Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5085

2026-07-22 Civiel recht C/16/605631 / HL ZA 26-20
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-08-02
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/16/605631 / HL ZA 26-20
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Burengeschil. Op de erfgrens tussen partijen bevindt zich een raam met uitzicht op de achtertuin van eiser. Eiser stelt dat met gedaagde afgesproken is dat dit raam zou worden vervangen door melkglas en vordert nakoming daarvan.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.017 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland


Civiel recht



Zittingsplaats Lelystad



Zaaknummer: C/16/605631 / HL ZA 26-20




Vonnis van 22 juli 2026 (bij vervroeging)




in de zaak van





1 [eiser sub 1] ,

te [plaats] ,2. [eiseres sub 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s.
advocaat: mr. K. Horstman,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.E. Beukers.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 december 2025 met producties 1 tot en met 12;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5;
- het proces-verbaal van de plaatsopneming en bezichtiging en van de mondelinge behandeling van 14 juli 2026;
- de spreekaantekeningen van [eiser sub 1] c.s.;
- de spreekaantekeningen van [gedaagde] ;- het document met aantekeningen dat tijdens de mondelinge behandeling door [gedaagde] zelf is voorgedragen.



1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De kern van de zaak


2.1

[eiser sub 1] c.s. en [gedaagde] wonen naast elkaar. De achtergevel van de woning van [gedaagde] bevindt zich op de erfgrens met het perceel van [eiser sub 1] c.s. In deze gevel bevindt zich een raam dat uitkijkt op de achtertuin van [eiser sub 1] c.s. In verband met zijn privacy wil [eiser sub 1] c.s. dat het glas in dit raam vervangen wordt door melkglas. Volgens hem is dit met [gedaagde] afgesproken. Mocht dit niet vast komen te staan dan beroept hij zich subsidiair op de wet (artikel 5:50 en 5:51 BW). [gedaagde] is het hier niet mee eens. Het gelijk ligt bij [eiser sub 1] c.s. Zijn vorderingen worden toegewezen.




3De beoordeling



Inleiding




3.1

[eiser sub 1] c.s. heeft in 2023 een nieuwbouwwoning gekocht aan de [straat 1] [nummeraanduiding 1/letter] te [plaats] . Deze woning is gelegen achter de woning van [gedaagde] aan het [straat 2] [nummeraanduiding 2] te [plaats] .



3.2
De achtergevel van de woning van [gedaagde] ligt op de erfgrens tussen beide percelen. In deze achtergevel bevindt zich een raam. Dat raam kijkt uit op de achtertuin van [eiser sub 1] c.s.



3.3
Het glas in dit raam was oorspronkelijk transparant. In juni 2024, nadat de projectontwikkelaar van de woning van [eiser sub 1] c.s. (de heer [A] ) hier met [gedaagde] contact over heeft gehad, is dit glas vervangen door melkglas.



3.4
In februari 2025 heeft [gedaagde] het glas weer laten vervangen door transparant glas.



Tussen [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde] is een overeenkomst tot stand gekomen





3.5
Primair vordert [eiser sub 1] c.s. dat [gedaagde] het raam in haar achtergevel vervangt door een draaibaar raam met melkglas. Volgens [eiser sub 1] c.s. zou dit via [A] met [gedaagde] zijn afgesproken. Hij wil dat [gedaagde] deze afspraak nakomt.



3.6

[gedaagde] betwist – kort gezegd – dat er een overeenkomst tot stand is gekomen met de door [eiser sub 1] c.s. gestelde inhoud.



3.7
De rechtbank moet beoordelen of er tussen [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen die inhoudt dat [gedaagde] het raam in haar achtergevel zou vervangen door een draaibaar raam met melkglas. Zo ja, dan kan [eiser sub 1] c.s. daar nakoming van vorderen.



