Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5069
2026-07-22
Civiel recht
C/16/602613 / HA ZA 25-567
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Burengeschil. Grensbepaling tussen percelen met nieuwbouwwoning. Beroep op gemaakte afspraken gaat niet op. Grens onzeker als bedoeld in 5:47 BW. De rechtbank bepaalt de erfgrens.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.388 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/602613 / HA ZA 25-567
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
1 [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2] ,
beiden te [plaats] ,
eisers in conventie,
gedaagden in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers c.s] ,
advocaat: mr. J. Woudman,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] en los van elkaar [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. H.E. ter Horst.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 november 2025, met producties 1 t/m 10,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties 1 t/m 3,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de akte wijziging van eis van [eisers c.s] ,
- de mondelinge behandeling van 4 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
[eisers c.s] en [gedaagden c.s] zijn directe buren van elkaar. Zij zijn beiden eigenaar van een perceel met een nieuwbouwwoning. Bij de aankoop van de percelen was de (erf)grens nog niet vastgesteld, zodat partijen dit in overleg moesten doen. Het Kadaster is daarvoor meerdere keren bij partijen langs geweest en heeft (voorlopige) kadastrale kaarten gemaakt, maar partijen worden het over de erfgrens niet eens. Zij beroepen zich in deze procedure ieder op een andere afspraak en stellen dat daaruit de grens van de geleverde percelen volgt. [eisers c.s] vordert in deze procedure onder meer erfgrensbepaling door de rechtbank en op zijn beurt vordert [gedaagden c.s] een verklaring voor recht dat de erfgrens zo loopt als hij stelt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft geen van partijen de door hun gestelde afspraak over de erfgrens voldoende onderbouwd. De loop van de grens tussen partijen is daardoor onzeker, zodat de rechtbank de grens bepaalt. De rechtbank licht dit hieronder toe.
3De beoordeling
in conventie en in reconventie
De door [eisers c.s] gestelde erfgrens is niet komen vast te staan
3.1
Tussen de percelen van [eisers c.s] ( [adres 1] in [plaats] ) en [gedaagden c.s] ( [adres 2] in [plaats] ) is aan de voorzijde van de percelen een penant geplaatst. Volgens [eisers c.s] loopt de erfgrens tussen de percelen vanaf die penant schuin in de richting van de garage van [gedaagden c.s] en vanaf dat punt in een rechte lijn tot aan de beschoeiing aan de achterkant van de percelen. Zij sluit daarbij aan bij een (voorlopige) kaart bij het relaas van bevindingen van het Kadaster van 11 maart 2024 (productie 10 bij dagvaarding en bijlage I bij dit vonnis). [eisers c.s] stelt dat partijen deze grens op 3 april 2024 in een vaststellingsovereenkomst hebben vastgesteld en legt dit document over. [gedaagden c.s] betwist dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten en dat zij de daarin door [eisers c.s] gestelde grens hebben vastgesteld. [gedaagden c.s] voert aan dat [gedaagde sub 1] wel bij die bespreking aanwezig was, maar dat [gedaagde sub 2] daar niet bij was. Volgens [gedaagden c.s] is het juist dat toen tussen partijen is gesproken over mogelijke oplossingen, maar heeft [gedaagde sub 1] tijdens het overleg expliciet gezegd dat hij niet door [gedaagde sub 2] gemachtigd was om afspraken te maken en dat hij nog met haar over de uitkomst van deze bijeenkomst moest overleggen. [gedaagde sub 1] zou dit daarna aan [eisers c.s] terugkoppelen, aldus [gedaagden c.s]
