. [gedaagde] stelt wel hierover eerder duidelijkheid te hebben gegeven, maar daar is niets van gebleken. De arboarts heeft meerdere malen het advies gegeven hier duidelijkheid over te geven. Volgens [gedaagde] heeft zij op 5 en 10 juni 2026 aan [eiseres] laten weten, en ter zitting bevestigd, dat [eiseres] haar werkzaamheden als [functie] kan oppakken op de locatie [locatie] . De locatie [locatie] zal in het najaar in zijn geheel verhuizen naar de nieuwe locatie [locatie] . Gelet op de uitingen van [gedaagde] moet het ervoor worden gehouden dat hierover inmiddels duidelijkheid is verschaft.
3.25
Gelet op het vorenstaande zal de vordering van [eiseres] om volledig en onbelemmerd te worden toegelaten tot haar werkzaamheden als [functie] , met uitzondering van de hiervoor genoemde twee weken met betrekking tot de duurzaamheidstest, worden toegewezen. Tegen de hoogte van de gevraagde dwangsom en het bijbehorende maximum is geen verweer gevoerd. De kantonrechter ziet echter aanleiding de dwangsom te matigen tot € 500,- per dag met een maximum van € 10.000,-.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.26
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
151,94
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.253,94
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om [eiseres] , onder de voorwaarde zoals hiervoor onder 3.23 tot en met 3.25 is overwogen, binnen zeven dagen na dit vonnis onbelemmerd en volledig toe te laten tot haar werkzaamheden als [functie] op een locatie van [gedaagde] in Hilversum op basis van 36 uur per week, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft, tot een maximum van € 10.000,-,
4.2
veroordeelt [gedaagde] tot tijdige betaling aan [eiseres] van een voorschot in overeenstemming met het gebruikelijke loon zonder inhouding,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.253,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12286865 \ MV EXPL 26-92 AW/1583
Vonnis in kort geding van 28 juli 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: B.E.J.M. Tomlow,
tegen
[gedaagde]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C.E. Stratenus.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 juli 2026 met 16 producties- de brief van 9 juli 2026 van [gedaagde] met 19 producties - de nadere producties 17 en 18 van [eiseres] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. De gemachtigden van [eiseres] en [gedaagde] hebben pleitaantekeningen overgelegd. Van wat besproken is op de mondelinge behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1
[eiseres] is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij [gedaagde] in dienst, eerst als [functie] en sinds 1 augustus 2024 als [functie] . Op 23 september 2025 is [eiseres] uitgevallen met burn-out klachten. [gedaagde] heeft [eiseres] op 18 juni 2026 een loonstop opgelegd, omdat [eiseres] zich volgens haar niet houdt aan het plan van aanpak voor re-integratie. Volgens [eiseres] is dat onterecht. Zij vordert betaling van haar loon en ook onbelemmerd toegang tot haar werkzaamheden als [functie] . De vorderingen van [eiseres] worden toegewezen.
3 De beoordeling
Wat is er gebeurd?
3.1
Op 23 september 2025 is [eiseres] uitgevallen met burn-out klachten.
3.2
Uit de probleemanalyse van bedrijfsarts [A] van 13 november 2025 volgt dat er sprake is van werk gerelateerde factoren. Het advies is om deze samen aan te pakken. [eiseres] kan nog niet starten met re-integratie. Werkgever wordt geadviseerd om passende maatregelen te treffen in verband met werkdruk/tijdsdruk bijvoorbeeld door aanpassing van het takenpakket, verbetering werkinstructies, aanpassing planning van werkzaamheden en assistentie van derden, bijvoorbeeld ondersteunende werkzaamheden. Het doel is werkhervatting in de eigen functie.
3.3
Op 3 december 2025 schrijft de onder de verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts werkende WIM-adviseur dat [eiseres] naar verwachting eind februari/begin maart 2026 weer volledig belastbaar is en dat een duidelijk perspectief op haar rol en werkactiviteit zal bijdragen aan herstel.
3.4
In een gesprek op 12 januari 2026 met [B] (adviseur [functie] van [gedaagde] ) en [C] ( [functie] ) vraagt [eiseres] om haar duidelijkheid te geven over haar functie.
