Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5144
2026-07-09
Bestuursrecht
UTR 25/6450
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Uht, Wht. Beroep tegen afwijzing compensatie ihkv Wet hersteloperatie toeslagen. Geen sprake van institutionele vooringenomenheid. De rechtbank volgt eiseres vervolgens ook niet in haar standpunt dat zij als gedupeerde aangemerkt dient te worden, omdat zij in het kader van de lichte toets het forfaitaire bedrag van € 30.000,- heeft ontvangen. Beroep op de hardheidsclausule kan niet slagen. Het beroep is ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2026:720 Raad van State 25-02-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:3488 Rechtbank Rotterdam 18-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.285 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6450
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.J.J. Broekhuizen),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van Dienst Toeslagen om aan eiseres compensatie toe te kennen in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.
2. Met de definitieve beschikking van 10 januari 2022 met kenmerk UHT-DC-I A (het primaire besluit 1) is de aanvraag van eiseres afgewezen. Per afzonderlijk besluit van 10 januari 2022 met kenmerk UHT-DH5 A (het primaire besluit 2) is aan eiseres kenbaar gemaakt dat zij niet wordt gecompenseerd wegens hardheid van het stelsel voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2010.
3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 10 januari 2022 met kenmerken UHT-DC-1 A en UHT-DH5 A. Met het besluit van 30 september 2025 (het bestreden besluit) zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld en heeft de beroepsgronden aangevuld op 10 december 2025 en 6 januari 2026. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar partner [A] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen, samen met mr. M. Omari.
Beoordeling door de rechtbank
De hersteloperatie toeslagen
6. Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire heeft de Staat verschillende herstelregelingen in het leven geroepen om burgers te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door Dienst Toeslagen toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens het bestuursorgaan Belastingdienst/Toeslagen.
7. De procedure bij deze herstelregelingen is dat een gedupeerde ouder zich eerst meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In de eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoet en of diegene ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of dat de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet. Na deze eerste toets kan in de integrale beoordeling worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van de compensatieregeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie doen bij de commissie werkelijke schade.
8. Vanaf het moment dat een ouder zich meldt bij de UHT kan deze ouder, afhankelijk van het traject waarin de ouder zich bevindt, te maken krijgen met verschillende commissies. Het gaat dan om de Commissie van onafhankelijke deskundigen CAF en vergelijkbare zaken/toeslagen (Commissie van Wijzen), de bezwaarschriftenadvies-commissie ter behandeling van bezwaren tegen een besluit op een aanvraag om compensatie (BAC) en de Commissie voor beoordeling van verzoeken om aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade (Commissie werkelijke schade). Dit zijn allen onafhankelijke commissies, die ieder in een afzonderlijk traject advies uitbrengen aan de UHT.
Feiten en omstandigheden
9. Eiseres heeft zich bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2006 tot en met 2010 in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Met het besluit van 1 april 2021 (kenmerk UHT-B DMB2) heeft Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres op grond van de eerste toets recht heeft op de forfaitaire compensatie van € 30.000,-.
10. Met de definitieve beschikking (het primaire besluit 1) heeft Dienst Toeslagen, conform het oordeel van de Commissie van Wijzen, het verzoek om compensatie afgewezen. Dit besluit houdt in dat eiseres geen compensatie krijgt voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2010, omdat zij niet wordt aangemerkt als gedupeerde. In het primaire besluit 2 is aan eiseres kenbaar gemaakt dat zij ook niet wordt gecompenseerd wegens hardheid van het stelsel voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2010.
11. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze primaire besluiten, welke bezwaren met het bestreden besluit ongegrond zijn verklaard door Dienst Toeslagen. Volgens Dienst Toeslagen heeft eiseres geen recht op compensatie, omdat niet aannemelijk is geworden dat er bij de terugvordering van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2006 tot en met 2010 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen. Eiseres komt ook niet in aanmerking voor compensatie op grond van de hardheidsregeling omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van hardheid.
