Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5044

2026-07-22 Bestuursrecht UTR 25/3941
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/3941
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting, ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.656 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/3941


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: [gemachtigde] )


en


de heffingsambtenaar van de gemeente Nieuwegein, verweerder
(gemachtigde: R. Delhez).




Procesverloop


1.1
In de beschikking van 10 maart 2025 met aanslagnummer [nummer] heeft de heffingsambtenaar aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiseres heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.



1.2
Met de uitspraak op bezwaar van 6 juni 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.



1.3
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.



1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 14 juli 2026. Gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.




Overwegingen

2. Op 10 maart 2025 stond het voertuig van eiseres met kenteken [kenteken] geparkeerd op de Bosgors in Nieuwegein, zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag met aanslagnummer [nummer] om 09:33 uur opgelegd.



Ingetrokken beroepsgronden



3. Eiseres voert in haar beroepschrift dat aan zij en haar partner afzonderlijke auto’s naast elkaar hebben geparkeerd. Zij doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat slechts bij één van beide auto’s een naheffingsaanslag is opgelegd. Tijdens de behandeling van het beroep op de zitting heeft eiseres aangegeven inmiddels op de hoogte te zijn van jurisprudentie waaruit volgt dat daar geen consequenties aan verbonden worden. Dit neemt eiseres dan ook voor waar aan. De rechtbank beschouwd deze beroepsgrond op basis van het gestelde op de zitting als ingetrokken en zal hier verder niet over oordelen.



De situatie ter plaatse



4. Eiseres wijst op de bij de beroepsgronden gevoegde foto’s van de situatie ter plaatse en voert aan dat sprake is van een betrekkelijk onoverzichtelijke locatie zonder duidelijke aanduiding van parkeerzones of betalingsverplichting. Er staat geen parkeerautomaat. Eiseres beroept zich op het legaliteitsbeginsel uit artikel 16 van de Grondwet. Regels moeten duidelijk en ondubbelzinnig vaststaan. Vanwege onduidelijke, tegenstrijdige, misleidende en gebrekkige informatievoorziening ter plaatse ontbreekt een rechtsgeldige grondslag voor de naheffingsaanslag. Tijdens de behandeling van het beroep op de zitting heeft eiseres een plattegrond van Google Maps overgelegd, waarop zij de aanrijroute vanaf de A2 via de Koekoekslaan en de Rietgors, de parkeerplek en de door haar gesignaleerde bebording heeft gemarkeerd. Hierbij heeft eiseres onder meer toegelicht dat zij bij het parkeren niet wist in welke zone zij stond. Eiseres is toen via de kortste route (via de Specht) richting het ziekenhuis gelopen waarbij zij heeft aangenomen dat zij zich in zone D2 bevond omdat zij op de eerste kruising borden met de aanduiding “zone D2” en een bord met “zone D1” met een pijl richting de overkant van het water zag.


4.1
De heffingsambtenaar heeft op de zitting aangegeven dat, in tegenstelling tot wat in het verweerschrift staat vermeld, de Bosgors in zijn geheel onder zone D1 valt. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat bij het inrijden van een parkeerzone dit kenbaar wordt gemaakt door middel van een bord met de zone-aanduiding en een dubbele witte streep op het wegdek. Het eerste bord dat eiseres is gepasseerd, is op de Koekoekslaan, vlak voordat eiseres naar de Specht is afgeslagen. Daar begint zone D1. De grens tussen zone D1 en zone D2 bevindt zich op de kruising met de Bosgors, de Specht, de Klauwiersingel en de Matkopsingel. In het verweerschrift geeft de heffingsambtenaar aan dat het bord waar eiseres naar verwijst het bord is dat aangeeft dat achter dat bord zone D2 begint. Nu eiseres dit bord niet heeft gepasseerd, is zij zone D2 ook niet binnengereden. Het bord met de pijl en de aanduiding “zone D1” bij de brug op de Specht verwijst naar de dichtstbijzijnde parkeerautomaat voor iedereen die in zonde D1 staat geparkeerd. Hieruit valt op de maken dat er wel degelijk externe factoren zijn waaruit blijkt dat de parkeerbelasting voor zone D1 verschuldigd is.



