Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5150

2026-07-30 Bestuursrecht UTR 25/5718
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/5718
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Omgevingswet. Omgevingsvergunning voor het bouwen van een appartementencomplex met vier bouwlagen (buitenplanse omgevingsplanactiviteit). Eiser woont tegenover het perceel waar het appartementencomplex wordt gebouwd en vreest onder meer voor inkijk vanaf de galerij in zijn achtertuin en woning en geluidsoverlast van de warmtepompen op het dak. De kern van zijn beroep is dat geen deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is, omdat het college een zorgvuldige beoordeling heeft gemaakt of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en daarbij in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van vergunninghouder om te bouwen dan aan de belangen van eiser. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.986 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/5718


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.F. Lansbergen)


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal, verweerder
(gemachtigde: mr. M.R. Groenewoud).



Als derde-partij neemt aan de zaak deel: KUDO Projectontwikkeling B.V. uit Veenendaal (vergunninghouder).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het bouwen van een appartementencomplex met vier bouwlagen en het wijzigen van een uitweg op het perceel [adres 1] in [plaats] . Eiser woont tegenover het perceel waar het appartementencomplex wordt gebouwd en vreest onder meer voor inkijk vanaf de galerij en slaapkamers in zijn achtertuin en woning, lichthinder van de lantaarnpalen op de parkeerplaats van het appartementencomplex en geluidsoverlast van alle warmtepompen op het dak. Eiser is het niet eens met de omgevingsvergunning en vindt dat het college meer gewicht had moeten toekennen aan zijn belangen dan aan het belang van vergunninghouder om nieuwe appartementen te bouwen.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is, omdat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Vergunninghouder wil het perceel [adres 1] in [plaats] herontwikkelen door het bestaande autogaragebedrijf te slopen en 17 appartementen te bouwen met daarbij behorende parkeerplaatsen en groen, zodat ouderen in de wijk de mogelijkheid hebben om door te stromen naar een levensloopgeschikte woning. Met het besluit van 6 februari 2025 heeft het college hiervoor aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend.



2.1.
De locatie is gelegen in een blok dat wordt begrensd door de straten [straat 1] , [straat 2] en [straat 3] . Eiser woont aan [adres 2] en kijkt vanuit zijn woning op de achterkant van het appartementencomplex, waar de galerij is gesitueerd. Zijn achtertuin grenst aan de parkeerplaats die zich bevindt tussen het appartementencomplex en zijn achtertuin. Tegen de verlening van de omgevingsvergunning heeft eiser bezwaar gemaakt, omdat hij het niet eens is met het bouwplan. Met het besluit van 21 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het college op het bezwaar van eiser beslist en de omgevingsvergunning, onder vervanging van de schaduwstudie van 6 juni 2023 met de schaduwstudie van 7 mei 2025, in stand gelaten.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft zich gemeld als derde-belanghebbende en is vanwege de beroepsprocedure nog niet gestart met bouwen.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college vergezeld door [A] ( [functie] ), en namens vergunninghouder [B] ( [functie] ) en [C] ( [functie] ), vergezeld door [D] ( [functie] ).




Beoordeling door de rechtbank



Het omgevingsplan




3. De aanvraag ziet op een omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Het is op grond van het omgevingsplan van de gemeente Veenendaal (het omgevingsplan) verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrich​​ten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, en het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.



3.1.

In het bestemmingsplan ‘Woongebieden 2018’, dat deel uitmaakt van het omgevingsplan, heeft het bouwperceel de bestemming ‘Bedrijf’. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor bedrijven en bedrijfsactiviteiten maximaal tot en met milieucategorie 2, zoals nader is omschreven in de lijst van bedrijfsactiviteiten. Wonen is dus in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan. Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ mogen gebouwen worden gebouwd met inachtneming van de ter plaatse aangegeven aanduidingen. Op de plankaart heeft het perceel de maatvoering ‘Maximum bouwhoogte (m): 5’. Op basis van de aanvraag stelt de rechtbank vast dat de bouwhoogte van het appartementencomplex 12 meter is. Dat is 7 meter hoger dan is toegestaan, waardoor het bouwplan ook in strijd is met de bouwregels. Dat het bouwplan op deze punten in strijd is met het omgevingsplan, is tussen partijen niet in geschil.

