Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5145
2026-07-09
Bestuursrecht
UTR 25/6129
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Uht, Wht. Beroep tegen de weigering van Dienst Toeslagen om aan eiser compensatie toe te kennen in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. Geen schending hoorplicht in de bezwaarfase omdat Dienst Toeslagen het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard: op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb mocht Dienst Toeslagen afzien van het horen van eiser, nu hij niet binnen de gestelde termijn is ingegaan op het aanbod van de adviescommissie om te worden gehoord. Het verzoek van eiser om compensatie is op goede gronden afgewezen, omdat niet is gebleken dat eiser kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Het beroep is ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2016:282 Raad van State 10-02-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.584 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6129
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H.A. Rispens),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Omari).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van Dienst Toeslagen om aan eiser compensatie toe te kennen in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. Eiser heeft zich bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2. Dienst Toeslagen heeft in het kader van de integrale beoordeling geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat eiser een gedupeerde is van de toeslagenaffaire, omdat eiser volgens de gegevens van Dienst Toeslagen geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en heeft ontvangen over de jaren 2005 tot en met 2019. Met het besluit van 13 februari 2023 (het primaire besluit; kenmerk UHT-DCHA) heeft Dienst Toeslagen de aanvraag afgewezen ten aanzien van de toeslagjaren 2005 tot en met 2019. Met het besluit op het bezwaar van eiser van 11 september 2025 (het bestreden besluit) heeft is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de beroepsgronden aangevuld. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van Dienst Toeslagen was hierbij aanwezig. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het geschil
5. Partijen zijn verdeeld over de vraag of Dienst Toeslagen het verzoek van eiser om compensatie op goede gronden heeft afgewezen. Eiser stelt dat Dienst Toeslagen ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een aanvraag kinderopvangtoeslag. Ook is in geschil of Dienst Toeslagen de hoorplicht heeft geschonden door het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond te verklaren.
Heeft de Dienst Toeslagen de hoorplicht geschonden?
6. Eiser vindt dat Dienst Toeslagen de hoorplicht heeft geschonden. Dienst Toeslagen had het bezwaar van eiser niet kennelijk ongegrond mogen verklaren en had eiser eerst moeten horen, zodat hij duidelijkheid kon verschaffen over de feiten en zijn verhaal kon doen. Omdat Dienst Toeslagen het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard zonder eiser te horen is het bestreden besluit gebrekkig tot stand gekomen, aldus eiser.
7. Bij de beoordeling van deze beroepsgrond is het volgende van belang. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, indien het bezwaar kennelijk ongegrond is, indien de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord of indien aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
8. Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij daarom van de hoorplicht mochten afzien, op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb). Omdat eiser volgens het systeem van Dienst Toeslagen nooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, komt hij niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. Dienst Toeslagen geeft aan dat er geen informatie beschikbaar is, of aanknopingspunten die door eiser zijn aangevoerd, om tot een andersluidend besluit te komen. Op grond daarvan mochten zij het bezwaar kennelijk ongegrond verklaren. Bovendien verwijst Dienst Toeslagen naar het advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen (hierna: de adviescommissie) met kenmerk BAC 2025-15524. Uit het advies blijkt dat de adviescommissie op 2 juli 2025 aan eiser een brief heeft verzonden waarin staat dat de adviescommissie vindt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij voornemens is om gebruik te maken van haar bevoegdheid te adviseren zonder belanghebbende te horen. Eiser is daarbij in de gelegenheid gesteld om gemotiveerd te laten weten waarom een hoorzitting wel aan de orde zou zijn. Eiser heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb mocht de Dienst Toeslagen ook om die reden afzien van het horen van eiser omdat eiser niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
9. De rechtbank is het niet eens met het standpunt van Dienst Toeslagen dat zij op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb mochten afzien van de hoorplicht omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Uit het ontbreken van informatie over een aanvraag kinderopvangtoeslag in de relevante periode heeft de Dienst Toeslagen ten onrechte de conclusie getrokken dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Eiser had die informatie immers tijdens een hoorzitting mogelijk alsnog kunnen verstrekken.