3.5
Op 18 februari 2025 adviseert de bedrijfsarts om meer duidelijkheid/helderheid te geven over het einddoel re-integratie/en toekomst. De prognose is dat binnen de termijn van drie maanden er een redelijk tot goede kans op een relevante verbetering van zowel de medische situatie als de belastbaarheid is door het natuurlijk herstel van de aandoening en adequate behandeling.
3.6
Op 8 april 2026 rapporteert de bedrijfsarts dat er voldoende belastbaarheid voor re-integratie is en dat per 20 april 2026 voor 30 à 40% kan worden opgebouwd en per 4 mei 2026 verder naar 50%. Het advies is om meer duidelijkheid/helderheid over het einddoel re-integratie en toekomst te geven.
3.7
In de eerstejaarsevaluatie van 13 april 2026 merkt [gedaagde] op dat er goede gesprekken zijn gevoerd en dat er tot dat moment geen mogelijkheden waren voor echte re-integratie-activiteiten. In overeenstemming met het advies van de bedrijfsarts zal zij de belastbaarheid gaan testen vanaf 20 april 2026.
3.8
Op 7 mei 2026 vindt een gesprek plaats met [eiseres] , [D] ( [functie] [locatie] ), [E] (nieuwe [functie] [locatie] ) en mr. Tomlow.
3.9
Op 13 mei 2026 constateert de bedrijfsarts dat er een stagnatie is in de re-integratie waardoor er een stagnatie is in het medische herstel en toename van klachten/beperkingen. De bedrijfsarts adviseert het opstarten van communicatie. [eiseres] kan op dat moment nog geen start maken met de re-integratie in verband met medische herstel en toename medische klachten en beperkingen.
3.10
Op 4 juni 2026 vindt er een gesprek plaats tussen [eiseres] , [D] ( [functie] ), [F] ( [functie] ), [A] (bedrijfsarts) en mr. Tomlow. In het verslag van het gesprek staat onder meer:
“(…)
. Mw. [eiseres] geeft aan zich voor 50% hersteld te willen melden en wil dan na 1 of 2 weken de stap naar 100% herstel maken. Kan op dit moment reeds aangegeven worden welke locatie er dan voor haar beschikbaar zal zijn in haar functie van [functie] ?
. Mw. [D] benadrukt dat, voordat hierover uitspraak gedaan kan worden, eerst dat moment van l00% herstel bereikt moet zijn. En dat we hierin zorgvuldig en met een opbouwschema te werk willen gaan. Na een lange periode van afwezigheid is een periode van gewenning, arbeidsritme opdoen immers gebruikelijk.
. Daarop geeft mw. [eiseres] aan dat zij zich in dat geval per direct volledig hersteld meldt.
. Mw. [F] vraagt advies aan dhr. [A] : ís het na een lange periode van uitval verstandig om per direct volledig aan het werk te gaan of is een periode van opbouw nodig? Dhr. [A] geeft aan dat, op basis van de informatie die hij in het voorgesprek met mw. [eiseres] gekregen heeft, hij geen bezwaren heeft tegen haar volledige hersteld melding. Er is duidelijk verbetering opgetreden en zij kan derhalve zelf beoordelen of zij tot volledige werkhervatting in staat is.
. Mw. [F] schetst de mogelijkheid voor een duurzaamheidstoets gedurende 2 weken: volledig werken, maar omwille van de zorgvuldigheid en behoud van rechten, nog wel administratief een klein percentage ziek. ln gezamenlijk overleg wordt deze optie als passend beschouwd.
. Dhr. Tomlow en mw. [eiseres] willen duidelijkheid over de locatie waar mw. [eiseres] geplaatst gaat worden. Aangezien de uitkomst van dit gesprek onverwacht is, kan dit niet op dit moment direct aangegeven worden. Mw. [F] zegt in overleg met mw. [D] toe, dat [gedaagde] hier eind volgende week (toevoeging: dat wil zeggen uiterlijk vrijdag 12 juni) uitsluitsel over zal geven.
