Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5243

2026-07-13 Bestuursrecht UTR 25/734
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-13
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/734
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de minister de studieschuld van eiser op goede gronden niet heeft kwijtgescholden. De minister heeft de hardheidsclausule niet toe hoeven te passen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij valt onder uitzonderingscategorie b van artikel 11:5 van de Wsf.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.100 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/734


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser


en


de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs,
(gemachtigde: H. Bouhuys).


Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor het kwijtschelden van zijn studieschuld op medische gronden. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de studieschuld van eiser niet hoeft kwijt te schelden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor kwijtschelding van zijn studieschuld op medische gronden. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 19 juni 2024 afgewezen. Eiser is hiertegen in bezwaar gegaan. Omdat de minister niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar heeft eiser een beroep niet tijdig ingediend. Uiteindelijk heeft de minister op 14 februari 2025 alsnog een besluit genomen.

2.1.
Eiser heeft aangegeven het niet eens te zijn met dit besluit. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft van rechtswege ook betrekking op het alsnog genomen besluit van 14 februari 2025.


2.2.
Met het bestreden besluit van 14 februari 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Aan dit besluit ligt een medisch advies ten grondslag. Hieruit is gebleken dat de medisch adviseur van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) geen medische informatie heeft om te beoordelen of eiser valt onder één van de groepen waarbij de studieschuld wordt kwijtgescholden vanwege medische redenen. Daardoor kan niet vastgesteld worden of eisers situatie vergelijkbaar is met één van deze groepen. Verder ziet de minister geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Hierbij is van belang dat de schuld naar draagkracht kan worden terugbetaald en dat eiser momenteel € 0,- per maand af moet lossen.


2.3.
Eiser heeft op 29 oktober 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend. De minister heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.


2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.


2.5.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd. De rechtbank kan dit doen op grond van artikel 8:66, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



Beoordeling door de rechtbank
Beroep niet tijdig beslissen
3. De minister heeft op 19 juni 2024 de aanvraag van eiser voor het kwijtschelden van zijn studieschuld afgewezen. Eiser heeft hiertegen op 22 juli 2024 bezwaar gemaakt. Omdat de minister niet binnen de beslistermijn een besluit heeft genomen, heeft eiser bij brief van 25 oktober 2024 de minister in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna (bij brief van 24 januari 2025) beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Op 14 februari 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen.
4. De rechtbank stelt vast dat de minister de termijn om te beslissen in bezwaar heeft overschreden. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen is dan ook terecht ingesteld. Omdat er inmiddels een besluit is genomen, is het procesbelang van eiser bij dit beroep niet-tijdig komen te vervallen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Of het voor dit beroep betaalde griffierecht moet worden vergoed, is afhankelijk van de uitkomst van het beroep tegen het besluit van 14 februari 2025. Bij toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb, wordt niet opnieuw griffierecht geheven. Het door eiser betaalde griffierecht bij het instellen van het beroep niet-tijdig wordt namelijk geacht mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 14 februari 2025.
Heeft de minister de aanvraag van eiser af mogen wijzen?
5. Eiser voert aan dat de minister zijn studieschuld wel had moeten kwijtschelden. De minister had de hardheidsclausule toe moeten passen omdat eiser in een uitzichtloze situatie zit en hij daarvan een verklaring heeft van de geneesheer-directeur. Dat de minister dit niet heeft gedaan zorgt ervoor dat het bestreden besluit in strijd is met zowel het zorgvuldigheidsbeginsel als het motiveringsbeginsel. De minister heeft geen volledig en zorgvuldig medisch onderzoek gedaan. Uit het medisch advies van 8 mei 2024 blijkt dat de medisch adviseur geen medische informatie heeft kunnen beoordelen, omdat de geraadpleegde arts aangaf dat de gestelde vragen buiten diens deskundigheid vielen. Ook is eiser niet in gelegenheid gesteld om de ontbrekende medische informatie aan te vullen of een eigen medisch rapport te overleggen. Eiser vindt het zeer kwalijk dat hij geen kans heeft gekregen om zijn verhaal te vertellen tijdens een hoorzitting. Daarnaast is het aannemelijk dat het besluit onder tijdsdruk is genomen omdat er een beroep was ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen. Hierdoor is het besluitvormingsproces afgeraffeld en het bestreden besluit niet op de vereiste wijze voorbereid. Verder heeft de minister niet gemotiveerd waarom het ontbreken van medische informatie ertoe leidt dat de hardheidsclausule niet wordt toegepast. Dat er geen medische gegevens beschikbaar zijn, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat eiser niet valt onder een van de categorieën genoemd in artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf). Eiser heeft de rechtbank dan ook verzocht om aan de minister een dwangsom op te leggen totdat er een zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd besluit is genomen.
6. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 6.2, eerste lid van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf) degene die studiefinanciering heeft ontvangen, verplicht is om de lening terug te betalen. In artikel 6:16 van de Wsf staat dat de studieschuld wel wordt kwijtgescholden bij het einde van de aflosfase en bij het overlijden van de debiteur. Voor de toepassing van de in artikel 11:5 van de Wsf opgenomen hardheidsclausule, voert de minister een beleid waaruit volgt dat de studieschuld kwijtgescholden kan worden in geval van:


terminale patiënten, die naar verwachting binnen een jaar zullen overlijden;


psychiatrische patiënten op verklaring van de geneesheer-directeur dat de situatie uitzichtloos is;


debiteuren die ernstig geestelijk gehandicapt zijn op verklaring van de inrichting;


debiteuren die gedurende langere tijd in coma liggen.