12. Wat bij de rechtbank voorligt is het bestreden besluit dat betrekking heeft op de toeslagjaren 2006 tot en met 2010.
Het toetsingskader
13. De rechtbank stelt voorop dat de Wht verschillende compensatietrajecten kent. De Wht bevat onder meer een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten. Een compensatie wordt in twee situaties aan een gedupeerde toegekend: als de gedupeerde schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van relevante wetgeving bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit hardheid van de toepassing die destijds aan het wettelijk systeem werd gegeven. Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan.
14. Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid, zoals toegelicht in de Memorie van Toelichting bij de Wht (de MvT). Het uitgangspunt is dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van die compensatie ligt. Als aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op compensatie, wordt deze toegekend.
Institutionele vooringenomenheid
15. Eiseres stelt dat zij onterecht niet als gedupeerde is aangemerkt bij de integrale beoordeling, temeer omdat zij in eerste instantie het forfaitaire bedrag van € 30.000,- heeft ontvangen in het kader van de eerste, lichte toets. Eiseres voert aan dat er fouten zijn gemaakt door Dienst Toeslagen waardoor zij veel geld heeft moeten terugbetalen.
16. Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat de terugvorderingen over de toeslagjaren 2006 tot en met 2010 het gevolg zijn van reguliere wijzigingen en niet van institutionele vooringenomenheid. Er is door hen vastgesteld dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2006 tot en met 2010 is gewijzigd als gevolg van een verminderd aantal opvanguren en/of een gewijzigd gezamenlijk toetsingsinkomen. Deze wijzigingen vallen onder reguliere wijzigingen van het recht op kinderopvangtoeslag, waarop vervolgens de terugvorderingen zijn gebaseerd.
17. De rechtbank is het met Dienst Toeslagen eens dat over de toeslagjaren 2006 tot en met 2010 geen sprake is van vooringenomenheid. Uit het dossier blijkt dat de terugvorderingen zijn gebaseerd op reguliere wijzigingen zoals verminderde opvanguren en gewijzigde toetsingsinkomens. Dit volgt duidelijk uit de beschouwing van 25 mei 2025 waarin per toeslagjaar wordt uiteengezet hoe de terugvordering is opgebouwd. Deze reguliere wijzigingen zijn geen aanleiding voor de toepassing van een herstelmaatregel. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat de gemachtigde van eiseres op de zitting heeft verklaard de beschouwingen over de jaren 2006 tot en met 2010 te hebben nagekeken en geen fouten of onregelmatigheden te hebben gevonden en het an sich dus niet oneens te zijn met de herbeoordeling.
18. De rechtbank volgt eiseres vervolgens ook niet in haar standpunt dat zij als gedupeerde aangemerkt dient te worden, omdat zij in het kader van de lichte toets het forfaitaire bedrag van € 30.000,- heeft ontvangen. De eerste toets is namelijk bedoeld om ouders snel duidelijkheid te geven en is daarom beperkt van omvang en intensiteit. Na de eerste toets vindt altijd een integrale beoordeling plaats. Op basis van die integrale beoordeling wordt definitief beoordeeld of een ouder als gedupeerde kan worden aangemerkt en in het verlengde daarvan aanspraak kan maken op overige herstelmaatregelen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
De hardheidsclausule
19. Subsidiair beroept eiseres zich op de hardheidsclausule uit artikel 9.1, eerste lid, van de Wht. Op grond van deze hardheidsclausule kan van artikel 2.1. worden afgeweken voor zover toepassing daarvan onredelijk zou zijn. Er moet dan sprake zijn van bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn voorzien bij het maken van de regelgeving en die tot een schrijnende situatie leiden. Ter onderbouwing van de stelling dat sprake is van een schrijnende situatie voert eiseres aan dat zij veel schulden heeft bij instanties, familie en vrienden. Als gevolg van de terugvorderingen van kinderopvangtoeslag is zij depressief geweest en werd zij hiervoor ook opgenomen in een kliniek. Eiseres voert aan dat sprake is van serieuze en structurele financiële nood en ernstige medische omstandigheden.