Conclusie: met ingang van 05 juni 2026 geeft mw. [eiseres] aan 100% hersteld te zijn. Vanuit de organisatie zal medewerker nog deels administratief ziek gemeld blijven staan om de duurzaamheid van haar herstel te testen. Als dit goed verloopt, zal volledige herstelmelding volgen.
Uiterlijk vrijdag 12 juni zal [gedaagde] laten weten op welke vaste locatie mw. [eiseres] [functie] kan worden.”
3.11
Op 5 juni 2026 komt [gedaagde] terug op de gemaakte afspraken en stuurt [D] aan [eiseres] een plan van aanpak. Daarin staat onder meer:
“(…). Zoals gezegd overviel de uitkomst van dit gesprek ons erg. Ik heb dit intern besproken en wij komen tot het volgende plan van aanpak.
[gedaagde] wiI een zorgzame organisatie zijn. Voor duurzame inzetbaarheid is het ongekend én ongewenst om na een periode van langdurig, volledig verzuim van de ene op de andere dag 100% inzetbaar te zijn in de volle omvang van een functie. (…)
Dit betekent dat wij onze eigen koers op re-integratie volgen: niet meteen volledig als [functie] op een eigen team, maar eerst ritme, teamwork en zorgtaken. Dit monitoren we zorgvuldig gedurende tenminste twee weken. Hierbij kijken we naar hoe het met jou gaat, en hoe het jou vergaat in interactie met collega's en cliënten. Daarom nodigen we jou uit om vanaf aanstaande dinsdag 07.00 uur te starten op [locatie] . Eerst een focus op er zijn, uren maken, gericht op collegialiteit en zorg voor de cliënt. Dit zullen we met elkaar evalueren: [functie] woonzorgteam, jij en ik als [functie] .
De volgende stap zal bestaan uit een periode waarin jij leidinggevende taken van een [functie] gaat oppakken onder begeleiding van een ervaren [functie] . Dit monitoren we zorgvuldig gedurende tenminste 4 weken. Hierbij kijken we naar hoe het met jou gaat, en hoe het jou vergaat in interactie met jouw medewerkers, collega [functie] en cliënten. Dit zullen we met elkaar evalueren: de ervaren [functie] , jij en ik als [functie] . We zullen uiterlijk 12-6 aangeven waar dit zal plaatsvinden.
Bovenstaande stappen zijn gericht op een duurzame inzetbaarheid in principe als [functie] op [locatie] . (…)
ln afwijking van jouw visie op je herstel en wat de bedrijfsarts gisteren in het gesprek aangaf menen wij er goed aan te doen om ook in formele zin zorgvuldig te zijn in jouw verzuimpercentage. Dit betekent dat wij je vanaf maandag 8 juni voor 50% hersteld zullen melden voor een periode van 6 weken. Wij stellen voor dat je 18 uur per week volledig inzetbaar en 8 uur per week op arbeidstherapeutische basis aan het werk zult gaan.”
3.12
Op 5 juni 2026 bericht [eiseres] aan [gedaagde] dat zij niet akkoord gaat met het voorgestelde plan van aanpak omdat er duidelijke afspraken zijn gemaakt en de bedrijfsarts heeft bevestigd dat zij 100% in staat is haar werkzaamheden te hervatten. Zij zou een week op [locatie] opstarten en aan het einde van die week zou de nieuwe functie bekend gemaakt worden.
3.13
Op 16 juni 2026 stuurt [gedaagde] aan [eiseres] een officiële waarschuwing. Volgens [gedaagde] houdt [eiseres] zich niet aan het plan van aanpak voor re-integratie. [gedaagde] waarschuwt [eiseres] dat als zij zich hier niet aan houdt, zij het loon gaat stopzetten.
3.14
[gedaagde] heeft op 18 juni 2026 de loonbetaling stopgezet.
Toetsingskader kort geding
3.15
[eiseres] vordert in deze procedure toelating tot haar werkzaamheden als [functie] op een locatie van [gedaagde] in Hilversum op basis van 36 uur per week en doorbetaling van het loon. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet dan ook eerst beoordelen of [eiseres] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in een kort gedingprocedure geen plaats is voor nader onderzoek of bewijslevering.