Het beoordelingskader





3.2.
Het omgevingsplan bevat geen (binnenplanse) mogelijkheid voor afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van wonen en voor het bouwen van gebouwen in afwijking van de ter plaatse aangegeven aanduidingen. Dat betekent dat sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Deze omgevingsvergunning kan alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook zijn op de beoordeling van de aanvraag de instructieregels voor het omgevingsplan uit het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.



3.3.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen ten aanzien van de overschrijding van de maximale bouwhoogte en afwijking van de gebruiksregels in het omgevingsplan. Het is aan het college om in het kader van de belangenafweging te toetsen of woningbouw op deze locatie aanvaardbaar is. Daarbij zal ook de hinder/overlast voor omwonenden moeten worden meegewogen. De rechtbank oordeelt niet zelf of het verlenen van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht.



Welstandsadvies





3.4.
Eiser voert aan dat het welstandsadvies onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Ter onderbouwing voert eiser aan dat uit het welstandsadvies niet blijkt of en in hoeverre het bouwplan is getoetst aan de welstandsnota en welke punten zijn overgenomen uit de eerdere reactie op de conceptaanvraag.



3.5.
Vergunninghouder heeft eerst een conceptaanvraag gedaan. Het college heeft deze aanvraag voor een eerste reactie voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). De CRK kon zich op hoofdlijnen vinden in de ontwikkeling, maar adviseerde om het bouwplan op een aantal punten aan te scherpen en door te ontwikkelen. Zo vormden de bovenste appartementen losse ‘doosjes op het dak’ en mochten deze meer als afronding van het geheel ontworpen worden. Na de aanvraag voor het definitieve bouwplan is deze ter advisering voorgelegd aan de CRK. De CRK heeft positief geadviseerd over het bouwplan en de indeling van het terrein, ondanks dat niet alle eerder gemaakte opmerkingen zijn opgevolgd en het bouwplan op enkele ondergeschikte punten iets is veranderd. Het college heeft het advies van de CRK overgenomen.



3.6.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag het college een welstandsadvies overnemen, nadat het college is nagegaan of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.



3.7.
De rechtbank is van oordeel dat het college het welstandsadvies heeft kunnen overnemen, omdat eiser geen advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd en ook geen concrete aanknopingspunten heeft geboden voor twijfel aan de zorgvuldigheid, begrijpelijkheid en conclusie van het welstandsadvies. Alhoewel het advies van de CRK summier is onderbouwd, heeft eiser niet concreet gemaakt met welke welstandscriteria het bouwplan in strijd zou zijn. Omdat eiser niets tegenover het welstandsadvies heeft gesteld, behoefde het overnemen van het welstandsadvies door het college geen nadere toelichting. De beroepsgrond slaagt niet.



Watertoets





3.8.
Eiser voert aan dat de omgevingsvergunning geweigerd moest worden, omdat vergunninghouder niet aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan de watertoets. Uit de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag volgt dat door het waterschap een positief wateradvies wordt gegeven, maar omdat eiser geen advies van het waterschap in het dossier heeft aangetroffen, is volgens hem sprake van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.



3.9.
Op de beoordeling van een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn de instructieregels voor het omgevingsplan van overeenkomstige toepassing. Eén van die instructieregels is dat rekening wordt gehouden met de gevolgen van het bouwplan voor het beheer van watersystemen en dat, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die systemen wordt betrokken. Het college doet een beroep op het relativiteitsvereiste. Op grond van het relativiteitsvereiste kan eiser geen succesvol beroep doen op een rechtsregel als die niet is geschreven om zijn belangen te beschermen. De instructieregel waar eiser zich op beroept is opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit hoofdstuk bevat instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat impliceert dat de instructieregel niet alleen strekt tot bescherming van waterbelangen, maar ook tot het belang van omwonenden om geen wateroverlast te ondervinden. Eiser heeft zich dus op deze bepaling kunnen beroepen.