3.8
Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. In dat aanbod en die aanvaarding moet de wilsovereenstemming tot uitdrukking zijn gebracht die ziet op de totstandkoming van de overeenkomst. Of die wilsovereenstemming er is, is afhankelijk van dat wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden, maar kunnen in elke vorm plaatsvinden en in een of meer gedragingen besloten liggen. Nodig is dat partijen het ten minste eens zijn over de belangrijkste aspecten van de overeenkomst (de essentialia). Wat in een concreet geval behoort tot de essentialia, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Wanneer een partij hoort te begrijpen dat overeenstemming over een bepaald punt voor de ander van essentieel belang is en dat deze dat punt daarom nog in de onderhandelingen wil betrekken, is van een overeenkomst geen sprake zolang partijen het over dat punt niet eens zijn geworden.



3.9
Vast staat dat [A] begin 2024 contact met [gedaagde] heeft gehad over het raam in de achtergevel. Daarbij is door [A] de wens van [eiser sub 1] c.s. overgebracht, namelijk dat het glas van het raam zou worden vervangen door melkglas. Per e-mail van 1 maart 2024 heeft [gedaagde] het volgende aan [A] geschreven:



“Naar aanleiding van ons telefoongesprek vanochtend inzake een oplossing voor het raam tussen mijn woning en de nieuwbouw aan de [straat 1] [nummeraanduiding 1/letter] graag nog even het volgende.





Allereerst ben ik verbaasd te horen dat ik jouw voorstel van een nieuw raam met melkglas definitief zou hebben afgewezen. Na afloop van onze laatste ontmoeting hier aan het [straat 2] heb ik jou een visitekaartje voor de buren meegegeven om onderling verder te overleggen. Dat heb ik ze ook meegedeeld toen ze in december aan de deur kwamen om kennis te maken. Ik gaf toen ook aan dat de kwestie met het raam nog moet worden opgelost. Van een definitieve afwijzing was ook daar geen sprake.





Gezien mijn huidige persoonlijke omstandigheden in verband met het overlijden van mijn man wil ik


geen verdere discussies hebben, dat geeft mij teveel spanningen. Ik ga dan ook akkoord met jouw voorstel zoals destijds besproken: een nieuw raamkozijn met melkglas dat aan beide zijden kan


worden geopend om schoon te maken.”





3.10
Uit deze e-mail volgt dat [A] een aanbod aan [gedaagde] heeft gedaan met als inhoud dat het raam wordt vervangen door een draaibaar raam met melkglas. Dit aanbod is in de laatste zin van de e-mail door [gedaagde] aanvaard. Dit wordt ook bevestigd door het feit dat [gedaagde] het raam in juni 2024 daadwerkelijk heeft (laten) vervangen door melkglas. [A] heeft uit deze verklaringen en gedragingen van [gedaagde] redelijkerwijs mogen afleiden dat er wilsovereenstemming bestond over het vervangen van het raam. Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank een overeenkomst tot stand gekomen.



3.11

[gedaagde] stelt dat haar uitlatingen niet als definitief en juridisch bindend mochten worden opgevat. Uit de vorige overweging volgt dat de rechtbank dit anders beoordeelt. [A] heeft [gedaagde] een aanbod gedaan, dat [gedaagde] zonder voorbehoud heeft aanvaard. [gedaagde] geeft aan dat zij met [eiser sub 1] c.s. persoonlijk over een oplossing wilde overleggen. De rechtbank begrijpt dat het voor haar belangrijk was om rechtstreeks contact te hebben met haar nieuwe buren, in plaats van via een tussenpersoon. Dat verandert echter niets aan het feit dat [gedaagde] aan [A] akkoord heeft gegeven op de voorgestelde oplossing en in haar mail heeft aangegeven geen verdere discussie te willen. [eiser sub 1] c.s. mocht er daarom op vertrouwen dat er overeenstemming was bereikt, ook al was er geen direct overleg tussen hem en [gedaagde] geweest. De rechtbank begrijpt ook dat [eiser sub 1] c.s. niet rechtstreeks met [gedaagde] overleg heeft opgenomen over het raam, omdat hij een nieuwbouwwoning van een projectontwikkelaar had gekocht die de contacten met de buren zou verzorgen. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat haar instemming was ingegeven door de wens de verhoudingen met haar buren goed te houden. De rechtbank begrijpt dat, maar dit neemt niet weg dát [gedaagde] het aanbod heeft aanvaard en daaraan is gebonden.