3.2
Naar het oordeel van de rechtbank komt niet vast te staan dat partijen tijdens de bijeenkomst op 3 april 2024 de grens hebben vastgesteld. De overgelegde overeenkomst betreft een document dat bestaat uit een achteraf (op 2 mei 2024, zoals volgt uit pagina 1 van het document) opgesteld getypt deel en een handgeschreven deel van 3 april 2024. Dit document bevat op het handgeschreven gedeelte drie handtekeningen; de handtekeningen van [eisers c.s] en van [gedaagde sub 1] . Maar, in de overgelegde overeenkomst is nergens opgenomen dat [gedaagde sub 1] namens [gedaagde sub 2] gemachtigd was om dit document te tekenen. Die expliciete machtiging was naar het oordeel van de rechtbank wel vereist, nu [gedaagde sub 2] mede-eigenaar van het perceel aan de [adres 2] is. Zonder die machtiging, kan die afspraak niet zonder meer tussen partijen komen vast te staan. Dat [gedaagde sub 1] bij een eerder terreinbezoek van het Kadaster op 11 maart 2024 wel (mondeling) gemachtigd was om namens [gedaagde sub 2] te spreken, zoals [eisers c.s] betoogt, maakt dit niet anders. Het betreft hier namelijk een terreinbezoek van een maand eerder waarbij volgens een brief van 11 maart 2024 van het Kadaster ook geen grens is aangewezen. Bovendien werden tijdens de bijeenkomst op 3 april 2024 ook verschillende concrete afspraken gemaakt die tussen buren moesten gaan gelden, zodat niet automatisch van een eerdere machtiging mag worden uitgegaan. Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden komt dus niet vast te staan dat partijen op 3 april 2024 ten aanzien van de grens definitief en ondubbelzinnig overeenstemming hebben bereikt en de grens hebben vastgesteld.
De door [gedaagden c.s] gestelde erfgrens is ook niet komen vast te staan
3.3
Volgens [gedaagden c.s] hebben partijen al eerder de erfgrens vastgesteld, namelijk tijdens een afspraak van 14 september 2023 waar ook een medewerker van het Kadaster bij aanwezig was. [gedaagden c.s] stelt dat partijen destijds hebben aangesloten bij een relaas van bevindingen van het Kadaster van 25 mei 2023 met bijbehorende kadastrale kaart (productie 2 bij conclusie van antwoord en bijlage II bij dit vonnis). Volgens [gedaagden c.s] loopt de erfgrens daarom vanaf de beschoeiing aan de achterkant van de percelen in een rechte lijn naar de voorkant (de penant) van de percelen. [eisers c.s] betwist uitdrukkelijk dat partijen op die datum een afspraak over de grens hebben gemaakt. Volgens [eisers c.s] eindigde die afspraak zelfs in een handgemeen tussen beide buren, zodat van overeenstemming geen sprake is geweest.
3.4
Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [eisers c.s] , heeft [gedaagden c.s] onvoldoende onderbouwd dat partijen op 14 september 2023 overeenstemming over de grensvaststelling hebben bereikt. [gedaagden c.s] heeft namelijk erkend dat partijen – na het vertrek van de medewerker van het Kadaster – een verschil van inzicht hebben gekregen wat uiteindelijk is uitgelopen op een handgemeen. Daaruit volgt dat partijen het dus kennelijk niet eens waren geworden over de grensvaststelling die daarvoor met een medewerker van het Kadaster was besproken. [gedaagden c.s] heeft in het kader van deze afspraak nog een bewijsaanbod gedaan in de vorm van het horen van getuigen (onder meer de medewerker van het Kadaster) en camerabeelden van de beveiligingscamera op zijn perceel. De rechtbank gaat, gelet op de voorgaande erkenning van [gedaagden c.s] dat partijen een verschil van inzicht hebben gekregen, voorbij aan dit aanbod, omdat de relevantie hierdoor ontbreekt. Vast staat namelijk dat partijen juist onenigheid hebben gekregen naar aanleiding van de komst van de medewerker van het Kadaster en dat de erfgrens ook toen niet definitief is aangewezen.
