Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5189
2026-07-08
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/16/604809 / JE RK 25-1963
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling; gewijzigde uitleg Hoge Raad van leerplichtvrijstelling ook binnen ondertoezichtstelling relevant.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2026:658 Hoge Raad 21-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.906 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/604809 / JE RK 25-1963
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam-Zuidoost,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
tezamen wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.K.J. Choo.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Voor het procesverloop wordt verwezen naar de beschikking van 11 juni 2026. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van drie maanden en de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden. De kinderrechter neemt deze beschikking mee in de beoordeling.
1.2.
De kinderrechter heeft daarna ontvangen:
de brief van de downpoli ontvangen op 25 juni 2026;
de brief van de fysiotherapeut, overlegd ter zitting.
1.3.
Op 8 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader en de moeder met hun advocaat;
- mevrouw [A.] en mevrouw [B.] , namens de GI.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 19 februari 2026. Daarna is deze maatregel telkens verlengd, voor het laatst tot 19 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De kinderrechter moet nog beslissen op het aangehouden deel van het verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI handhaaft het verzoek.
4De standpunten
4.1.
De ouders zijn het niet eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. De advocaat brengt namens de ouders naar voren dat sinds de zitting in februari grote stappen zijn gemaakt. De downpoli, logopedie en fysiotherapie zijn gestart. Er zijn vorderingen en daar hebben de ouders zich ook hard voor gemaakt. In het kort vinden de ouders dat de zorgen die er waren, niet langer aanwezig zijn. De GI is binnengelaten. Er is niet langer sprake van stilstand. Zij hebben de nodige hulp zelf goed opgepakt. Zodoende wordt juridisch niet langer voldaan aan de gronden voor een ondertoezichtstelling. De ouders vragen dan ook primair om afwijzing van het aangehouden deel, subsidiair om toewijzing van het aangehouden deel voor kortere duur om een tussentijdse toets te creëren.
5De beoordeling
De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van drie maanden, en het verzoek voor het overige aanhouden. Hierna legt zij uit waarom.
Wat zegt de wet?
5.2.
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen als een minderjarige zodanig opgroeit dat zij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, de noodzakelijke zorg door de ouders niet of onvoldoende wordt geaccepteerd en de verwachting bestaat dat de ouders de verzorging en opvoeding binnen aanvaardbare termijn zelf weer kunnen dragen. Op verzoek van de GI kan de kinderrechter deze ondertoezichtstelling telkens met maximaal een jaar verlengen.
De motivering van de verlenging
5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De kinderrechter ziet een meisje met bijzondere zorgen en behoeften. De hulpverlening is pas zeer recent weer goed opgestart. Deze hulpverlening bestaat uit onder meer de fysiotherapie, de logopedie, de controle op de downpoli en de huisarts. Deze betrokkenheid van de hulpverlening is goed en belangrijk. De ouders hebben op de zitting twee filmpjes getoond aan de kinderrechter waarop te zien is dat [minderjarige] loopt aan de hand van haar moeder en een loopfietsje gebruikt. De ouders willen laten zien dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt, en daar zijn zij trots op. De kinderrechter vindt dit mooi om te zien, maar zij vindt het voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] wel noodzakelijk dat de ingezette hulpverlening blijft doorgaan. Zo moet [minderjarige] naar fysiotherapie en logopedie blijven gaan. In dat kader hebben ouders ook een brief met een tussentijdsverslag van de fysiotherapeut overgelegd. De dagtekening is 1 juli 2026. In de brief wordt onder fysiotherapeutische diagnose vermeld: “Meisje van 4 jaar oud”. [minderjarige] is nu 6 jaar oud. De GI heeft ter zitting aangegeven dat de brief erg veel lijkt op een eerdere brief van de fysiotherapeut. De kinderrechter zal geen waarde hechten aan deze brief, omdat zij de indruk krijgt dat ouders de dagtekening hebben aangepast. De kinderrechter vindt dat heel jammer en zorgelijk.
5.4.