4.2
De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen. Naar oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een onduidelijke situatie. Het begin van een zone wordt duidelijk aangegeven met de bebording met de zone-aanduiding en de dubbele witte streep op het wegdek. Dat eiseres haar onjuiste conclusie heeft getrokken op basis van bebording die de verderop gelegen overgang van zone D1 naar zone D2 markeert, maakt dit niet anders. Zij had namelijk wel het bord met de aanduiding “zone D1” gepasseerd, en niet het bord met de aanduiding “zone D2”. Daarnaast wijst de rechtbank op de printscreen van de parkeerapp in de aanvullende gronden, dat door middel van een plattegrond laat zien bij de selectie van een zone, hoe de zonegrens valt. Ook hieruit had eiseres kunnen opmaken dat zij haar auto had geparkeerd in zone D1. De beroepsgronden slagen niet.



De tariefwijziging




5. Eiseres geeft aan dat er sprake was van verschillende tarieven bij zones D1 en D2. Dit was volgens eiseres logisch omdat de ene zone dichter bij het ziekenhuis ligt dan de ander. Eiseres wijst op een recent geplaatste sticker op de parkeerautomaat met de tekst “Let op: tarief en tijden gewijzigd”. De tarieven van parkeerzones D1 en D2 blijken gelijkgetrokken. Deze handelingen bevestigen volgens eiseres dat de heffingsambtenaar zelf de onduidelijke situatie erkent.




5.1

De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de tarieven gelijk zijn getrokken om de parkeerdruk te reguleren en te verlichten. Er was sprake van overlast bij omwonenden.
Het feit dat de gemeenteraad heeft besloten om de tarieven gelijk te trekken, wil niet zeggen dat dit is gedaan om een onduidelijke situatie te verduidelijken. De tariefstelling is de bevoegdheid van de raad en kan om verschillende redenen worden verhoogd. Dit doet volgens de heffingsambtenaar ook niet af aan het feit dat ten tijde van het parkeren het parkeerregime van maart 2025 geldig was. Volgens de heffingsambtenaar is het legaliteitsbeginsel niet geschonden. Parkeerbelasting is verankerd in artikel 225 van de Gemeentewet. De gemeenteraad heeft de belastingverordening, en het college van burgemeester en wethouders het aanwijsbesluit parkeerbelasting op de juiste wijze vastgesteld, bekendgemaakt en gepubliceerd. Hiermee is volgens de heffingsambtenaar voldaan aan het legaliteitsbeginsel.




5.2
De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen. De beroepsgrond slaagt niet.



De hoogte van de naheffingsaanslag




6. Eiseres voert aan dat maatregelen in verhouding moeten staan tot het doel. De sanctie voor een kleine overtreding mag niet hoger zijn dan de ernst van de overtreding rechtvaardigt. Met subsidiariteit moet de overheid het minst ingrijpende middel kiezen om het doel te bereiken. De opgelegde naheffingsaanslag van € 81,20 staat in geen verhouding tot het mogelijke tariefverschil tussen zone D1 en zone D2. De heffingsambtenaar had in redelijkheid kunnen volstaan met het ontbrekende parkeertarief, als al sprake zou zijn van een vergissing. Eiseres beroept zich op het evenredigheidsbeginsel.




6.1
De heffingsambtenaar wijst op artikel 234, derde en vijfde lid, van de Gemeentewet waarin is bepaald hoe de naheffingsaanslag wordt opgebouwd. De naheffingsaanslag heeft een standaard opbouw en deze is hier ook gehanteerd. Van een schending van het evenredigheidsbeginsel is geen sprake als de naheffingsaanslag in overeenstemming met de wet is opgebouwd. Daarbij verwijst de heffingsambtenaar naar de jurisprudentie van de Hoge Raad.



6.2
De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.



De feitcode




7. Eiseres wijst er in de aanvullende gronden op dat op de naheffingsaanslag de verkeerde feitcode vermeld staat. Zij licht toe dat om die reden een boete op basis van feitcode R490B (overtreding van de ‘blauwe zone’) ongegrond is. Tijdens de behandeling van het beroep op de zitting heeft eiseres toegelicht dat zij het geheel heel verwarrend vindt. De onduidelijke parkeersituatie en dan staat er ook nog een verkeerde feitcode op de naheffingsaanslag. Dit draagt niet bij aan de zorgvuldigheid die verwacht mag worden van een heffingsambtenaar.




7.1
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat op de naheffingsaanslag een onjuiste feitcode staat vermeld niet maakt dat de naheffingsaanslag onvoldoende duidelijk was of dat deze niet hoeft te worden voldaan. Eiseres heeft niet gesteld noch is gebleken dat zij door die vermelding niet heeft begrepen dat het ging om een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Ook maakt dit niet dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.





Conclusie en gevolgen


8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Voor vergoeding van proceskosten of het griffierecht is geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. A. De Snoo, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Hoge Raad 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535