De erfgrens tussen de percelen is onzeker
3.5
Gelet op het voorgaande heeft geen van beide partijen voldoende onderbouwd dat partijen afspraken hebben gemaakt, waarbij de erfgrens tussen hun percelen is vastgesteld. Hierdoor is de grens tussen de percelen van [eisers c.s] en [gedaagden c.s] onzeker in de zin van artikel 5:47 lid 1 BW. [eisers c.s] heeft expliciet (bij eiswijziging) gevorderd dat de rechtbank in dat geval de grens bepaalt, zodat de rechtbank daaraan toekomt.
Grensbepaling door de rechtbank
3.6
De rechtbank kan de grens bepalen als die onzeker is (artikel 5:47 lid 3 BW). De rechtbank heeft daarbij de vrijheid om de grens naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen, waarbij de belangen van beide buren moeten worden meegewogen. [eisers c.s] heeft gesteld dat het voor haar van belang is om aan te sluiten bij de feitelijke situatie zoals die nu is. De feitelijke situatie komt overeen met hoe de percelen bij verkoop zijn geleverd en maakt dat de schutting van [eisers c.s] niet hoeft te worden afgebroken. [gedaagden c.s] heeft gesteld dat het voor hem van belang is dat de grens in een rechte lijn wordt doorgetrokken, zodat de schutting van [eisers c.s] – die volgens hem geen gezicht is – moet worden verwijderd en hij zijn eigen carport, die daaraan grenst, kan afmaken en daaraan onderhoud kan plegen. Volgens [gedaagden c.s] is dat nu niet mogelijk en staat zijn carport nu te dicht op het andere perceel, waardoor hij meent dat hij zijn huis als gevolg daarvan moeilijker zal kunnen verkopen.
3.7
De rechtbank ziet, mede in het licht van het voorgaande, in de door [eisers c.s] bij productie 10 van dagvaarding uitgezette erfgrens het meest concrete aanknopingspunt bij het bepalen van de erfgrens. Het is ook redelijk en logisch om bij die grens aan te sluiten, onder meer omdat dit de grens is, zoals die feitelijk is. Dit betekent dat de grens loopt vanaf de penant (103) schuin in de richting van de garage van [gedaagden c.s] (101) en vanaf dat punt in een rechte lijn tot aan de beschoeiing aan de achterkant van de percelen. Dat de grens zo loopt wordt ook door het betrokken projectbureau bevestigd. Op 26 maart 2024 heeft het projectbureau namelijk toegelicht dat de penant van [gedaagden c.s] zelfs 3 cm over de door haar bij verkooptekening aangeduide grens lag en dus deels op het perceel van [eisers c.s] Maar, dat deze grens nu wel aansluit bij hoe de percelen feitelijk aan partijen zijn verkocht en geleverd. Ook de inzichten van de projectontwikkelaar zijn daarom een aanknopingspunt om bij de feitelijke situatie aan te sluiten.
3.8
Dat deze grensbepaling voor [gedaagden c.s] bemoeilijkt dat hij de buitenzijde van zijn carport niet kan afmaken en onderhouden of dat de carport nu te dicht op het perceel van [eisers c.s] zou staan, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om niet bij de feitelijke situatie aan te sluiten. Daarbij is in aanmerking genomen dat nergens uit is gebleken dat deze omstandigheden een eventuele waardedaling voor het perceel zouden opleveren. Bovendien betekent aansluiting bij deze grens dat het oppervlak van het perceel van [gedaagden c.s] juist wordt vermeerderd. Zo heeft het projectbureau berekend dat het oppervlak van [gedaagden c.s] in werkelijkheid 219 m2 is, terwijl aan hem 218 m2 is verkocht. Dit levert een prijsvermeerdering op van zijn perceel. Ook heeft [gedaagden c.s] onvoldoende concreet gemaakt welke afrondende werkzaamheden en welk onderhoud er aan de buitenzijde van zijn carport moeten worden gedaan, waarom dit nu niet zou kunnen en welk nadeel eraan is verbonden als dit niet wordt uitgevoerd. Op de in het dossier gevoegde foto’s is ook niet te zien dat de carport [gedaagden c.s] niet functioneel is of dat er zichtbare gebreken bestaan. Verder heeft [gedaagden c.s] niet onderbouwd dat zijn carport in de feitelijke situatie te dicht op het perceel van [eisers c.s] staat en waarom dit tot problemen zou leiden bij een eventuele toekomstige verkoop van de woning van [gedaagden c.s] Dat [gedaagden c.s] tot slot de aangrenzende schutting van [eisers c.s] geen gezicht vindt, vindt de rechtbank ook geen omstandigheid die hier doel treft. [gedaagden c.s] zal als buur de door [eisers c.s] gekozen schutting moeten dulden, nu die op het perceel van [eisers c.s] staat en niet is gebleken dat deze niet is toegestaan.