De kinderrechter heeft op de zitting de leerplichtvrijstelling van [minderjarige] aan de orde gesteld. Zij heeft dit gedaan vanwege het recente arrest van de Hoge Raad van 21 april 2026, waarin de Hoge Raad de leerplichtvrijstelling flink heeft aangescherpt. De kinderrechter merkt op dat [minderjarige] een vrijstelling heeft vanwege de geloofsovertuiging van de ouders, dus op grond van artikel 5 onder b Leerplichtwet 1969. Er is dus geen vrijstelling van leerplicht omdat [minderjarige] op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school of instelling te worden toegelaten (artikel 5 onder a). De vrijstelling op basis van geloofsovertuiging moet volgens de Hoge Raad zeer beperkt worden uitgelegd, er kan alleen sprake van zijn in uitzonderlijke gevallen. De kinderrechter acht het zeer aannemelijk dat de vrijstelling voor [minderjarige] niet langer zal gelden. De GI wil al langere tijd inzetten op passende dagbesteding voor [minderjarige] omdat dit belangrijk is voor een goede ontwikkeling, zeker voor een kind met het Syndroom van Down. De Raad voor de Kinderbescherming heeft op de vorige zitting ook toegelicht dat een passende dagbesteding nodig is. Ook de fysiotherapeut benoemde dit al zijn brief, die waarschijnlijk van 2024 is. De kinderrechter wil daarom dat de GI en de ouders in de aankomende periode in gesprek gaan met de leerplichtambtenaar. Dit gesprek moet gaan over de leerplicht van [minderjarige] , over haar schoolgang en dagbesteding. Het is namelijk van belang voor [minderjarige] om zich aan andere kinderen op te trekken. Zij moet niet enkel kinderen zien in een speeltuin of op een crèche van de kerk waar ouders naartoe gaan. Zij moet voor haar ontwikkeling omgaan met andere kinderen in groepsverband of klassenverband.
5.5.
De kinderrechter is met de GI eens dat gekeken moet worden naar de ouders als opvoeders van een kind met het Syndroom van Down. Dit vergt aan ander niveau van opvoeden, en andere vaardigheden om goed aan te kunnen sluiten. De GI zal inzetten op hulpverlening vanuit Reinaerde. Deze hulpverlener zal beoordelen of de ouders genoeg in huis hebben, en of er tips zijn om de opvoedsituatie goed genoeg te maken.
5.6.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders hebben op de zitting naar voren gebracht dat de bemoeienis van de GI niet nodig is, en dat zij de huidige hulpverlening zelf hebben geregeld. De kinderrechter deelt de zorg van de GI dat als de ondertoezichtstelling nu wegvalt, de noodzakelijke hulpverlening gaat stagneren. De kinderrechter benadrukt dat het uiteindelijke doel is om [minderjarige] met al haar mogelijkheden zo ver mogelijk te laten komen in het leven, dat zij alle vaardigheden ontwikkelt en haar volle potentie kan gebruiken. Hiervoor is nodig dat de ouders goed met de hulpverlening blijven samenwerken, en dat de GI zicht houdt op de inzet en het verloop van de hulpverlening.
5.7.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor een korte duur van drie maanden, tot 19 oktober 2026, zodat een tussentijdse toets wordt ingebouwd. Zij zal de ouders, hun nieuwe advocaat en de GI begin oktober uitnodigen voor een zitting om de situatie van [minderjarige] opnieuw met elkaar te bespreken.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 19 oktober 2026;
6.2.
houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan;
6.3.
roept de GI, de ouders en hun advocaat op voor de zitting van mr. E.A.A. van Kalveen op 2 oktober 2026 om 09:45 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, aan Vrouwe Justitiaplein I in Utrecht;
6.4.
verzoekt de GI om uiterlijk 23 september 2026, de rechtbank, de ouders en hun advocaat schriftelijk te informeren over de relevante ontwikkelingen en de gewenste voortgang van de procedure, in het bijzonder of het aangehouden verzoek wordt gehandhaafd dan wel gewijzigd;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.F. van Loon als griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 Burgerlijk Wetboek.