Spoedeisend belang is aanwezig
3.16
De vordering van [eiseres] betreft een loonvordering en toelaten tot de werkzaamheden. Een dergelijke vordering is naar zijn aard spoedeisend. [gedaagde] heeft dat ook niet betwist. Het spoedeisend belang is dan ook aanwezig.
De kantonrechter vindt het aannemelijk dat de loonstop geen standhoudt in de bodemprocedure
3.17
De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] tot doorbetaling van het loon, naar de kantonrechter begrijpt vanaf 18 juni 2026, toe omdat de kantonrechter voorshands van oordeel is dat [gedaagde] de loonstop van 18 juni 2026 onterecht heeft opgelegd.
3.18
[gedaagde] heeft [eiseres] gewaarschuwd dat zij van plan is over te gaan tot een loonstop omdat zij zich niet heeft gehouden aan het plan van aanpak voor re-integratie. [eiseres] heeft zich niet gehouden aan het door [gedaagde] bij brief van 5 juni 2026 eenzijdig opgestelde plan van aanpak. [eiseres] had zich echter per 5 juni 2026 100% beter gemeld. [gedaagde] was het hier, ondanks dat de bedrijfsarts hiermee akkoord is gegaan in het gesprek van 4 juni 2026, achteraf toch niet mee eens. Zij heeft op 5 juni 2026 eenzijdig het tussen partijen besproken en akkoord bevonden plan van 4 juni 2026 gewijzigd. Uit het door [gedaagde] opgestelde gespreksverslag van 4 juni 2026 moet worden opgemaakt dat het plan was om [eiseres] vanaf 5 juni 2026 deels administratief ziekgemeld te laten en gedurende twee weken een duurzaamheidstoets te laten plaatsvinden. Deze optie werd door alle partijen als passend beschouwd. [gedaagde] gaat hier zonder nader overleg met partijen en/of de arboarts aan voorbij en wil, nadat zij [eiseres] eerst twee weken gemonitord heeft, dat [eiseres] leidinggevende taken gaat oppakken onder begeleiding van een ervaren [functie] . Dit gaat zij vier weken monitoren en evalueren. De vraag is of [gedaagde] eenzijdig de gemaakte afspraken kon wijzigen, of de instructiebevoegdheid van artikel 7:660 BW zover gaat dat [gedaagde] tegen de gemaakte afspraken in [eiseres] een ander re-integratieplan kan opleggen.
3.19
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat [gedaagde] daarmee haar instructiebevoegdheid te buiten. Als [gedaagde] terug had willen komen op de gemaakte afspraken, had het op haar weg gelegen om dit met [eiseres] te bespreken en dit niet eenzijdig op te leggen. Zij had dit moeten afstemmen met [eiseres] . Dit geldt temeer nu de arboarts geen bezwaar had tegen volledige herstelmelding. In dat geval kon en mocht [gedaagde] niet meer haar eigen koers varen. Dat de arbodienst later aan [gedaagde] aangeeft dat het gesprek van 4 juni 2026 niet als een consult moet worden gezien en dat dit daarom geen advies is aan de werkgever, maakt vorenstaande niet anders. [gedaagde] heeft dit te horen gekregen van de arbodienst en niet van de arboarts zelf. Deze was daar niet meer werkzaam. De arboarts was bij het gesprek aanwezig en heeft toen geen bezwaar gemaakt.
3.20
Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter voorshands van oordeel is dat [gedaagde] buiten haar boekje is gegaan door het eenzijdig opleggen van een plan van aanpak. [eiseres] kan daardoor niet verweten worden dat zij het daarmee niet eens was en niet aan de re-integratie heeft meegewerkt. Integendeel, [eiseres] wilde zich juist 100% betermelden en volledig aan de slag. Dit maakt dat de loonstop ten onrechte is opgelegd. De vordering tot doorbetaling van het gebruikelijke loon zal dan ook worden toegewezen.
[gedaagde] moet [eiseres] weer toelaten tot haar werkzaamheden
3.21
De vraag die vervolgens in deze procedure voorligt is of [gedaagde] [eiseres] in staat moet stellen tot het verrichten van haar werkzaamheden als [functie] .