10. De rechtbank volgt Dienst Toeslagen wel in het standpunt dat zij op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb mochten afzien van het horen van eiser, nu hij niet binnen de gestelde termijn is ingegaan op het aanbod van de adviescommissie om te worden gehoord. Van een schending van de hoorplicht is daarom geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van eiser om compensatie op goede gronden afgewezen?
11. Uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met vergoeding van materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt dat Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiser daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de besluiten van Dienst Toeslagen.
12. De rechtbank begrijpt uit het bezwaarschrift van eiser dat er geen kinderopvangtoeslag is aangevraagd omdat hij en zijn vrouw bang waren voor de financiële gevolgen. Eiser heeft het bezwaarschrift met de volgende passage afgesloten: ‘Ik wil in aanmerking komen voor een financiële compensatie voor het misgelopen kinderopvangtoeslag, tevens ook voor de emotionele schade die ik en mijn vrouw hebben moeten doorlopen.’.
13. In beroep voert eiser aan dat er mogelijk sprake is van een systeemfout bij Dienst Toeslagen, waardoor niet kan worden geconcludeerd dat er geen aanvraag kinderopvangtoeslag heeft plaatsgevonden. Zo stelt eiser dat het niet automatisch ontvangen van het kindgebonden budget bij de toekenning van de zorgtoeslag duidt op een onjuiste verwerking van de systeemgegevens. In dit kader voert eiser nog aan dat hij niet beschikt over zijn volledige persoonlijk dossier. Ook deze omstandigheid maakt volgens eiser dat er hiaten zitten in het door Dienst Toeslagen overgelegde dossier en de aanwezigheid van een systeemfout aannemelijk is gemaakt.
14. Allereerst overweegt de rechtbank dat de hersteloperatie toeslagen niet ziet op ‘misgelopen kinderopvangtoeslag’ en neemt daarbij ook in aanmerking dat eiser, noch zijn gemachtigde, op de zitting is verschenen om vragen hierover te beantwoorden. Voor zover eiser heeft willen stellen dat er wel sprake is van een aanvraag van kinderopvangtoeslag, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Eiser moet dus meer doen dan alleen zeggen dat hij een aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft ingediend. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier van eiser geen stukken bevinden waaruit blijkt dat een aanvraag om kinderopvangtoeslag is ingediend. Dienst Toeslagen stelt dat hij een doorzoeking heeft gedaan van zijn informatiesystemen en dat daarbij geen aanvraag van eiser is aangetroffen. In de informatiesystemen van Dienst Toeslagen zijn ook geen gegevens terug te vinden over uitbetalingen van kinderopvangtoeslag of voorschotbeschikkingen over de jaren 2005 tot en met 2019. Ook is niet gebleken dat eiser voor die jaren met een daadwerkelijke correctie, stopzetting of terugvordering van de kinderopvangtoeslag geconfronteerd is geweest. Om die reden kan dus ook geen sprake zijn van schade als gevolg van het handelen van Dienst Toeslagen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
15. Met betrekking tot de door eiser geopperde systeemfout overweegt de rechtbank als volgt. Zoals door Dienst Toeslagen is uitgelegd in het verweerschrift, en door Dienst Toeslagen op de zitting nader is toegelicht, is de systematiek van de kinderopvangtoeslag niet hetzelfde als die van overige toeslagen. Zodra er een aanvraag kinderopvangtoeslag binnenkomt wordt dit automatisch in het SAS-systeem opgeslagen. Zoals onder 14 vastgesteld, blijkt er uit het systeem geen aanvraag. Er kan geen verwerking van gegevens plaatsvinden indien er geen aanvraag is gedaan. De rechtbank ziet in hetgeen door eiser is aangevoerd onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de vaststelling dat er geen sprake is van een aanvraag kinderopvangtoeslag. De beroepsgrond slaagt niet.
16. Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat eiser gedupeerd is als gevolg van de toeslagenaffaire. Dienst Toeslagen heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een compensatie aan eiser.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn verzoek om compensatie in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.T. Mennen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.
Op grond van artikel 7:3 van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:282, r.o. 5.3.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6129
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H.A. Rispens),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Omari).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van Dienst Toeslagen om aan eiser compensatie toe te kennen in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. Eiser heeft zich bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2. Dienst Toeslagen heeft in het kader van de integrale beoordeling geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat eiser een gedupeerde is van de toeslagenaffaire, omdat eiser volgens de gegevens van Dienst Toeslagen geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en heeft ontvangen over de jaren 2005 tot en met 2019. Met het besluit van 13 februari 2023 (het primaire besluit; kenmerk UHT-DCHA) heeft Dienst Toeslagen de aanvraag afgewezen ten aanzien van de toeslagjaren 2005 tot en met 2019. Met het besluit op het bezwaar van eiser van 11 september 2025 (het bestreden besluit) heeft is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de beroepsgronden aangevuld. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van Dienst Toeslagen was hierbij aanwezig. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het geschil
5. Partijen zijn verdeeld over de vraag of Dienst Toeslagen het verzoek van eiser om compensatie op goede gronden heeft afgewezen. Eiser stelt dat Dienst Toeslagen ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een aanvraag kinderopvangtoeslag. Ook is in geschil of Dienst Toeslagen de hoorplicht heeft geschonden door het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond te verklaren.
Heeft de Dienst Toeslagen de hoorplicht geschonden?
6. Eiser vindt dat Dienst Toeslagen de hoorplicht heeft geschonden. Dienst Toeslagen had het bezwaar van eiser niet kennelijk ongegrond mogen verklaren en had eiser eerst moeten horen, zodat hij duidelijkheid kon verschaffen over de feiten en zijn verhaal kon doen. Omdat Dienst Toeslagen het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard zonder eiser te horen is het bestreden besluit gebrekkig tot stand gekomen, aldus eiser.
7. Bij de beoordeling van deze beroepsgrond is het volgende van belang. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, indien het bezwaar kennelijk ongegrond is, indien de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord of indien aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
8. Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij daarom van de hoorplicht mochten afzien, op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb). Omdat eiser volgens het systeem van Dienst Toeslagen nooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, komt hij niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. Dienst Toeslagen geeft aan dat er geen informatie beschikbaar is, of aanknopingspunten die door eiser zijn aangevoerd, om tot een andersluidend besluit te komen. Op grond daarvan mochten zij het bezwaar kennelijk ongegrond verklaren. Bovendien verwijst Dienst Toeslagen naar het advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen (hierna: de adviescommissie) met kenmerk BAC 2025-15524. Uit het advies blijkt dat de adviescommissie op 2 juli 2025 aan eiser een brief heeft verzonden waarin staat dat de adviescommissie vindt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij voornemens is om gebruik te maken van haar bevoegdheid te adviseren zonder belanghebbende te horen. Eiser is daarbij in de gelegenheid gesteld om gemotiveerd te laten weten waarom een hoorzitting wel aan de orde zou zijn. Eiser heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb mocht de Dienst Toeslagen ook om die reden afzien van het horen van eiser omdat eiser niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
9. De rechtbank is het niet eens met het standpunt van Dienst Toeslagen dat zij op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb mochten afzien van de hoorplicht omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Uit het ontbreken van informatie over een aanvraag kinderopvangtoeslag in de relevante periode heeft de Dienst Toeslagen ten onrechte de conclusie getrokken dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Eiser had die informatie immers tijdens een hoorzitting mogelijk alsnog kunnen verstrekken.