Vindplaats ECLI:NL:HR:2026:658.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/604809 / JE RK 25-1963
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam-Zuidoost,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
tezamen wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.K.J. Choo.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Voor het procesverloop wordt verwezen naar de beschikking van 11 juni 2026. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van drie maanden en de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden. De kinderrechter neemt deze beschikking mee in de beoordeling.
1.2.
De kinderrechter heeft daarna ontvangen:
de brief van de downpoli ontvangen op 25 juni 2026;
de brief van de fysiotherapeut, overlegd ter zitting.
1.3.
Op 8 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader en de moeder met hun advocaat;
- mevrouw [A.] en mevrouw [B.] , namens de GI.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 19 februari 2026. Daarna is deze maatregel telkens verlengd, voor het laatst tot 19 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De kinderrechter moet nog beslissen op het aangehouden deel van het verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI handhaaft het verzoek.
4De standpunten
4.1.
De ouders zijn het niet eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. De advocaat brengt namens de ouders naar voren dat sinds de zitting in februari grote stappen zijn gemaakt. De downpoli, logopedie en fysiotherapie zijn gestart. Er zijn vorderingen en daar hebben de ouders zich ook hard voor gemaakt. In het kort vinden de ouders dat de zorgen die er waren, niet langer aanwezig zijn. De GI is binnengelaten. Er is niet langer sprake van stilstand. Zij hebben de nodige hulp zelf goed opgepakt. Zodoende wordt juridisch niet langer voldaan aan de gronden voor een ondertoezichtstelling. De ouders vragen dan ook primair om afwijzing van het aangehouden deel, subsidiair om toewijzing van het aangehouden deel voor kortere duur om een tussentijdse toets te creëren.
5De beoordeling
De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van drie maanden, en het verzoek voor het overige aanhouden. Hierna legt zij uit waarom.
Wat zegt de wet?
5.2.
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen als een minderjarige zodanig opgroeit dat zij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, de noodzakelijke zorg door de ouders niet of onvoldoende wordt geaccepteerd en de verwachting bestaat dat de ouders de verzorging en opvoeding binnen aanvaardbare termijn zelf weer kunnen dragen. Op verzoek van de GI kan de kinderrechter deze ondertoezichtstelling telkens met maximaal een jaar verlengen.
De motivering van de verlenging
5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De kinderrechter ziet een meisje met bijzondere zorgen en behoeften. De hulpverlening is pas zeer recent weer goed opgestart. Deze hulpverlening bestaat uit onder meer de fysiotherapie, de logopedie, de controle op de downpoli en de huisarts. Deze betrokkenheid van de hulpverlening is goed en belangrijk. De ouders hebben op de zitting twee filmpjes getoond aan de kinderrechter waarop te zien is dat [minderjarige] loopt aan de hand van haar moeder en een loopfietsje gebruikt. De ouders willen laten zien dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt, en daar zijn zij trots op. De kinderrechter vindt dit mooi om te zien, maar zij vindt het voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] wel noodzakelijk dat de ingezette hulpverlening blijft doorgaan. Zo moet [minderjarige] naar fysiotherapie en logopedie blijven gaan. In dat kader hebben ouders ook een brief met een tussentijdsverslag van de fysiotherapeut overgelegd. De dagtekening is 1 juli 2026. In de brief wordt onder fysiotherapeutische diagnose vermeld: “Meisje van 4 jaar oud”. [minderjarige] is nu 6 jaar oud. De GI heeft ter zitting aangegeven dat de brief erg veel lijkt op een eerdere brief van de fysiotherapeut. De kinderrechter zal geen waarde hechten aan deze brief, omdat zij de indruk krijgt dat ouders de dagtekening hebben aangepast. De kinderrechter vindt dat heel jammer en zorgelijk.
5.4.
