Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5073

2026-07-22 Civiel recht C/16/613185 / HA ZA 26-305
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-08-02
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/16/613185 / HA ZA 26-305
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bodemprocedure na deelgeschil. Verlof tussentijds hoger beroep van deelgeschilbeschikking verleend. Feitelijk niet hele geschil voorgelegd in bodemprocedure, maar verlof verleend omdat verklaring voor recht voor hele geschil wordt gevraagd.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.051 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland


Civiel recht



Zittingsplaats Utrecht



Zaaknummer: C/16/613185 / HA ZA 26-305




Vonnis van 22 juli 2026




in de zaak van





[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. F.B. van Batenburg,



tegen





1S.O.M. SAMENWERKENDE ONDERLINGE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJEN COÖPERATIE U.A.,te De Meern,

2. [gedaagde sub 2],te [plaats] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. H.A. Kragt.



Partijen worden hierna [eiser] , SOM en [gedaagde sub 2] genoemd






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 13 mei 2026, met producties,


de brief van mr. Van Batenburg van 12 juni 2026, met het verzoek toestemming te verlenen om hoger beroep in te stellen tegen de deelgeschilbeschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2025 met zaak-/rekestnummer 586925 / HA RK 25-1, ECLI:NL:RBMNE:2025:1586 (hierna: de deelgeschilbeschikking),


de reactie van mr. Kragt op dit verzoek, van 30 juni 2026.





1.2
Nu volgt deze uitspraak.






2De kern van de zaak


2.1


[eiser] is het niet eens met de deelgeschilbeschikking. Zij wil hoger beroep instellen tegen die uitspraak. SOM en [gedaagde sub 2] hebben daar geen bezwaar tegen. De rechtbank staat het tussentijds hoger beroep toe en verwijst deze bodemprocedure naar de parkeerrol in afwachting van de uitkomst van de procedure in hoger beroep.

3 De beoordeling





3.1

[eiser] en [gedaagde sub 2] zijn als fietsers met elkaar in botsing gekomen. [eiser] is daarbij gevallen en gewond geraakt. Zij vindt dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor het ongeval en haar schade moet vergoeden. Omdat partijen daar met elkaar niet uitkwamen is [eiser] bij deze rechtbank een deelgeschilprocedure begonnen om duidelijkheid te krijgen over de aansprakelijkheid. De deelgeschilrechter heeft beslist dat [gedaagde sub 2] niet aansprakelijk is voor het ongeval, kort gezegd omdat [eiser] geen voorrang had. De verklaringen voor recht over aansprakelijkheid en schadevergoeding die [eiser] in deelgeschil heeft gevraagd zijn daarom afgewezen.



3.2

[eiser] heeft eind 2025 ook een bodemprocedure ingesteld bij deze rechtbank. In die procedure heeft zij de rechtbank alleen verzocht om verlof te verlenen om (tussentijds) hoger beroep te mogen instellen tegen de deelgeschilbeschikking van 9 april 2025. In die procedure is zij niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij met haar verzoek niet het hele geschil aan de bodemrechter voorlegde.



Toetsingskader voor tussentijds hoger beroep





3.3

Bij de beoordeling van het verzoek tussentijds hoger beroep toe te staan stelt de rechtbank het volgende voorop. Tegen de beslissing op een verzoek in de deelgeschilprocedure staat geen hogere voorziening open. Wel kan een bodemprocedure worden gestart, waarin het hele geschil aan de rechtbank wordt voorgelegd. Anders dan bij een deelgeschil kan in die bodemprocedure dus niet worden volstaan met het voorleggen van ‘een deel van het geschil’ (een of enkele aspecten waarover discussie is).
Als in de deelgeschilprocedure uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist over geschilpunten die de materiële rechtsverhouding van partijen betreffen, dan is de rechter in de bodemprocedure in principe gebonden aan deze (deel)beslissing. Tegen die (deel)beslissing kan hoger beroep worden ingesteld als de bodemrechter daarvoor verlof heeft verleend.
Dat hoger beroep moet worden ingesteld binnen drie maanden vanaf de eerste roldatum in de bodemprocedure of vanaf de uitspraakdatum in het deelgeschil als dat later is. De Hoge Raad heeft echter beslist dat de appeltermijn gaat lopen vanaf de datum van het vonnis waarbij het verlof voor tussentijds hoger beroep is verleend, dus vanaf de datum van dit vonnis. De Hoge Raad heeft verder bepaald dat bij de beoordeling moet worden betrokken of het openstellen van hoger beroep leidt tot onredelijke vertraging van de procedure.