Medewerking aan kadastrale registratie
3.9
[eisers c.s] vordert dat [gedaagden c.s] zijn medewerking verleent aan de inschrijving van de door de rechtbank bepaalde grens in het Kadaster en vordert daaraan een dwangsom te verbinden. Uit de stellingen en vorderingen van partijen volgt dat zij beiden wensen dat de erfgrens zal worden vastgelegd bij het Kadaster. De rechtbank ziet daarom aanleiding om beide partijen te gelasten mee te werken aan een grensaanwijzing door het Kadaster en gaat, gelet op de bepaalde erfgrens, ervan uit dat [eisers c.s] dit met het Kadaster zal regelen. [gedaagden c.s] zal hier dan eveneens aan moeten meewerken. Een dwangsom wordt aan [gedaagden c.s] niet opgelegd, nu de rechtbank dit gelet op de overeenstemmende wens en de (toekomstige) burenrelatie niet proportioneel en noodzakelijk acht. De rechtbank gaat er verder vanuit dat partijen de kosten voor de grensaanwijzing door het Kadaster zullen delen, nu zij allebei hebben aangegeven een grensbepaling te willen en dit bij erfgrensbepalingen tussen buren gebruikelijk is.
De overige vorderingen worden afgewezen
3.10
Nu de grens wordt bepaald zoals hiervoor omschreven, worden (ook) de overige vorderingen van [gedaagden c.s] , waaronder de vordering tot ontruiming van het perceel van [gedaagden c.s] en het verplaatsen van de door [eisers c.s] geplaatste schutting, afgewezen. Er is door de erfgrensbepaling volgens de feitelijke situatie namelijk geen sprake van dat door [eisers c.s] iets op het perceel van [gedaagden c.s] is geplaatst.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.11
[eisers c.s] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen. Daarom zal een bedrag van € 925,00 worden toegewezen.
Compensatie van de proceskosten
3.12
De rechtbank heeft de erfgrens vastgesteld, omdat de afspraken van partijen niet voldoende waren onderbouwd en de grens dus onzeker was. Gelet hierop zijn partijen in die zin beide deels in het ongelijk gesteld. Ook in de burenrelatie van partijen ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
4.1
bepaalt, op de voet van artikel 5:47 BW, dat de erfgrens tussen de percelen gelegen aan de [adres 1] ( [nummer] / [nummer] ) in [plaats] en [adres 2] ( [nummer] / [nummer] ) in [plaats] loopt vanaf de penant (103), gelegen aan de voorzijde van de percelen, schuin in de richting van de garage van [gedaagden c.s] (101) en vanaf dat punt in een rechte lijn tot aan de beschoeiing aan de achterkant van de percelen, zoals aangeduid op de kadastrale kaart die is overgelegd als productie 10 van de dagvaarding, welke kaart als bijlage I aan dit vonnis is gehecht,
4.2
gelast partijen om mee te werken aan een definitieve grensaanwijzing door het Kadaster volgens de hiervoor onder 4.1 bepaalde erfgrens,
4.3
veroordeelt [gedaagden c.s] om aan [eisers c.s] te betalen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten,
4.4
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door L. van 't Hof en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
BIJLAGE I
*I.v.m. mogelijke herleidbaarheid naar personen is de afbeelding verwijderd.*
BIJLAGE II
*I.v.m. mogelijke herleidbaarheid naar personen is de afbeelding verwijderd.*
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/602613 / HA ZA 25-567
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
1 [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2] ,
beiden te [plaats] ,
eisers in conventie,
gedaagden in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers c.s] ,