3.12

[gedaagde] voert aan dat [A] niet bevoegd was om namens haar een overeenkomst te sluiten. [A] handelde echter niet namens [gedaagde] , maar namens [eiser sub 1] c.s. en heeft daarmee [eiser sub 1] c.s. vertegenwoordigd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] bevestigd dat haar dit duidelijk was. Dit betekent dat de overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde] .



3.13
Verder stelt [gedaagde] dat er geen overeenstemming bestond over alle essentialia. Ook dit standpunt volgt de rechtbank niet. De essentialia omvatten in dit geval niet meer dan dat het raam wordt vervangen door een raam met melkglas. [gedaagde] stelt dat er geen overeenstemming was over de duur van de verplichting (permanent of niet) en dat er niets is geregeld over de wijziging, beëindiging of toekomstige vervanging van het glas. Dat [eiser sub 1] c.s. had moeten begrijpen dat deze punten voor [gedaagde] essentieel waren en er pas na overeenstemming hierover een overeenkomst zou ontstaan, is door [gedaagde] niet gesteld en is ook niet gebleken. [gedaagde] heeft in de hiervoor genoemde mail zonder voorbehoud ingestemd met het voorstel van [A] . Daarnaast begreep [gedaagde] dat de wens van [eiser sub 1] c.s. om het glas te vervangen voortkwam uit het uitzicht op zijn tuin, dat zijn privacy aantastte. De voorgestelde oplossing moet daarom logischerwijs een duurzaam en permanent karakter hebben. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] ook verklaard dat [A] tegen haar heeft gezegd dat het om een permanente oplossing ging. In dat licht valt niet in te zien dat [eiser sub 1] c.s. had moeten begrijpen dat [gedaagde] , voordat zij gebonden zou zijn, eerst afspraken wilde maken over de duur van de verplichting en eventuele toekomstige wijzigingen. Tot slot wijst [gedaagde] erop dat er geen tegenprestatie is afgesproken en de afspraak niet schriftelijk is vastgelegd. Dit maakt de zaak niet anders. Voor de geldigheid van deze overeenkomst is een tegenprestatie of schriftelijke vastlegging niet vereist. [gedaagde] heeft ook niet gesteld, en dit is ook niet gebleken, dat [eiser sub 1] c.s. had moeten begrijpen dat dit voor haar zulke belangrijke punten waren dat de overeenkomst zonder die punten niet tot stand zou komen. Overigens heeft [gedaagde] het aanbod wel schriftelijk (per e-mail) aanvaard.



3.14

[gedaagde] schrijft ook dat de afspraak notarieel zou moeten worden vastgelegd door middel van een erfdienstbaarheid of kwalitatieve verplichting. Ook dit standpunt volgt de rechtbank niet. Het staat partijen vrij om een (obligatoire) overeenkomst over het raam te sluiten zonder dit te gieten in de vorm van een erfdienstbaarheid of kwalitatieve verplichting.



3.15
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] er nog op gewezen dat [A] [eiser sub 1] c.s. al bij de koop van de woning had toegezegd dat er melkglas zou komen in haar woning, en dat [gedaagde] daar niet bij betrokken is. Als dit klopt, dan begrijpt de rechtbank dat [gedaagde] zich hierdoor buitenspel gezet voelt. Feit is echter wel dat [gedaagde] daarna zelf heeft ingestemd met deze afspraak. Daaraan kan zij worden gehouden.



Een beroep op misbruik van omstandigheden slaagt niet





3.16

[gedaagde] wijst erop dat zij ten tijde van de gesprekken van [A] in een moeilijke periode zat in verband met het overlijden van haar man en dat zij door [A] onder druk is gezet de overeenkomst aan te gaan. Van een vrije wilsvorming is volgens haar geen sprake geweest.