10. De rechtbank volgt Dienst Toeslagen wel in het standpunt dat zij op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb mochten afzien van het horen van eiser, nu hij niet binnen de gestelde termijn is ingegaan op het aanbod van de adviescommissie om te worden gehoord. Van een schending van de hoorplicht is daarom geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van eiser om compensatie op goede gronden afgewezen?
11. Uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met vergoeding van materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt dat Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiser daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de besluiten van Dienst Toeslagen.
12. De rechtbank begrijpt uit het bezwaarschrift van eiser dat er geen kinderopvangtoeslag is aangevraagd omdat hij en zijn vrouw bang waren voor de financiële gevolgen. Eiser heeft het bezwaarschrift met de volgende passage afgesloten: ‘Ik wil in aanmerking komen voor een financiële compensatie voor het misgelopen kinderopvangtoeslag, tevens ook voor de emotionele schade die ik en mijn vrouw hebben moeten doorlopen.’.
13. In beroep voert eiser aan dat er mogelijk sprake is van een systeemfout bij Dienst Toeslagen, waardoor niet kan worden geconcludeerd dat er geen aanvraag kinderopvangtoeslag heeft plaatsgevonden. Zo stelt eiser dat het niet automatisch ontvangen van het kindgebonden budget bij de toekenning van de zorgtoeslag duidt op een onjuiste verwerking van de systeemgegevens. In dit kader voert eiser nog aan dat hij niet beschikt over zijn volledige persoonlijk dossier. Ook deze omstandigheid maakt volgens eiser dat er hiaten zitten in het door Dienst Toeslagen overgelegde dossier en de aanwezigheid van een systeemfout aannemelijk is gemaakt.
14. Allereerst overweegt de rechtbank dat de hersteloperatie toeslagen niet ziet op ‘misgelopen kinderopvangtoeslag’ en neemt daarbij ook in aanmerking dat eiser, noch zijn gemachtigde, op de zitting is verschenen om vragen hierover te beantwoorden. Voor zover eiser heeft willen stellen dat er wel sprake is van een aanvraag van kinderopvangtoeslag, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Eiser moet dus meer doen dan alleen zeggen dat hij een aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft ingediend. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier van eiser geen stukken bevinden waaruit blijkt dat een aanvraag om kinderopvangtoeslag is ingediend. Dienst Toeslagen stelt dat hij een doorzoeking heeft gedaan van zijn informatiesystemen en dat daarbij geen aanvraag van eiser is aangetroffen. In de informatiesystemen van Dienst Toeslagen zijn ook geen gegevens terug te vinden over uitbetalingen van kinderopvangtoeslag of voorschotbeschikkingen over de jaren 2005 tot en met 2019. Ook is niet gebleken dat eiser voor die jaren met een daadwerkelijke correctie, stopzetting of terugvordering van de kinderopvangtoeslag geconfronteerd is geweest. Om die reden kan dus ook geen sprake zijn van schade als gevolg van het handelen van Dienst Toeslagen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
15. Met betrekking tot de door eiser geopperde systeemfout overweegt de rechtbank als volgt. Zoals door Dienst Toeslagen is uitgelegd in het verweerschrift, en door Dienst Toeslagen op de zitting nader is toegelicht, is de systematiek van de kinderopvangtoeslag niet hetzelfde als die van overige toeslagen. Zodra er een aanvraag kinderopvangtoeslag binnenkomt wordt dit automatisch in het SAS-systeem opgeslagen. Zoals onder 14 vastgesteld, blijkt er uit het systeem geen aanvraag. Er kan geen verwerking van gegevens plaatsvinden indien er geen aanvraag is gedaan. De rechtbank ziet in hetgeen door eiser is aangevoerd onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de vaststelling dat er geen sprake is van een aanvraag kinderopvangtoeslag. De beroepsgrond slaagt niet.
16. Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat eiser gedupeerd is als gevolg van de toeslagenaffaire. Dienst Toeslagen heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een compensatie aan eiser.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn verzoek om compensatie in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.T. Mennen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.
Op grond van artikel 7:3 van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:282, r.o. 5.3.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.