advocaat: mr. J. Woudman,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] en los van elkaar [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. H.E. ter Horst.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 november 2025, met producties 1 t/m 10,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties 1 t/m 3,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de akte wijziging van eis van [eisers c.s] ,
- de mondelinge behandeling van 4 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
[eisers c.s] en [gedaagden c.s] zijn directe buren van elkaar. Zij zijn beiden eigenaar van een perceel met een nieuwbouwwoning. Bij de aankoop van de percelen was de (erf)grens nog niet vastgesteld, zodat partijen dit in overleg moesten doen. Het Kadaster is daarvoor meerdere keren bij partijen langs geweest en heeft (voorlopige) kadastrale kaarten gemaakt, maar partijen worden het over de erfgrens niet eens. Zij beroepen zich in deze procedure ieder op een andere afspraak en stellen dat daaruit de grens van de geleverde percelen volgt. [eisers c.s] vordert in deze procedure onder meer erfgrensbepaling door de rechtbank en op zijn beurt vordert [gedaagden c.s] een verklaring voor recht dat de erfgrens zo loopt als hij stelt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft geen van partijen de door hun gestelde afspraak over de erfgrens voldoende onderbouwd. De loop van de grens tussen partijen is daardoor onzeker, zodat de rechtbank de grens bepaalt. De rechtbank licht dit hieronder toe.
3De beoordeling
in conventie en in reconventie
De door [eisers c.s] gestelde erfgrens is niet komen vast te staan
3.1
Tussen de percelen van [eisers c.s] ( [adres 1] in [plaats] ) en [gedaagden c.s] ( [adres 2] in [plaats] ) is aan de voorzijde van de percelen een penant geplaatst. Volgens [eisers c.s] loopt de erfgrens tussen de percelen vanaf die penant schuin in de richting van de garage van [gedaagden c.s] en vanaf dat punt in een rechte lijn tot aan de beschoeiing aan de achterkant van de percelen. Zij sluit daarbij aan bij een (voorlopige) kaart bij het relaas van bevindingen van het Kadaster van 11 maart 2024 (productie 10 bij dagvaarding en bijlage I bij dit vonnis). [eisers c.s] stelt dat partijen deze grens op 3 april 2024 in een vaststellingsovereenkomst hebben vastgesteld en legt dit document over. [gedaagden c.s] betwist dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten en dat zij de daarin door [eisers c.s] gestelde grens hebben vastgesteld. [gedaagden c.s] voert aan dat [gedaagde sub 1] wel bij die bespreking aanwezig was, maar dat [gedaagde sub 2] daar niet bij was. Volgens [gedaagden c.s] is het juist dat toen tussen partijen is gesproken over mogelijke oplossingen, maar heeft [gedaagde sub 1] tijdens het overleg expliciet gezegd dat hij niet door [gedaagde sub 2] gemachtigd was om afspraken te maken en dat hij nog met haar over de uitkomst van deze bijeenkomst moest overleggen. [gedaagde sub 1] zou dit daarna aan [eisers c.s] terugkoppelen, aldus [gedaagden c.s]
3.2
Naar het oordeel van de rechtbank komt niet vast te staan dat partijen tijdens de bijeenkomst op 3 april 2024 de grens hebben vastgesteld. De overgelegde overeenkomst betreft een document dat bestaat uit een achteraf (op 2 mei 2024, zoals volgt uit pagina 1 van het document) opgesteld getypt deel en een handgeschreven deel van 3 april 2024. Dit document bevat op het handgeschreven gedeelte drie handtekeningen; de handtekeningen van [eisers c.s] en van [gedaagde sub 1] . Maar, in de overgelegde overeenkomst is nergens opgenomen dat [gedaagde sub 1] namens [gedaagde sub 2] gemachtigd was om dit document te tekenen. Die expliciete