3.10.
Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het bouwplan geen belangen van het waterschap raakt, omdat zich binnen het plangebied geen watergangen bevinden. Aan de voorzijde van het complex aan de [straat 3] wordt de oppervlakte aan verharding verminderd en een wadi toegevoegd, waardoor de waterhuishoudkundige situatie zelfs verbetert. Met deze toelichting van het college en omdat eiser verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een problematiek van wateroverlast in het gebied, is de rechtbank van oordeel dat voldoende rekening is gehouden met de gevolgen voor de watersystemen als bedoeld in de instructieregel. Omdat de waterhuishoudkundige situatie verbetert, is de rechtbank met het college van oordeel dat er geen aanleiding bestond om advies aan het waterschap te vragen. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.



De belangenafweging





3.11.
De kern van het beroep van eiser is dat geen deugdelijke belangenafweging in het kader van de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties heeft plaatsgevonden. Eiser voert aan dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning zijn belang als direct omwonende onvoldoende heeft meegewogen. Het vergunde bouwplan heeft volgens eiser impact op zijn leefomgeving, vanwege een vermindering van privacy, lichthinder van de lantaarnpalen op de parkeerplaats en een toename van verkeersbewegingen. Dit leidt volgens eiser tot een onevenredige aantasting van zijn woongenot, welk belang zwaarder weegt dan het belang van vergunninghouder om appartementen te bouwen. Daarnaast voert eiser aan dat de stedenbouwkundige inpassing onvoldoende is gemotiveerd in de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning. De bijzondere ligging en afwijkende ontstaansgeschiedenis bieden volgens eiser onvoldoende onderbouwing voor een fors afwijkend bouwvolume en afwijkende bouwhoogte in een wijk die zich kenmerkt door laagbouw. In de ruimtelijke onderbouwing wordt gesteld dat de vierde bouwlaag noodzakelijk is vanwege de financiële haalbaarheid van het plan, maar dat is volgens eiser geen stedenbouwkundig belang dat in het kader van de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden afgewogen. Verder voert eiser aan dat het college geen aandacht heeft besteed aan de gevolgen van de nieuwe gebruiksfunctie. Het garagebedrijf stopt na kantooruren met zijn activiteiten, terwijl de bewoners van de appartementen ook na kantooruren met de auto het parkeerterrein zullen betreden, waardoor meer geluidsoverlast te verwachten is.



3.12.
Het college heeft een advies van de afdeling stedenbouw aan de motivering van het besluit ten grondslag gelegd. Daaruit volgt dat het plangebied een bijzondere ligging heeft, omdat het met drie zijdes grenst aan omliggende achtertuinen, zijtuinen en grondgebonden woningen. Deze omliggende woningen verschillen onderling enigszins, met als grootste uitzondering het zevental twee-onder-een kap woningen ten zuiden van het plangebied. Deze plek heeft de laatste honderd jaar meerdere gezichten gehad. Dat geeft het de stedenbouwkundige legitimiteit om de nieuwbouw afwijkend van de wijk in zowel vorm als grootte te geven. Op deze manier kan in het stedelijk weefsel gevoeld worden dat deze plek een bijzondere ontstaansgeschiedenis heeft, apart van de omringende wijk.