3.22
Uit de algemene maatstaf van het goed werkgeverschap in artikel 7:611 BW volgt dat een werknemer in beginsel het recht heeft om tewerk te worden gesteld. Van een goed werkgever mag worden verwacht dat zij de werknemer de mogelijkheid biedt de overeengekomen arbeid te verrichten, tenzij de werkgever een redelijke en – tegenover het zwaarwegende belang van de werknemer – voldoende zwaarwegende grond heeft om de werknemer die mogelijkheid te ontzeggen.
3.23
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] werkzaam was als [functie] . [gedaagde] betwist ook niet dat zij [eiseres] weer toe wil laten tot de werkzaamheden als [functie] , maar pas nadat zij dit minimaal 4 weken heeft kunnen monitoren en onder begeleiding van een ervaren [functie] . Zij wil weten hoe het [eiseres] vergaat, hoe het haar vergaat in interactie met haar medewerkers, collega [functie] en cliënten. Zij wil een zorgzame organisatie zijn. Op zich is dit alleszins begrijpelijk, maar bezien in de licht van de eerder met [eiseres] gemaakte afspraken is dit een onredelijke eis. Dit geldt temeer omdat ook de arboarts heeft aangegeven dat [eiseres] weer volledig inzetbaar is en niet is gebleken van dusdanige kritiek op de werkzaamheden van [eiseres] dat zij daarin begeleiding behoeft. Ter zitting heeft [gedaagde] aangegeven vast te willen houden aan de afgesproken twee weken voor wat betreft de duurzaamheidstest en dat het plan van aanpak daarna niet in beton is gegoten. [eiseres] heeft ook aangegeven geen problemen te hebben met de twee weken duurzaamheidstest. [eiseres] zal, nu zij zich 100% beter heeft gemeld, moeten worden toegelaten tot haar werkzaamheden als [functie] met inachtneming van de hiervoor genoemde twee weken. Over de periode daarna en de invulling van het plan van aanpak is verder niks door partijen gevorderd, zodat de kantonrechter zich daar niet over kan uitlaten. Partijen zullen daarover in overleg nadere afspraken moeten maken.
3.24
[gedaagde] heeft [eiseres] lang in onzekerheid gelaten voor wat betreft de locatie waar zij haar werkzaamheden als [functie] kan gaan invullen. [gedaagde] stelt wel hierover eerder duidelijkheid te hebben gegeven, maar daar is niets van gebleken. De arboarts heeft meerdere malen het advies gegeven hier duidelijkheid over te geven. Volgens [gedaagde] heeft zij op 5 en 10 juni 2026 aan [eiseres] laten weten, en ter zitting bevestigd, dat [eiseres] haar werkzaamheden als [functie] kan oppakken op de locatie [locatie] . De locatie [locatie] zal in het najaar in zijn geheel verhuizen naar de nieuwe locatie [locatie] . Gelet op de uitingen van [gedaagde] moet het ervoor worden gehouden dat hierover inmiddels duidelijkheid is verschaft.
3.25
Gelet op het vorenstaande zal de vordering van [eiseres] om volledig en onbelemmerd te worden toegelaten tot haar werkzaamheden als [functie] , met uitzondering van de hiervoor genoemde twee weken met betrekking tot de duurzaamheidstest, worden toegewezen. Tegen de hoogte van de gevraagde dwangsom en het bijbehorende maximum is geen verweer gevoerd. De kantonrechter ziet echter aanleiding de dwangsom te matigen tot € 500,- per dag met een maximum van € 10.000,-.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.26
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
151,94
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.253,94
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om [eiseres] , onder de voorwaarde zoals hiervoor onder 3.23 tot en met 3.25 is overwogen, binnen zeven dagen na dit vonnis onbelemmerd en volledig toe te laten tot haar werkzaamheden als [functie] op een locatie van [gedaagde] in Hilversum op basis van 36 uur per week, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft, tot een maximum van € 10.000,-,
4.2
veroordeelt [gedaagde] tot tijdige betaling aan [eiseres] van een voorschot in overeenstemming met het gebruikelijke loon zonder inhouding,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.253,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.