Eiseres wijst in dat kader ook op de ernstige schendingen van vertrouwen door Dienst Toeslagen, onder andere door haar bij de lichte toets wel het forfaitaire bedrag van
€ 30.000,- toe te kennen om haar vervolgens bij de definitieve beschikking niet als erkend gedupeerde aan te merken. Eiseres verwijst naar een uitspraak van rechtbank Rotterdam, waarbij de rechtbank aanleiding zag Dienst Toeslagen op te dragen een nieuwe beslissing te nemen omdat zij ten onrechte de hardheidsclausule niet hadden toegepast.
20. Hoewel de rechtbank uit het dossier en uit het verhandelde op zitting kan opmaken dat eiseres het financieel en emotioneel zwaar heeft (gehad), is de rechtbank van oordeel dat een beroep op de hardheidsclausule niet kan slagen. Uit vaste rechtspraak volgt dat de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, voor zover daarmee kan worden afgeweken van artikel 2.1 van die wet, is beperkt tot gevallen waarin een aanvrager van een kinderopvangtoeslag schade heeft geleden in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Daarbij is van belang dat de essentie van de Wht is: het bieden van herstel aan gedupeerden van de toeslagenaffaire. Een essentiële voorwaarde om voor een compensatie op grond van de Wht in aanmerking te komen is dus dat de aanvrager van die compensatie gedupeerd is door de institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of de hardheid waarmee toepassing werd gegeven aan de wet. Als op grond van de hardheidsclausule van deze essentiële voorwaarde wordt afgeweken, wordt de reikwijdte van de wet in betekenende mate gewijzigd. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat niet op grond van de hardheidsclausule kan worden afgeweken van artikel 2.1 van de Wht, als er geen schade is in de zin van het eerste lid van die bepaling. Zoals onder 17 en 18 is vastgesteld, heeft dat eiseres in de in geschil zijnde toeslagjaren geen schade heeft geleden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.
21. Voor zover eiseres heeft bedoeld een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel door te verwijzen naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 18 maart 2026, slaagt ook deze beroepsgrond niet. De rechtbank overweegt dat in die zaak sprake was van zeer bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan naar aanleiding van het toekennen van het forfaitaire bedrag bij de lichte toets. De feiten en omstandigheden, alsook de aangevoerde gronden waardoor rechtbank Rotterdam tot haar oordeel is gekomen, verschillen dusdanig van de omstandigheden in deze zaak dat deze niet één op één te vergelijken zijn.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie op grond van artikel 2.1. van de Wht. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.T. Mennen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.
Zie artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71.
Kamerstukken II, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 72.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:720.
Zie de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 18 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:3488.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6450
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.J.J. Broekhuizen),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van Dienst Toeslagen om aan eiseres compensatie toe te kennen in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.
2. Met de definitieve beschikking van 10 januari 2022 met kenmerk UHT-DC-I A (het primaire besluit 1) is de aanvraag van eiseres afgewezen. Per afzonderlijk besluit van 10 januari 2022 met kenmerk UHT-DH5 A (het primaire besluit 2) is aan eiseres kenbaar gemaakt dat zij niet wordt gecompenseerd wegens hardheid van het stelsel voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2010.
3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 10 januari 2022 met kenmerken UHT-DC-1 A en UHT-DH5 A. Met het besluit van 30 september 2025 (het bestreden besluit) zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld en heeft de beroepsgronden aangevuld op 10 december 2025 en 6 januari 2026. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar partner [A] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen, samen met mr. M. Omari.
Beoordeling door de rechtbank
De hersteloperatie toeslagen
6. Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire heeft de Staat verschillende herstelregelingen in het leven geroepen om burgers te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door Dienst Toeslagen toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens het bestuursorgaan Belastingdienst/Toeslagen.
7. De procedure bij deze herstelregelingen is dat een gedupeerde ouder zich eerst meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In de eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoet en of diegene ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of dat de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet. Na deze eerste toets kan in de integrale beoordeling worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van de compensatieregeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie doen bij de commissie werkelijke schade.