3.13.
Het nieuwe bouwblok volgt de rooilijn van de aangrenzende twee-onder-een-kapwoningen. In korrelgrootte benadert het appartementengebouw de breedte van een rijtje rijwoningen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het bouwplan ruimtelijk zorgvuldig is ingepast. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat een vierde bouwlaag nodig is vanwege de financiële haalbaarheid van het bouwplan, maar dat neemt niet weg dat deze bouwlaag volgens het college acceptabel is. De bovenste bouwlaag ligt namelijk terug ten opzichte van de andere bouwlagen en is gebouwd met andere materialen, waardoor sprake is van een ondergeschikte bouwlaag. De rechtbank ziet op dit punt geen motiveringsgebrek.



3.14.
De verkeersgeneratie neemt volgens de ruimtelijke onderbouwing toe met gemiddeld 29 motorvoertuigen per etmaal. Dat is gemiddeld een toename van ongeveer 1 voertuig per uur. Op de zitting heeft eiser dit aantal niet betwist, maar aangevoerd dat het aantal niet overeenkomt met de werkelijkheid. De rechtbank kan het standpunt van eiser niet volgen en is van oordeel dat een toename van één verkeersbeweging per uur nauwelijks effect zal hebben op zijn woon- en leefklimaat. Ten aanzien van de gevolgen van de functiewijziging, in die zin dat de bewoners straks ook na kantoortijden het parkeerterrein betreden, miskent eiser dat het omgevingsplan op deze locatie bedrijven tot en met milieucategorie twee toestaat. Daaronder vallen ook bedrijven met een zwaardere milieubelasting voor het aspect geluid dan een garagebedrijf. De rechtbank kan het college dan ook goed volgen dat een woonfunctie beter in de woonwijk past dan een bedrijfsfunctie.



3.15.
Ten aanzien van het belang van privacy overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat vergunninghouder rekening heeft gehouden met de privacy van eiser en andere omwonenden door het appartementencomplex zo te ontwerpen dat alle woonkamers uitkijken op de [straat 3] , waar zich ook de balkons bevinden. Aan de achterzijde (de kant van de woning van eiser) komen in beginsel de slaapkamers en bevindt zich de galerij. Vanaf de galerij is direct zicht op de woning en achtertuin van eiser te verwachten. Wel geldt dat vergunninghouder met de bewoners afspraken heeft gemaakt omtrent de plaatsing van een schutting of haag voor meer privacy. De te verwachten inkijk vanaf de galerij leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een onevenredige aantasting van de privacy van eiser. Daarbij betrekt de rechtbank dat tussen de galerij en de woning van eiser nog een parkeerplaats is gelegen en dat de galerij functioneel en kortdurend gebruikt zal worden om van en naar de appartementen te komen. Bovendien is enige inkijk inherent aan het wonen in een stedelijke omgeving, waardoor de rechtbank van oordeel is dat het bouwplan niet leidt tot een onevenredige schending van de privacy van eiser.



3.16.
De rechtbank ziet verder dat eiser ook een beroepsgrond heeft ingediend over lichthinder in zijn achtertuin en woning als gevolg van de lantaarnpalen op de parkeerplaats direct achter zijn perceel. De beoordeling door de bestuursrechter is echter beperkt tot de omvang van het geding. De omvang van het geding wordt niet alleen bepaald door het beroepschrift, maar ook de omgevingsvergunning die ter beoordeling voorligt. Omdat de omgevingsvergunning geen betrekking heeft op het plaatsen van lantaarnpalen, valt deze beroepsgrond van eiser buiten de omvang van het geding. Dat betekent dat de rechtbank geen oordeel geeft op dit punt.



Gecumuleerd geluid





3.17.
Eiser vreest voor geluidsoverlast door gecumuleerd geluid van de 17 warmtepompen op het dak van het appartementencomplex. Het akoestisch onderzoek dat aan de omgevingsvergunning ten grondslag ligt houdt volgens eiser onvoldoende rekening met de gezamenlijke geluidsbelasting. Ook het cumulatieve effect van de warmtepompen in combinatie met verkeersbewegingen is volgens eiser onvoldoende onderzocht en gemotiveerd. Ter onderbouwing van zijn beroepsgrond heeft eiser een contra-expertise van [deskundige 1] . overgelegd, waaruit volgt dat het gecumuleerd geluid tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel van eiser leidt.



