Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4971
2026-07-24
Bestuursrecht
UTR 25/6620
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wmo, verhuiskostenvergoeding. Het college heeft als voorwaarde mogen stellen dat eiseres moet verhuizen naar een gelijkvloerse woning op de begane grond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2018:819 Centrale Raad van Beroep 21-03-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.102 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6620
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. D.R.M. Ros),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: E. Chahid).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Eiseres is het niet eens met de voorwaarde van het college dat zij moet verhuizen naar een gelijkvloerse woning op de begane grond.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college deze voorwaarde heeft mogen stellen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wmo. Het college heeft de verhuiskostenvergoeding met het besluit van 9 april 2025 toegewezen voor de periode van tot en met 10 april 2026 (het primaire besluit).
2.1.
Met het besluit van 2 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, Fajer als tolk en de gemachtigde van het college.
2.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is bekend met meerdere medische aandoeningen zoals artrose , diabetes type 2, slaapapneu, obesitas en jichtaanvallen. Daarnaast heeft zij psychiatrische aandoening waardoor zij beperkt wordt in het sociaal en persoonlijk functioneren. Eiseres woont in een appartement op de derde verdieping in een complex zonder lift. Het appartement is niet geschikt voor haar situatie. Zij kwam eerder, in 2022, in aanmerking voor een verhuiskostenvergoeding. Omdat zij geen passende woning heeft kunnen vinden is de toekenning, met een geldigheidsduur van één jaar, komen te vervallen. Zij heeft op 18 december 2024 opnieuw een aanvraag ingediend voor een verhuiskostenvergoeding.
3.1.
Het college heeft met het primaire besluit een verhuiskostenvergoeding van € 3445,00 toegekend en voorwaarden gesteld waar de nieuwe woning aan moet voldoen. De nieuwe woning moet een zelfstandige, gelijkvloerse woning op de begane grond zijn of een woning waarbij alle ruimtes waar eiseres gebruik van maakt zich op de begane grond bevinden of een appartement, die direct bereikbaar is met een lift. Een woning met een traplift is niet geschikt.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft het college de voorwaarde dat een huis met een lift passend is, niet gehandhaafd. De voorwaarde dat eiseres moet verhuizen naar een gelijkvloerse woning heeft het college wel gehandhaafd. Het college stelt zich op het standpunt dat een woning met één trap op dit moment passend is voor eiseres. Gelet op de beperkingen van eiseres is het echter voorzienbaar dat zij in de toekomst dan een traplift zal moeten gebruiken. Het verhuizen naar een woning met een trap behoort daarmee niet tot de goedkoopst adequate oplossing volgens het college. Eiseres heeft in bezwaar aangevoerd dat zij, ondanks de inschrijftijd van ruim 22 jaar bij Woningnet, geen passende woning kan vinden. Eiseres heeft aangegeven dat er wel woningen zijn geweest waar voor zij in aanmerking kwam maar dat zij deze om haar moverende redenen heeft afgewezen. Zij heeft niet met stukken onderbouwd dat dit geen passende woningen voor haar zouden zijn. Het college volgt dit daarom niet.
Het oordeel van de rechtbank
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres een verhuiskostenvergoeding nodig heeft en daar ook recht op heeft. De vraag is of het college hieraan de voorwaarde heeft kunnen verbinden dat het gaat om gelijkvloerse woning op de begane grond.
4.1.
Van een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten kan alleen sprake zijn bij een door de gemeente, in het kader van de Wmo, opgelegde verplichting om te verhuizen naar een passende woning.