8. Vanaf het moment dat een ouder zich meldt bij de UHT kan deze ouder, afhankelijk van het traject waarin de ouder zich bevindt, te maken krijgen met verschillende commissies. Het gaat dan om de Commissie van onafhankelijke deskundigen CAF en vergelijkbare zaken/toeslagen (Commissie van Wijzen), de bezwaarschriftenadvies-commissie ter behandeling van bezwaren tegen een besluit op een aanvraag om compensatie (BAC) en de Commissie voor beoordeling van verzoeken om aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade (Commissie werkelijke schade). Dit zijn allen onafhankelijke commissies, die ieder in een afzonderlijk traject advies uitbrengen aan de UHT.
Feiten en omstandigheden
9. Eiseres heeft zich bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2006 tot en met 2010 in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Met het besluit van 1 april 2021 (kenmerk UHT-B DMB2) heeft Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres op grond van de eerste toets recht heeft op de forfaitaire compensatie van € 30.000,-.
10. Met de definitieve beschikking (het primaire besluit 1) heeft Dienst Toeslagen, conform het oordeel van de Commissie van Wijzen, het verzoek om compensatie afgewezen. Dit besluit houdt in dat eiseres geen compensatie krijgt voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2010, omdat zij niet wordt aangemerkt als gedupeerde. In het primaire besluit 2 is aan eiseres kenbaar gemaakt dat zij ook niet wordt gecompenseerd wegens hardheid van het stelsel voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2010.
11. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze primaire besluiten, welke bezwaren met het bestreden besluit ongegrond zijn verklaard door Dienst Toeslagen. Volgens Dienst Toeslagen heeft eiseres geen recht op compensatie, omdat niet aannemelijk is geworden dat er bij de terugvordering van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2006 tot en met 2010 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen. Eiseres komt ook niet in aanmerking voor compensatie op grond van de hardheidsregeling omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van hardheid.
12. Wat bij de rechtbank voorligt is het bestreden besluit dat betrekking heeft op de toeslagjaren 2006 tot en met 2010.
Het toetsingskader
13. De rechtbank stelt voorop dat de Wht verschillende compensatietrajecten kent. De Wht bevat onder meer een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten. Een compensatie wordt in twee situaties aan een gedupeerde toegekend: als de gedupeerde schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van relevante wetgeving bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit hardheid van de toepassing die destijds aan het wettelijk systeem werd gegeven. Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan.
14. Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid, zoals toegelicht in de Memorie van Toelichting bij de Wht (de MvT). Het uitgangspunt is dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van die compensatie ligt. Als aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op compensatie, wordt deze toegekend.
Institutionele vooringenomenheid
15. Eiseres stelt dat zij onterecht niet als gedupeerde is aangemerkt bij de integrale beoordeling, temeer omdat zij in eerste instantie het forfaitaire bedrag van € 30.000,- heeft ontvangen in het kader van de eerste, lichte toets. Eiseres voert aan dat er fouten zijn gemaakt door Dienst Toeslagen waardoor zij veel geld heeft moeten terugbetalen.
16. Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat de terugvorderingen over de toeslagjaren 2006 tot en met 2010 het gevolg zijn van reguliere wijzigingen en niet van institutionele vooringenomenheid. Er is door hen vastgesteld dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2006 tot en met 2010 is gewijzigd als gevolg van een verminderd aantal opvanguren en/of een gewijzigd gezamenlijk toetsingsinkomen. Deze wijzigingen vallen onder reguliere wijzigingen van het recht op kinderopvangtoeslag, waarop vervolgens de terugvorderingen zijn gebaseerd.
17. De rechtbank is het met Dienst Toeslagen eens dat over de toeslagjaren 2006 tot en met 2010 geen sprake is van vooringenomenheid. Uit het dossier blijkt dat de terugvorderingen zijn gebaseerd op reguliere wijzigingen zoals verminderde opvanguren en gewijzigde toetsingsinkomens. Dit volgt duidelijk uit de beschouwing van 25 mei 2025 waarin per toeslagjaar wordt uiteengezet hoe de terugvordering is opgebouwd. Deze reguliere wijzigingen zijn geen aanleiding voor de toepassing van een herstelmaatregel. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat de gemachtigde van eiseres op de zitting heeft verklaard de beschouwingen over de jaren 2006 tot en met 2010 te hebben nagekeken en geen fouten of onregelmatigheden te hebben gevonden en het an sich dus niet oneens te zijn met de herbeoordeling.