machtiging was naar het oordeel van de rechtbank wel vereist, nu [gedaagde sub 2] mede-eigenaar van het perceel aan de [adres 2] is. Zonder die machtiging, kan die afspraak niet zonder meer tussen partijen komen vast te staan. Dat [gedaagde sub 1] bij een eerder terreinbezoek van het Kadaster op 11 maart 2024 wel (mondeling) gemachtigd was om namens [gedaagde sub 2] te spreken, zoals [eisers c.s] betoogt, maakt dit niet anders. Het betreft hier namelijk een terreinbezoek van een maand eerder waarbij volgens een brief van 11 maart 2024 van het Kadaster ook geen grens is aangewezen. Bovendien werden tijdens de bijeenkomst op 3 april 2024 ook verschillende concrete afspraken gemaakt die tussen buren moesten gaan gelden, zodat niet automatisch van een eerdere machtiging mag worden uitgegaan. Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden komt dus niet vast te staan dat partijen op 3 april 2024 ten aanzien van de grens definitief en ondubbelzinnig overeenstemming hebben bereikt en de grens hebben vastgesteld.
De door [gedaagden c.s] gestelde erfgrens is ook niet komen vast te staan
3.3
Volgens [gedaagden c.s] hebben partijen al eerder de erfgrens vastgesteld, namelijk tijdens een afspraak van 14 september 2023 waar ook een medewerker van het Kadaster bij aanwezig was. [gedaagden c.s] stelt dat partijen destijds hebben aangesloten bij een relaas van bevindingen van het Kadaster van 25 mei 2023 met bijbehorende kadastrale kaart (productie 2 bij conclusie van antwoord en bijlage II bij dit vonnis). Volgens [gedaagden c.s] loopt de erfgrens daarom vanaf de beschoeiing aan de achterkant van de percelen in een rechte lijn naar de voorkant (de penant) van de percelen. [eisers c.s] betwist uitdrukkelijk dat partijen op die datum een afspraak over de grens hebben gemaakt. Volgens [eisers c.s] eindigde die afspraak zelfs in een handgemeen tussen beide buren, zodat van overeenstemming geen sprake is geweest.
3.4
Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [eisers c.s] , heeft [gedaagden c.s] onvoldoende onderbouwd dat partijen op 14 september 2023 overeenstemming over de grensvaststelling hebben bereikt. [gedaagden c.s] heeft namelijk erkend dat partijen – na het vertrek van de medewerker van het Kadaster – een verschil van inzicht hebben gekregen wat uiteindelijk is uitgelopen op een handgemeen. Daaruit volgt dat partijen het dus kennelijk niet eens waren geworden over de grensvaststelling die daarvoor met een medewerker van het Kadaster was besproken. [gedaagden c.s] heeft in het kader van deze afspraak nog een bewijsaanbod gedaan in de vorm van het horen van getuigen (onder meer de medewerker van het Kadaster) en camerabeelden van de beveiligingscamera op zijn perceel. De rechtbank gaat, gelet op de voorgaande erkenning van [gedaagden c.s] dat partijen een verschil van inzicht hebben gekregen, voorbij aan dit aanbod, omdat de relevantie hierdoor ontbreekt. Vast staat namelijk dat partijen juist onenigheid hebben gekregen naar aanleiding van de komst van de medewerker van het Kadaster en dat de erfgrens ook toen niet definitief is aangewezen.
De erfgrens tussen de percelen is onzeker
3.5
Gelet op het voorgaande heeft geen van beide partijen voldoende onderbouwd dat partijen afspraken hebben gemaakt, waarbij de erfgrens tussen hun percelen is vastgesteld. Hierdoor is de grens tussen de percelen van [eisers c.s] en [gedaagden c.s] onzeker in de zin van artikel 5:47 lid 1 BW. [eisers c.s] heeft expliciet (bij eiswijziging) gevorderd dat de rechtbank in dat geval de grens bepaalt, zodat de rechtbank daaraan toekomt.
