Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5041

2026-07-27 Bestuursrecht UTR 26/1068
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-27
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/1068
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk, griffierecht niet betaald. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.588 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 26/1068

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen


[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE)


en




de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: T. Jansen).





Procesverloop


1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser op 2 februari 2026 heeft ingediend
tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar met betrekking tot aanslagnummer [nummer] .



1.1
De zaak is behandeld op de zitting van 20 juli 2026. Gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.




Overwegingen

2. Iemand die een beroep indient moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 54,-.

3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen.

4. De rechtbank heeft eiser op 11 februari 2026 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat eiser het griffierecht binnen twee weken moet betalen aan de rechtbank. De aangetekend verzonden brief is volgens de Track & Trace van PostNL op 23 februari 2026 bij het PostNL-punt afgehaald.

5. Gemachtigde van eiser stelt dat hij de griffierechtnota niet heeft ontvangen. Gemachtigde van eiser stelt zich verder op het standpunt dat de handtekening die onder de Track & Trace staat, niet zijn handtekening is. Voor zijn handtekening heeft hij op zitting gewezen op de handtekening die onder zijn rijbewijs staat.

6. De rechtbank overweegt als volgt. De griffierechtnota is afgehaald op het PostNL-punt op 23 februari 2026 en er is voor ontvangst getekend. De enkele stelling dat de handtekening niet van gemachtigde van eiser is, is onvoldoende om twijfel te zaaien over de vraag of de griffierechtnota de gemachtigde van eiser heeft bereikt. De ontkenning van de gemachtigde dat de handtekening op het afhaalbericht van hem is, laat de mogelijkheid open dat iemand anders namens hem voor ontvangst heeft getekend. Er zijn verder, op de ontkenning van gemachtigde na, geen aanwijzingen dat hij de brief niet zou hebben ontvangen. Aldus acht de rechtbank aannemelijk dat gemachtigde de griffierechtnota heeft ontvangen.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is beroep niet-ontvankelijk. Het beroep zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld.

8. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.




Het verzoek om immateriële schadevergoeding



9. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over zijn belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mensen en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.

10. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar ten aanzien van aanslagnummer [nummer] . Op dit bezwaar is echter al op 2 juni 2025 beslist, de uitspraak op bezwaar is op 13 september 2025 verzonden. Tegen deze uitspraak op bezwaar is door eiser beroep ingesteld (Zaaknummer UTR 25/5296) en in dit beroep is op 1 juli 2026 uitspraak gedaan.

11. In de uitspraak van 1 juli 2026 is ook op het in dat beroep gedane verzoek om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn besloten.

12. Omdat eiser in onderhavige zaak ten onrechte een beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar heeft ingediend, en er in de uitspraak over zaaknummer UTR 25/5296 is beslist op het daarin gedane verzoek om vergoeding van de immateriële schade waarbij de bezwaartermijn is meegenomen, zal de rechtbank in onderhavige zaak alleen beoordelen of de redelijke termijn voor de afhandeling van de beroepsprocedure is overschreden.

13. De redelijke termijn is overschreden als de beroepsfase langer dan 1,5 jaar heeft geduurd.

14. De rechtbank constateert dat sinds de ontvangst van het beroepschrift (2 februari 2026) de redelijke termijn van 1,5 jaar niet is overschreden. De rechtbank wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn dan ook af.



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie ook de vaste jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op dit punt, bijvoorbeeld: ECLI:NL:GHARL:2023:9937.