De kinderrechter heeft op de zitting de leerplichtvrijstelling van [minderjarige] aan de orde gesteld. Zij heeft dit gedaan vanwege het recente arrest van de Hoge Raad van 21 april 2026, waarin de Hoge Raad de leerplichtvrijstelling flink heeft aangescherpt. De kinderrechter merkt op dat [minderjarige] een vrijstelling heeft vanwege de geloofsovertuiging van de ouders, dus op grond van artikel 5 onder b Leerplichtwet 1969. Er is dus geen vrijstelling van leerplicht omdat [minderjarige] op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school of instelling te worden toegelaten (artikel 5 onder a). De vrijstelling op basis van geloofsovertuiging moet volgens de Hoge Raad zeer beperkt worden uitgelegd, er kan alleen sprake van zijn in uitzonderlijke gevallen. De kinderrechter acht het zeer aannemelijk dat de vrijstelling voor [minderjarige] niet langer zal gelden. De GI wil al langere tijd inzetten op passende dagbesteding voor [minderjarige] omdat dit belangrijk is voor een goede ontwikkeling, zeker voor een kind met het Syndroom van Down. De Raad voor de Kinderbescherming heeft op de vorige zitting ook toegelicht dat een passende dagbesteding nodig is. Ook de fysiotherapeut benoemde dit al zijn brief, die waarschijnlijk van 2024 is. De kinderrechter wil daarom dat de GI en de ouders in de aankomende periode in gesprek gaan met de leerplichtambtenaar. Dit gesprek moet gaan over de leerplicht van [minderjarige] , over haar schoolgang en dagbesteding. Het is namelijk van belang voor [minderjarige] om zich aan andere kinderen op te trekken. Zij moet niet enkel kinderen zien in een speeltuin of op een crèche van de kerk waar ouders naartoe gaan. Zij moet voor haar ontwikkeling omgaan met andere kinderen in groepsverband of klassenverband.
5.5.
De kinderrechter is met de GI eens dat gekeken moet worden naar de ouders als opvoeders van een kind met het Syndroom van Down. Dit vergt aan ander niveau van opvoeden, en andere vaardigheden om goed aan te kunnen sluiten. De GI zal inzetten op hulpverlening vanuit Reinaerde. Deze hulpverlener zal beoordelen of de ouders genoeg in huis hebben, en of er tips zijn om de opvoedsituatie goed genoeg te maken.
5.6.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders hebben op de zitting naar voren gebracht dat de bemoeienis van de GI niet nodig is, en dat zij de huidige hulpverlening zelf hebben geregeld. De kinderrechter deelt de zorg van de GI dat als de ondertoezichtstelling nu wegvalt, de noodzakelijke hulpverlening gaat stagneren. De kinderrechter benadrukt dat het uiteindelijke doel is om [minderjarige] met al haar mogelijkheden zo ver mogelijk te laten komen in het leven, dat zij alle vaardigheden ontwikkelt en haar volle potentie kan gebruiken. Hiervoor is nodig dat de ouders goed met de hulpverlening blijven samenwerken, en dat de GI zicht houdt op de inzet en het verloop van de hulpverlening.
5.7.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor een korte duur van drie maanden, tot 19 oktober 2026, zodat een tussentijdse toets wordt ingebouwd. Zij zal de ouders, hun nieuwe advocaat en de GI begin oktober uitnodigen voor een zitting om de situatie van [minderjarige] opnieuw met elkaar te bespreken.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 19 oktober 2026;
6.2.
houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan;
6.3.
roept de GI, de ouders en hun advocaat op voor de zitting van mr. E.A.A. van Kalveen op 2 oktober 2026 om 09:45 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, aan Vrouwe Justitiaplein I in Utrecht;
6.4.
verzoekt de GI om uiterlijk 23 september 2026, de rechtbank, de ouders en hun advocaat schriftelijk te informeren over de relevante ontwikkelingen en de gewenste voortgang van de procedure, in het bijzonder of het aangehouden verzoek wordt gehandhaafd dan wel gewijzigd;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.F. van Loon als griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 Burgerlijk Wetboek.
Vindplaats ECLI:NL:HR:2026:658.