Grensbepaling door de rechtbank
3.6
De rechtbank kan de grens bepalen als die onzeker is (artikel 5:47 lid 3 BW). De rechtbank heeft daarbij de vrijheid om de grens naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen, waarbij de belangen van beide buren moeten worden meegewogen. [eisers c.s] heeft gesteld dat het voor haar van belang is om aan te sluiten bij de feitelijke situatie zoals die nu is. De feitelijke situatie komt overeen met hoe de percelen bij verkoop zijn geleverd en maakt dat de schutting van [eisers c.s] niet hoeft te worden afgebroken. [gedaagden c.s] heeft gesteld dat het voor hem van belang is dat de grens in een rechte lijn wordt doorgetrokken, zodat de schutting van [eisers c.s] – die volgens hem geen gezicht is – moet worden verwijderd en hij zijn eigen carport, die daaraan grenst, kan afmaken en daaraan onderhoud kan plegen. Volgens [gedaagden c.s] is dat nu niet mogelijk en staat zijn carport nu te dicht op het andere perceel, waardoor hij meent dat hij zijn huis als gevolg daarvan moeilijker zal kunnen verkopen.
3.7
De rechtbank ziet, mede in het licht van het voorgaande, in de door [eisers c.s] bij productie 10 van dagvaarding uitgezette erfgrens het meest concrete aanknopingspunt bij het bepalen van de erfgrens. Het is ook redelijk en logisch om bij die grens aan te sluiten, onder meer omdat dit de grens is, zoals die feitelijk is. Dit betekent dat de grens loopt vanaf de penant (103) schuin in de richting van de garage van [gedaagden c.s] (101) en vanaf dat punt in een rechte lijn tot aan de beschoeiing aan de achterkant van de percelen. Dat de grens zo loopt wordt ook door het betrokken projectbureau bevestigd. Op 26 maart 2024 heeft het projectbureau namelijk toegelicht dat de penant van [gedaagden c.s] zelfs 3 cm over de door haar bij verkooptekening aangeduide grens lag en dus deels op het perceel van [eisers c.s] Maar, dat deze grens nu wel aansluit bij hoe de percelen feitelijk aan partijen zijn verkocht en geleverd. Ook de inzichten van de projectontwikkelaar zijn daarom een aanknopingspunt om bij de feitelijke situatie aan te sluiten.
3.8
Dat deze grensbepaling voor [gedaagden c.s] bemoeilijkt dat hij de buitenzijde van zijn carport niet kan afmaken en onderhouden of dat de carport nu te dicht op het perceel van [eisers c.s] zou staan, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om niet bij de feitelijke situatie aan te sluiten. Daarbij is in aanmerking genomen dat nergens uit is gebleken dat deze omstandigheden een eventuele waardedaling voor het perceel zouden opleveren. Bovendien betekent aansluiting bij deze grens dat het oppervlak van het perceel van [gedaagden c.s] juist wordt vermeerderd. Zo heeft het projectbureau berekend dat het oppervlak van [gedaagden c.s] in werkelijkheid 219 m2 is, terwijl aan hem 218 m2 is verkocht. Dit levert een prijsvermeerdering op van zijn perceel. Ook heeft [gedaagden c.s] onvoldoende concreet gemaakt welke afrondende werkzaamheden en welk onderhoud er aan de buitenzijde van zijn carport moeten worden gedaan, waarom dit nu niet zou kunnen en welk nadeel eraan is verbonden als dit niet wordt uitgevoerd. Op de in het dossier gevoegde foto’s is ook niet te zien dat de carport [gedaagden c.s] niet functioneel is of dat er zichtbare gebreken bestaan. Verder heeft [gedaagden c.s] niet onderbouwd dat zijn carport in de feitelijke situatie te dicht op het perceel van [eisers c.s] staat en waarom dit tot problemen zou leiden bij een eventuele toekomstige verkoop van de woning van [gedaagden c.s] Dat [gedaagden c.s] tot slot de aangrenzende schutting van [eisers c.s] geen gezicht vindt, vindt de rechtbank ook geen omstandigheid die hier doel treft. [gedaagden c.s] zal als buur de door [eisers c.s] gekozen schutting moeten dulden, nu die op het perceel van [eisers c.s] staat en niet is gebleken dat deze niet is toegestaan.