18. De rechtbank volgt eiseres vervolgens ook niet in haar standpunt dat zij als gedupeerde aangemerkt dient te worden, omdat zij in het kader van de lichte toets het forfaitaire bedrag van € 30.000,- heeft ontvangen. De eerste toets is namelijk bedoeld om ouders snel duidelijkheid te geven en is daarom beperkt van omvang en intensiteit. Na de eerste toets vindt altijd een integrale beoordeling plaats. Op basis van die integrale beoordeling wordt definitief beoordeeld of een ouder als gedupeerde kan worden aangemerkt en in het verlengde daarvan aanspraak kan maken op overige herstelmaatregelen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
De hardheidsclausule
19. Subsidiair beroept eiseres zich op de hardheidsclausule uit artikel 9.1, eerste lid, van de Wht. Op grond van deze hardheidsclausule kan van artikel 2.1. worden afgeweken voor zover toepassing daarvan onredelijk zou zijn. Er moet dan sprake zijn van bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn voorzien bij het maken van de regelgeving en die tot een schrijnende situatie leiden. Ter onderbouwing van de stelling dat sprake is van een schrijnende situatie voert eiseres aan dat zij veel schulden heeft bij instanties, familie en vrienden. Als gevolg van de terugvorderingen van kinderopvangtoeslag is zij depressief geweest en werd zij hiervoor ook opgenomen in een kliniek. Eiseres voert aan dat sprake is van serieuze en structurele financiële nood en ernstige medische omstandigheden.
Eiseres wijst in dat kader ook op de ernstige schendingen van vertrouwen door Dienst Toeslagen, onder andere door haar bij de lichte toets wel het forfaitaire bedrag van
€ 30.000,- toe te kennen om haar vervolgens bij de definitieve beschikking niet als erkend gedupeerde aan te merken. Eiseres verwijst naar een uitspraak van rechtbank Rotterdam, waarbij de rechtbank aanleiding zag Dienst Toeslagen op te dragen een nieuwe beslissing te nemen omdat zij ten onrechte de hardheidsclausule niet hadden toegepast.
20. Hoewel de rechtbank uit het dossier en uit het verhandelde op zitting kan opmaken dat eiseres het financieel en emotioneel zwaar heeft (gehad), is de rechtbank van oordeel dat een beroep op de hardheidsclausule niet kan slagen. Uit vaste rechtspraak volgt dat de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, voor zover daarmee kan worden afgeweken van artikel 2.1 van die wet, is beperkt tot gevallen waarin een aanvrager van een kinderopvangtoeslag schade heeft geleden in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Daarbij is van belang dat de essentie van de Wht is: het bieden van herstel aan gedupeerden van de toeslagenaffaire. Een essentiële voorwaarde om voor een compensatie op grond van de Wht in aanmerking te komen is dus dat de aanvrager van die compensatie gedupeerd is door de institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of de hardheid waarmee toepassing werd gegeven aan de wet. Als op grond van de hardheidsclausule van deze essentiële voorwaarde wordt afgeweken, wordt de reikwijdte van de wet in betekenende mate gewijzigd. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat niet op grond van de hardheidsclausule kan worden afgeweken van artikel 2.1 van de Wht, als er geen schade is in de zin van het eerste lid van die bepaling. Zoals onder 17 en 18 is vastgesteld, heeft dat eiseres in de in geschil zijnde toeslagjaren geen schade heeft geleden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.
21. Voor zover eiseres heeft bedoeld een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel door te verwijzen naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 18 maart 2026, slaagt ook deze beroepsgrond niet. De rechtbank overweegt dat in die zaak sprake was van zeer bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan naar aanleiding van het toekennen van het forfaitaire bedrag bij de lichte toets. De feiten en omstandigheden, alsook de aangevoerde gronden waardoor rechtbank Rotterdam tot haar oordeel is gekomen, verschillen dusdanig van de omstandigheden in deze zaak dat deze niet één op één te vergelijken zijn.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie op grond van artikel 2.1. van de Wht. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.T. Mennen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.
Zie artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71.
Kamerstukken II, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 72.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:720.
Zie de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 18 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:3488.