3.17

[gedaagde] lijkt hiermee een beroep te doen op misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW. Dit leerstuk komt erop neer dat wanneer persoon A in bijzondere omstandigheden verkeert en persoon B daar misbruik van maakt door A tot het aangaan van een overeenkomst te bewegen, die overeenkomst onder bepaalde voorwaarden vernietigbaar is.



3.18
De rechtbank heeft oog voor het verlies van [gedaagde] en begrijpt dat de rouwperiode de nodige spanningen oplevert en een mentale impact heeft. Dat betekent echter nog niet dat [eiser sub 1] c.s. (of [A] ) misbruik van omstandigheden heeft gemaakt. Daarvoor moet aan de voorwaarden van artikel 3:44 lid 4 BW zijn voldaan. Als er al vanuit wordt gegaan dat er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikellid, dan is door [gedaagde] niet (voldoende) uitgewerkt:


dat zij door deze bijzondere omstandigheden tot het aangaan van de overeenkomst is bewogen (causaal verband);


dat [eiser sub 1] c.s. (of [A] namens hem) dit ook wist of moest begrijpen;


dat [eiser sub 1] c.s. (of [A] ) het aangaan van de overeenkomst desondanks heeft bevorderd;


hoewel [eiser sub 1] c.s. (of [A] ) wist of moest begrijpen dat hij [gedaagde] daarvan het behoren te weerhouden.





3.19

Het beroep op misbruik van omstandigheden slaagt daarom niet. Dat betekent dat de overeenkomst niet vernietigbaar is.


[gedaagde] moet het raam vervangen door een raam met melkglas





3.20
De conclusie is dat er tussen [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen die inhoudt dat [gedaagde] het raam in haar achtergevel vervangt door een draaibaar raam met melkglas. [gedaagde] kan daaraan gehouden worden. De rechtbank zal haar daarom daartoe veroordelen. [gedaagde] moet dit binnen twee maand na de betekening van dit vonnis uitvoeren.



3.21
De door [eiser sub 1] c.s. gevorderde dwangsom wordt toegewezen. Anders dan [gedaagde] ziet de rechtbank wel aanleiding voor een dwangsom. In het verleden is [gedaagde] de gemaakte afspraak al eerder niet nagekomen door opnieuw transparant glas te plaatsen. Als [gedaagde] inderdaad voornemens is de uitspraak van de rechtbank na te leven, zoals zij aangeeft, dan hoeft zij zich geen zorgen te maken over de dwangsom.



3.22
Omdat de primaire vordering wordt toegewezen, komt de rechtbank aan de beoordeling van de subsidiaire vordering niet toe. In hoeverre er vanuit het raam daadwerkelijk sprake is van uitzicht op de achtertuin van [eiser sub 1] c.s., hoeft daarom niet beoordeeld te worden. Dit komt pas aan de orde als de rechtbank een oordeel over de toepassing van artikel 5:50 BW had moeten geven.




[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen





3.23

[eiser sub 1] c.s. heeft € 925,00 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vorderingen van [eiser sub 1] c.s. hebben geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de norm van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is slechts toewijsbaar, als deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang daarvan ook redelijk is. Dat er door [eiser sub 1] c.s. in redelijkheid buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt, heeft hij voldoende onderbouwd. De hoogte van het gevorderde bedrag komt overeen met de in het Besluit genoemde tarieven (behorende bij een vordering tot € 15.000,00), welke worden geacht redelijk te zijn. De rechtbank zal de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten daarom toewijzen.



3.24
De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





3.25

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser sub 1] c.s. worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


146,14







- griffierecht


€


341,00







- salaris advocaat


€


1.306,00


(2 punten × € 653,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.982,14











3.26
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





4De beslissing


De rechtbank



4.1
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis het raam in de achtergevel van haar woning aan het [straat 2] [nummeraanduiding 2] te [plaats] te vervangen door een draaibaar raam van melkglas;



4.2
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser sub 1] c.s. van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 voor iedere dag dat zij de veroordeling onder 4.1 niet nakomt;



4.3
veroordeelt [gedaagde] om € 925,00 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser sub 1] c.s. te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de voldoening;



4.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.982,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



4.5
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;



4.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



4.7
wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.



5274