Medewerking aan kadastrale registratie
3.9
[eisers c.s] vordert dat [gedaagden c.s] zijn medewerking verleent aan de inschrijving van de door de rechtbank bepaalde grens in het Kadaster en vordert daaraan een dwangsom te verbinden. Uit de stellingen en vorderingen van partijen volgt dat zij beiden wensen dat de erfgrens zal worden vastgelegd bij het Kadaster. De rechtbank ziet daarom aanleiding om beide partijen te gelasten mee te werken aan een grensaanwijzing door het Kadaster en gaat, gelet op de bepaalde erfgrens, ervan uit dat [eisers c.s] dit met het Kadaster zal regelen. [gedaagden c.s] zal hier dan eveneens aan moeten meewerken. Een dwangsom wordt aan [gedaagden c.s] niet opgelegd, nu de rechtbank dit gelet op de overeenstemmende wens en de (toekomstige) burenrelatie niet proportioneel en noodzakelijk acht. De rechtbank gaat er verder vanuit dat partijen de kosten voor de grensaanwijzing door het Kadaster zullen delen, nu zij allebei hebben aangegeven een grensbepaling te willen en dit bij erfgrensbepalingen tussen buren gebruikelijk is.
De overige vorderingen worden afgewezen
3.10
Nu de grens wordt bepaald zoals hiervoor omschreven, worden (ook) de overige vorderingen van [gedaagden c.s] , waaronder de vordering tot ontruiming van het perceel van [gedaagden c.s] en het verplaatsen van de door [eisers c.s] geplaatste schutting, afgewezen. Er is door de erfgrensbepaling volgens de feitelijke situatie namelijk geen sprake van dat door [eisers c.s] iets op het perceel van [gedaagden c.s] is geplaatst.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.11
[eisers c.s] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen. Daarom zal een bedrag van € 925,00 worden toegewezen.
Compensatie van de proceskosten
3.12
De rechtbank heeft de erfgrens vastgesteld, omdat de afspraken van partijen niet voldoende waren onderbouwd en de grens dus onzeker was. Gelet hierop zijn partijen in die zin beide deels in het ongelijk gesteld. Ook in de burenrelatie van partijen ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
4.1
bepaalt, op de voet van artikel 5:47 BW, dat de erfgrens tussen de percelen gelegen aan de [adres 1] ( [nummer] / [nummer] ) in [plaats] en [adres 2] ( [nummer] / [nummer] ) in [plaats] loopt vanaf de penant (103), gelegen aan de voorzijde van de percelen, schuin in de richting van de garage van [gedaagden c.s] (101) en vanaf dat punt in een rechte lijn tot aan de beschoeiing aan de achterkant van de percelen, zoals aangeduid op de kadastrale kaart die is overgelegd als productie 10 van de dagvaarding, welke kaart als bijlage I aan dit vonnis is gehecht,
4.2
gelast partijen om mee te werken aan een definitieve grensaanwijzing door het Kadaster volgens de hiervoor onder 4.1 bepaalde erfgrens,
4.3
veroordeelt [gedaagden c.s] om aan [eisers c.s] te betalen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten,
4.4
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door L. van 't Hof en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
BIJLAGE I
*I.v.m. mogelijke herleidbaarheid naar personen is de afbeelding verwijderd.*
BIJLAGE II
*I.v.m. mogelijke herleidbaarheid naar personen is de afbeelding verwijderd.*