4.2.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college de voorwaarde, dat eiseres moet verhuizen naar een gelijkvloerse woning op de begane grond, ten onrechte heeft gehandhaafd. Zij voert aan dat deze voorwaarde haar verhindert om gebruik te maken van de toegekende maatwerkvoorziening. In 2022 is haar eerder een verhuiskostenvergoeding toegekend, deze vergoeding is komen te vervallen omdat zij geen passende woning kon vinden. Dat is volgens eiseres ook nu het geval. Daarnaast stelt eiseres dat het dat het college te stellig is in haar conclusie dat er in de toekomst een traplift geïnstalleerd zal moeten worden. De fysiotherapeut van eiseres heeft echter aangegeven dat het functioneel kan zijn om naar een woning te verhuizen waarin het mogelijk is om een traplift te installeren. Daarnaast schrijft de fysiotherapeut dat het traplopen de spierconditie versterkt en een woning met één trap eiseres stimuleert om meer naar buiten te gaan en te bewegen. De huisarts van eiseres heeft aangegeven dat eiseres gebaat is bij een woning met minder trappen en dat het medisch niet noodzakelijk is dat zij naar een gelijkvloerse woning op de begane grond verhuist.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over een maatwerkvoorziening van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. De CRvB heeft daarvoor een stappenplan opgesteld. Zo moet het college bij een melding eerst de hulpvraag vaststellen (stap 1). Daarna moet het college vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Als die problemen voldoende concreet in kaart worden gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren in die zelfredzaamheid of participatie of het kunnen redden in de samenleving (stap 3). Tot slot moet het college onderzoeken in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp kunnen bieden (stap 4). Alleen als die mogelijkheden onvoldoende toereikend zijn, wordt er een maatwerkvoorziening verleend.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat het college de aanvraag heeft beoordeeld aan de hand van het stappenplan CRvB. Tussen partijen is enkel in geschil of het college in het kader van stap 3 als voorwaarde heeft mogen stellen het college dat eiseres moet verhuizen naar een gelijkvloerse woning op de begane grond. De rechtbank overweegt dat het college bij het verlenen van een maatwerkvoorziening rekening mag houden met de goedkoopst adequate oplossing en in dat kader voorwaarden mag stellen aan de toekenning van een verhuiskostenvergoeding. Het college heeft mogen betrekken dat is gebleken dat op dit moment een woning met één trap een passende woning is, maar ook dat de fysiotherapeut van eiseres heeft medegedeeld dat het functioneel kan zijn om te kijken naar een woning met mogelijkheden voor het installeren van een traplift, wonen op een lagere verdieping of waar een lift aanwezig is. Gelet hierop heeft het college niet ten onrechte geconcludeerd dat een woning met één trap niet toekomstbestendig is en dan ook niet de goedkoopst adequate oplossing. Daarnaast heeft eiseres niet onderbouwd dat de aan de verhuiskostenvergoeding gestelde voorwaarde het niet mogelijk maakt om een passende woning te vinden. Zoals het college heeft gesteld heeft zij niet met stukken onderbouwd dat de door haar afgewezen woningen niet passend zijn. Dat eiseres in de toekomst zelf, danwel met behulp van familieleden, een traplift wil bekostigen, heeft het college niet hoeven volgen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college als voorwaarde heeft mogen stellen het college dat eiseres moet verhuizen naar een gelijkvloerse woning op de begane grond. Het beroep slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit de uitspraak van de CRvB van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6620
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. D.R.M. Ros),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: E. Chahid).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Eiseres is het niet eens met de voorwaarde van het college dat zij moet verhuizen naar een gelijkvloerse woning op de begane grond.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college deze voorwaarde heeft mogen stellen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wmo. Het college heeft de verhuiskostenvergoeding met het besluit van 9 april 2025 toegewezen voor de periode van tot en met 10 april 2026 (het primaire besluit).
2.1.
Met het besluit van 2 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, Fajer als tolk en de gemachtigde van het college.
2.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is bekend met meerdere medische aandoeningen zoals artrose , diabetes type 2, slaapapneu, obesitas en jichtaanvallen. Daarnaast heeft zij psychiatrische aandoening waardoor zij beperkt wordt in het sociaal en persoonlijk functioneren. Eiseres woont in een appartement op de derde verdieping in een complex zonder lift. Het appartement is niet geschikt voor haar situatie. Zij kwam eerder, in 2022, in aanmerking voor een verhuiskostenvergoeding. Omdat zij geen passende woning heeft kunnen vinden is de toekenning, met een geldigheidsduur van één jaar, komen te vervallen. Zij heeft op 18 december 2024 opnieuw een aanvraag ingediend voor een verhuiskostenvergoeding.
3.1.
Het college heeft met het primaire besluit een verhuiskostenvergoeding van € 3445,00 toegekend en voorwaarden gesteld waar de nieuwe woning aan moet voldoen. De nieuwe woning moet een zelfstandige, gelijkvloerse woning op de begane grond zijn of een woning waarbij alle ruimtes waar eiseres gebruik van maakt zich op de begane grond bevinden of een appartement, die direct bereikbaar is met een lift. Een woning met een traplift is niet geschikt.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft het college de voorwaarde dat een huis met een lift passend is, niet gehandhaafd. De voorwaarde dat eiseres moet verhuizen naar een gelijkvloerse woning heeft het college wel gehandhaafd. Het college stelt zich op het standpunt dat een woning met één trap op dit moment passend is voor eiseres. Gelet op de beperkingen van eiseres is het echter voorzienbaar dat zij in de toekomst dan een traplift zal moeten gebruiken. Het verhuizen naar een woning met een trap behoort daarmee niet tot de goedkoopst adequate oplossing volgens het college. Eiseres heeft in bezwaar aangevoerd dat zij, ondanks de inschrijftijd van ruim 22 jaar bij Woningnet, geen passende woning kan vinden. Eiseres heeft aangegeven dat er wel woningen zijn geweest waar voor zij in aanmerking kwam maar dat zij deze om haar moverende redenen heeft afgewezen. Zij heeft niet met stukken onderbouwd dat dit geen passende woningen voor haar zouden zijn. Het college volgt dit daarom niet.