3.18.
Naar aanleiding van de contra-expertise heeft het college [deskundige 2] ( [deskundige 2] ) gevraagd om een reactie. Dit is de opsteller van het bij de omgevingsvergunning behorende akoestisch rapport van 29 november 2024. Volgens [deskundige 2] bedraagt het gecumuleerd geluid van alle warmtepompen maximaal 32 dB(A) etmaalwaarde op bestaande woningen in de omgeving en dat van alle geluidbronnen (verkeer en warmtepompen) maximaal 53 dB(A). Hiermee wordt de standaardwaarde, zoals deze alleen al geldt voor gemeentewegen en nieuwe woningen niet overschreden. De bijdrage van alle warmtepompen op het gecumuleerde geluid is volgens [deskundige 2] zeer gering.



3.19.
Op de zitting heeft eiser de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om hem in de gelegenheid te stellen om het rapport van [deskundige 2] voor te leggen aan zijn eigen geluidsdeskundige voor een reactie. De rechtbank heeft dit verzoek om aanhouding afgewezen, vanwege een schending van de goede procesorde. Daaraan lag ten grondslag dat het rapport van [deskundige 2] op vrijdag 5 juni 2026 is ingediend, en dus meer dan 10 dagen voor de zitting, de eerstvolgende werkdag digitaal naar eiser is doorgestuurd en eiser op de zitting heeft verklaard dat hij nog geen opdracht heeft uitgezet bij zijn eigen deskundige om te reageren. Hierna zal de rechtbank de beroepsgrond inhoudelijk beoordelen.



3.20.
Naar de rechtbank begrijpt vreest eiser voor een toename van geluid door de warmtepompen op het dak in combinatie met het reeds aanwezige wegverkeersgeluid. Naar de rechtbank begrijpt is deze geluidscumulatie volgens eiser reden tot weigering van de omgevingsvergunning, omdat sprake zou zijn van onaanvaardbare hinder voor de omgeving. De rechtbank gaat daar niet in mee. De rechtbank overweegt dat uit het rapport van [deskundige 2] volgt dat het geluid vanwege alle bronnen (wegverkeer en warmtepompen) maximaal 53 dB(A) bedraagt en dus binnen de standaardwaarde voor gemeentelijke wegen blijft als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ook heeft [deskundige 2] berekend dat het gecumuleerd geluid van alle warmtepompen maximaal 32 dB(A) etmaalwaarde op bestaande woningen in de omgeving bedraagt. Het gecumuleerd geluid van alle warmtepompen valt daarmee onder de norm van 50 dB(A) voor het geluid van het appartementencomplex als bedoeld in het omgevingsplan. Dat betekent dat de afwijking van het omgevingsplan in zoverre geen betrekking heeft op het gecumuleerd geluid. Omdat het gecumuleerd geluid binnen de norm blijft, slaagt de beroepsgrond niet.



3.21.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het college een zorgvuldige beoordeling gemaakt of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en daarbij in redelijkheid meer gewicht mogen toekennen aan het belang van vergunninghouder om te bouwen dan aan de belangen van eiser. De hinder die eiser zal ondervinden als gevolg van de gebruiksfunctie is relatief gering en te volgen is dat dit volgens het college niet opweegt tegen het belang van vergunninghouder om woningen te bouwen. De beroepsgronden slagen niet en de rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.




Conclusie en gevolgen


4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van de appartementen in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing




De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 22.26 van het omgevingsplan.


Artikel 22.29 van het omgevingsplan.


Artikel 3.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan.


Artikel 3.2.2., onder b, van het bestemmingsplan.


Artikel 8.0a., tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.


Artikel 8.0b, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.


Uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1796, r.o. 9.1.


Artikel 5:37, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.


Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht.


Uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2175.


Artikel 22.63 van het omgevingsplan.