Volgens vaste rechtspraak is dit beleid niet onredelijk en mag dat ook strikt worden uitgelegd.
7. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat in het geval van een aanvraag, de aanvrager verantwoordelijk is om de benodigde informatie die daaraan ten grondslag ligt te verstrekken. In dit geval heeft eiser toestemming gegeven aan de medische adviseur van DUO om medische informatie op te vragen bij de door eiser opgegeven arts. Die arts heeft aangegeven dat hij niet kan voldoen aan het verzoek om medische informatie te verstrekken omdat de gestelde vragen buiten zijn vakgebied vallen. De conclusie van het medisch advies is dan ook dat de onderzoeksvraag zich niet onderbouwd laat beantwoorden. Dit advies is ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit waarin de minister de aanvraag van eiser afwijst.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister de studieschuld van eiser op goede gronden niet heeft kwijtgescholden. De minister heeft de hardheidsclausule niet toe hoeven te passen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij valt onder uitzonderingscategorie b van artikel 11:5 van de Wsf. Omdat het een aanvraag betreft is het aan eiser zelf om dit aannemelijk te maken. Eiser heeft daaraan niet voldaan. Weliswaar heeft hij toestemming gegeven om informatie op te vragen bij een door hem genoemde arts, maar die arts kon geen informatie geven die het standpunt van eiser onderbouwt. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat eiser geen toestemming heeft gegeven aan de geneesheer-directeur om zijn medische informatie te delen met de huisarts. Hierdoor heeft de huisarts geen medische informatie kunnen delen met de medische adviseur van DUO en is de onderzoeksvraag onbeantwoord gebleven. Omdat de bewijslast op eiser rust had het dan op zijn weg gelegen om met eventueel ander bewijs te komen. Dat heeft hij niet gedaan. Verder heeft hij niet verklaard dat een andere arts wel informatie zou kunnen verstrekken (en een machtiging gegeven om dat bij die andere arts op te vragen). Ook heeft eiser zelf geen medische informatie verstrekt. Zodoende heeft eiser niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Dat eiser niet de gelegenheid heeft gekregen om de ontbrekende medische informatie aan te vullen of een eigen medisch rapport over te leggen volgt de rechtbank verder niet. Eiser heeft daartoe gedurende de procedure meerdere keren de gelegenheid gehad. De minister heeft bovendien tijdens de zitting nog voorgesteld dat als eiser nog medische informatie heeft, hij die mag voorleggen. Eiser heeft aangegeven de medische informatie niet alsnog aan te leveren en dat hij graag een oordeel wil van de rechtbank over de motivering en de zorgvuldigheid van het besluit.

8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit gelet op het voorgaande niet in strijd met het zorgvuldigheids- of het motiveringsbeginsel. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hem een beroep op de hardheidsclausule toekomt.


8.2.
Tijdens de zitting heeft eiser verder aangegeven dat hij ontevreden is over hoe het proces is verlopen en heeft hij de rechtbank verzocht om een boete op te leggen aan de minister. De rechtbank begrijpt dat eiser zich niet gehoord heeft gevoeld, maar kan daarvoor geen boete opleggen. De rechtbank kan als pressiemiddel voor het nemen van een besluit wel een dwangsom opleggen, maar dat is hier niet meer aan de orde omdat er inmiddels een besluit is genomen.


8.3.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de draagkracht van eiser inmiddels is bepaald op € 0,-. Eiser hoeft op dit moment dus geen bedrag te betalen om zijn schuld af te lossen. De minister heeft toegelicht dat eiser de studieschuld slechts naar draagkracht hoeft terug te betalen en aflosvrije maanden kan inzetten, waarna het restant na 15 jaar aflosfase kan worden kwijtgescholden.



Conclusie en gevolgen
9. Het beroep gericht tegen de afwijzing van het kwijtschelden van de studieschuld is ongegrond. Dat betekent dat de studieschuld van eiser niet wordt kwijtgescholden door de minister. Het beroep niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk omdat er inmiddels een besluit is genomen.
10. Omdat het beroep niet tijdig beslissen terecht is ingediend, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De toenmalige gemachtigde van eiser heeft het beroep niet tijdig ingediend, dat levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-) met een wegingsfactor van 0,5. Toegekend wordt € 467,-. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit van 14 februari 2025 ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep inzake de afwijzing van de kwijtschelding van de studieschuld ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juli 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2019:2148, r.o. 6.1.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:546.