Het oordeel van de rechtbank
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres een verhuiskostenvergoeding nodig heeft en daar ook recht op heeft. De vraag is of het college hieraan de voorwaarde heeft kunnen verbinden dat het gaat om gelijkvloerse woning op de begane grond.
4.1.
Van een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten kan alleen sprake zijn bij een door de gemeente, in het kader van de Wmo, opgelegde verplichting om te verhuizen naar een passende woning.
4.2.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college de voorwaarde, dat eiseres moet verhuizen naar een gelijkvloerse woning op de begane grond, ten onrechte heeft gehandhaafd. Zij voert aan dat deze voorwaarde haar verhindert om gebruik te maken van de toegekende maatwerkvoorziening. In 2022 is haar eerder een verhuiskostenvergoeding toegekend, deze vergoeding is komen te vervallen omdat zij geen passende woning kon vinden. Dat is volgens eiseres ook nu het geval. Daarnaast stelt eiseres dat het dat het college te stellig is in haar conclusie dat er in de toekomst een traplift geïnstalleerd zal moeten worden. De fysiotherapeut van eiseres heeft echter aangegeven dat het functioneel kan zijn om naar een woning te verhuizen waarin het mogelijk is om een traplift te installeren. Daarnaast schrijft de fysiotherapeut dat het traplopen de spierconditie versterkt en een woning met één trap eiseres stimuleert om meer naar buiten te gaan en te bewegen. De huisarts van eiseres heeft aangegeven dat eiseres gebaat is bij een woning met minder trappen en dat het medisch niet noodzakelijk is dat zij naar een gelijkvloerse woning op de begane grond verhuist.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over een maatwerkvoorziening van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. De CRvB heeft daarvoor een stappenplan opgesteld. Zo moet het college bij een melding eerst de hulpvraag vaststellen (stap 1). Daarna moet het college vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Als die problemen voldoende concreet in kaart worden gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren in die zelfredzaamheid of participatie of het kunnen redden in de samenleving (stap 3). Tot slot moet het college onderzoeken in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp kunnen bieden (stap 4). Alleen als die mogelijkheden onvoldoende toereikend zijn, wordt er een maatwerkvoorziening verleend.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat het college de aanvraag heeft beoordeeld aan de hand van het stappenplan CRvB. Tussen partijen is enkel in geschil of het college in het kader van stap 3 als voorwaarde heeft mogen stellen het college dat eiseres moet verhuizen naar een gelijkvloerse woning op de begane grond. De rechtbank overweegt dat het college bij het verlenen van een maatwerkvoorziening rekening mag houden met de goedkoopst adequate oplossing en in dat kader voorwaarden mag stellen aan de toekenning van een verhuiskostenvergoeding. Het college heeft mogen betrekken dat is gebleken dat op dit moment een woning met één trap een passende woning is, maar ook dat de fysiotherapeut van eiseres heeft medegedeeld dat het functioneel kan zijn om te kijken naar een woning met mogelijkheden voor het installeren van een traplift, wonen op een lagere verdieping of waar een lift aanwezig is. Gelet hierop heeft het college niet ten onrechte geconcludeerd dat een woning met één trap niet toekomstbestendig is en dan ook niet de goedkoopst adequate oplossing. Daarnaast heeft eiseres niet onderbouwd dat de aan de verhuiskostenvergoeding gestelde voorwaarde het niet mogelijk maakt om een passende woning te vinden. Zoals het college heeft gesteld heeft zij niet met stukken onderbouwd dat de door haar afgewezen woningen niet passend zijn. Dat eiseres in de toekomst zelf, danwel met behulp van familieleden, een traplift wil bekostigen, heeft het college niet hoeven volgen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college als voorwaarde heeft mogen stellen het college dat eiseres moet verhuizen naar een gelijkvloerse woning op de begane grond. Het beroep slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit de uitspraak van de CRvB van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.