Er wordt gevraagd om een beslissing over het volledige geschil





3.4

[eiser] vordert in deze bodemprocedure kort samengevat een verklaring voor recht dat 1) [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade door het ongeval dat plaatsvond op 6 juli 2023 en gehouden is die schade volledig te vergoeden, en 2) SOM het bedrag dat zij op grond van de verzekeringsovereenkomst met [gedaagde sub 2] aan [eiser] verschuldigd is, rechtstreeks aan [eiser] moet betalen. Daarmee legt [eiser] eigenlijk dezelfde vraag voor als in de deelgeschilprocedure. Bovendien gaat zij in de dagvaarding in de bodemprocedure slechts zeer summier in op de aansprakelijkheid, gaat zij geheel niet in op de schade en vordert zij geen verwijzing naar de schadestaatprocedure, maar betoogt zij enkel waarom (alsnog) verlof verleend zou moeten worden om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen de deelgeschilbeschikking. Feitelijk heeft [eiser] dus geen volledige bodemprocedure ingesteld. Wel vordert zij een verklaring voor recht over het hele geschil. De rechtbank ziet daarom toch aanleiding om het verzochte verlof toe te staan, zodat [eiser] de aansprakelijkheidsvraag aan het gerechtshof kan voorleggen.



Het gaat om een beslissing over de materiële rechtsverhouding tussen partijen





3.5
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de deelgeschilrechter een beslissing heeft genomen over de materiële rechtsverhouding: alleen dan is hoger beroep mogelijk van de deelgeschilbeschikking. In de deelgeschilbeschikking isbeslist dat [gedaagde sub 2] niet aansprakelijk is voor het ongeval, kort gezegd omdat [eiser] geen voorrang had. Daarmee is een beslissing gegeven over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv.



Het verzoek is tijdig





3.6
Door het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad moet voor de vraag of een verlofverzoek op tijd is ingediend niet langer worden aangesloten bij de eerste roldag of de datum van de beschikking waartegen men hoger beroep wil instellen, maar bij de datum van het vonnis waarin de mogelijkheid van hoger beroep wordt opengesteld. Daarmee is het verzoek op tijd gedaan. Het hoger beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van drie maanden na dit vonnis.



Geen onredelijke vertraging





3.7
Tussentijds hoger beroep zal niet leiden tot een onredelijke vertraging. Bovendien gaat het om de principiële vraag van de aansprakelijkheid. Nu dat een discussie blijft tussen partijen, ondanks de beslissing in de deelgeschilbeschikking, is het in het belang van partijen dat zij zekerheid krijgen over de aansprakelijkheidsvraag voor zij vervolgstappen nemen. Hierbij heeft de rechtbank ook meegewogen dat SOM geen bezwaren heeft opgeworpen tegen het openstellen van het tussentijds hoger beroep.



Conclusie





3.8
De rechtbank zal toestaan dat tussentijds hoger beroep wordt ingesteld tegen de deelgeschilbeschikking. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden en deze bodemprocedure zal, in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep, worden verwezen naar de parkeerrol.







4De beslissing


De rechtbank:



4.1
staat hoger beroep toe van de op 9 april 2025 onder zaak-/rekestnummer 586925 / HA RK 25-1 gegeven beschikking in de bij deze rechtbank gevoerde deelgeschilprocedure,



4.2
verwijst de zaak in afwachting van de uitkomst van de procedure in hoger beroep naar de parkeerrol van woensdag 7 april 2027,



4.3
houdt iedere verdere beslissing aan.









Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!


























!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!








ES(5403)




Rechtbank Midden-Nederland 24 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7072.


Artikel 1019bb van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv).


Artikel 1019cc lid 1 Rv.


Artikel 1019cc lid 3 en onder a Rv.


Artikel 1019cc lid 3 en onder a Rv.


Hoge Raad 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924


Zie rechtsoverweging 3.2.4 van het arrest van 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924.