Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5079

2026-07-22 Civiel recht 12011670 \ AC EXPL 25-2811
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-08-02
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12011670 \ AC EXPL 25-2811
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eiser is het niet eens met uitspraak Huurcommissie. Kantonrechter oordeelt anders dan Huurcommissie, omdat in deze procedure eiser alle facturen van de servicekosten heeft overgelegd.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.667 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Amersfoort



Zaaknummer: 12011670 \ AC EXPL 25-2811




Vonnis van 22 juli 2026




in de zaak van





[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.K.W. van den Berg,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats]
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: DAS Rechtsbijstand.





1De procedure


1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek, tevens akte vermindering van eis,- de conclusie van dupliek.




1.2
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.





2De kern van de zaak


2.1

[gedaagde] huurt een woning van [eiser] (appartement). Partijen zijn het niet eens over de afrekening servicekosten over 2023. De Huurcommissie heeft daarover een uitspraak gedaan. [eiser] was het daarmee niet eens en heeft deze procedure bij de kantonrechter ingezet. De kantonrechter bepaalt (anders dan de Huurcommissie) dat de betalingsverplichting van [gedaagde] over 2023 € 797,91 voor gas en € 271,47 voor elektriciteit bedraagt. Ook moet [gedaagde] nog € 1.173,84 aan [eiser] betalen voor de afrekening servicekosten over 2022, met rente. [gedaagde] hoeft de leges van [eiser] voor de Huurcommissie niet aan [eiser] terug te betalen.








3De beoordeling



De uitspraak van de Huurcommissie over 2022 staat vast




3.1
Niet alleen over 2023, maar ook over 2022 heeft de Huurcommissie een beslissing over de servicekosten genomen. Die beslissing staat nu vast, omdat geen van de partijen daartegen een procedure bij de kantonrechter is begonnen. [eiser] is het met die beslissing eens en [gedaagde] voert ook nu geen verweer. Volgens [eiser] moet [gedaagde] (na aftrek van de betaalde voorschotten) nog € 1.073,84 betalen. Omdat [gedaagde] dat niet betwist, wordt de vordering van [eiser] toegewezen. Ook moet De Graaf de gevorderde wettelijke rente daarover betalen. Niet gebleken is dat [eiser] [gedaagde] daarvoor eerder dan met de dagvaarding in gebreke heeft gesteld. De rente over genoemd bedrag wordt daarom toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding (5 december 2025) tot de betaling.



De uitspraak van de Huurcommissie over 2023 wordt niet gevolgd





3.2
Omdat [eiser] tijdig deze procedure heeft ingesteld bij de kantonrechter, is de uitspraak van de Huurcommissie vervallen. [eiser] is het niet eens met die uitspraak. De Huurcommissie heeft volgens [eiser] onterecht de Tijdelijke Tegemoetkoming Blokaansluiting (TTB) van de betalingsverplichting van [gedaagde] afgetrokken, en zou ook de berekening van de verschuldigde gas- en elektriciteitskosten onjuist hebben uitgevoerd.



3.3
Eerst de TTB. Volgens [eiser] wist hij niet van het bestaan van die subsidie en kan hem dus niet verweten worden dat hij die niet heeft aangevraagd. Daarover overweegt de Huurcommissie terecht dat [eiser] dat niet kan tegenwerpen aan [gedaagde] . Als verhuurder wordt [eiser] geacht dergelijke regelingen te kennen. In deze procedure voert [eiser] gemotiveerd aan dat hij geen recht zou hebben gehad op de subsidie. Dat betwist [gedaagde] niet. De kantonrechter acht de motivering van [eiser] niet onnavolgbaar of onjuist. Dat betekent dat de TTB niet in mindering zal worden gebracht op de betalingsverplichting van [gedaagde] .



3.4
Dan de berekening van de gas- en elektriciteitskosten. De Huurcommissie heeft de afrekeningen voor het gas over 2023 buiten beschouwing gelaten en de kosten forfaitair vastgesteld. De kosten voor elektriciteit zijn door de Huurcommissie over 2023 deels vastgesteld op basis van de werkelijke facturen en deels forfaitair. Nu in deze procedure heeft [eiser] alle facturen overgelegd en kunnen deze worden beoordeeld. [eiser] berekent (uitvoerig gemotiveerd) dat de verbruikskosten over 2023 € 797,91 voor gas en € 271,47 voor elektriciteit bedragen. Dat betwist [gedaagde] alleen door aan te voeren dat alle door [eiser] opgevoerde gegevens onbetrouwbaar zouden zijn, met name omdat partijen volgens [gedaagde] een slechte persoonlijke verhouding hebben. Dat verweer is onvoldoende gemotiveerd en te algemeen voor [eiser] om daarop een concreet weerwoord te kunnen hebben. De kantonrechter acht de onderbouwing van de kosten door [eiser] niet onjuist en stelt deze zoals gevorderd vast.




De vordering tot terugbetaling van de legeskosten wordt afgewezen





3.5

[eiser] vordert dat [gedaagde] de legeskosten van de procedure bij de Huurcommissie aan hem terugbetaalt. Dat wordt afgewezen, want elke rechtsgrond daarvoor ontbreekt.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





3.6

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


144,47







- griffierecht


€


257,00







- salaris gemachtigde


€


434,00


(2 punten × € 217,00)




- nakosten


€


108,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


943,97











3.7
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





4De beslissing


De kantonrechter



4.1
stelt vast dat de betalingsverplichting van [gedaagde] over 2023 bedraagt:


€ 797,91 voor de gaskosten, en


€ 271,47 voor de elektriciteitskosten,





4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.073,84, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 december 2025, tot de dag van volledige betaling,



4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 943,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



4.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.


RW1368



Zie artikel 7:262 BW


Zie ook artikel 7:262 BW


Producties 6 en 7 voor elektriciteit en producties 8 en 9 voor het gasverbruik