Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4970
2026-07-24
Bestuursrecht
UTR 25/6953
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wmo, hulphond, Wlz voorliggende voorziening. Het college heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en/of participatie van eiseres. Ook heeft het college niet onderzocht of eiseres inderdaad met een uitbreinding van het aantal uren individuele begeleiding voldoende wordt gecompenseerd.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2026:620 Centrale Raad van Beroep 20-05-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.363 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6953
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: J. Otten en drs. E.H. Siemeling).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een vergoeding van de kosten voor een opleiding van een hulphond op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 1 mei 2025 een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 bestaande uit vergoeding voor een opleiding van een (psychosociale) hulphond in de vorm van een persoonsgebonden budget. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 24 juni 2025 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 5 november 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door [deskundige] (hierna: [deskundige] ) als deskundige en de gemachtigde van het college.
2.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is bekend met diverse psychische aandoeningen en beperkingen waaronder PTSS, dissociatieve stoornis en psychogene (functionele) niet-epileptische aanvallen. Zij heeft een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor 24-uurs zorg in een begeleid wonen-vorm en individuele begeleiding. Eiseres vraagt begeleiding bij de dagelijkse structuur, veiligheid buitenshuis en omgaan met restklachten ondersteund door een hulphond en wil daarvoor [instelling] inzetten. De aanvraag van eiseres wordt onderschreven vanuit [instelling] , door [A] , GZ-psycholoog.
4. Het Buurtteam Sociaal (het Buurtteam) heeft een maatwerkvoorzieningenplan opgesteld waarin onder meer is vermeld dat de woonvorm van eiseres niet goed aansluit bij haar GGZ-problematiek en de huidige situatie terugkerende crises, sociale isolatie en sterk beperkende zelfstandigheid meebrengt. Eiseres is onder behandeling bij [instelling] (trauma en psychomotorische therapie). Het Buurtteam heeft geen medisch advies gevraagd.
4.1.
De volgende doelen zijn door het Buurtteam vastgesteld:
- dat eiseres zich veilig buitenshuis kan begeven waardoor haar zelfredzaamheid en participatie vergroot worden: 3 uur per week voor 24 maanden;
- het tijdig kunnen signaleren van crisissen waardoor eiseres stabieler is in haar psychisch functioneren: 3 uur per week voor 24 maanden.
4.2.
Het Buurtteam heeft in het maatwerkvoorzieningenplan opgenomen dat eiseres gebaat is bij ondersteuning van de gestelde doelen en dat niet enkel een (hulp)hond maar ook individuele begeleiding daar aan kan bijdragen. Dat eiseres is uitbehandeld betekent volgens het college niet dat zij is uitgeleerd. Eiseres heeft een Wlz-indicatie waardoor zij aanspraak kan maken op een vergoeding voor de individuele begeleiding op grond van de Wlz-indicatie. Het buurtteam heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres voor het behalen van de gestelde doelen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen zijnde uitbreiding van het aantal uren individuele begeleiding op grond van de Wlz. Het Buurtteam verwacht dat bij een inzet van 6 uur individuele begeleiding eiseres voldoende kan participeren en mogelijke crisissen kunnen worden voorkomen.
5. Het college legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat uit het maatwerkvoorzieningenplan blijkt dat eiseres gebaat is bij ondersteuning voor het behalen van de hiervoor in 4.1. genoemde doelen, maar dat ook individuele begeleiding daaraan kan bijdragen, mogelijk in plaats van een hulphond. Eiseres is gebaat bij 6 uur per week aan individuele begeleiding om de gestelde doelen te behalen, maar ontvangt slechts 2 keer 20 minuten individuele begeleiding per week. Volgens het college kan eiseres een uitbreiding van het haar op grond van de Wlz toegekende aantal uren aanvragen. Het college concludeert dat de inzet van individuele begeleiding vanuit de Wlz-indicatie voorliggend is op een voorziening vanuit de Wmo.
Standpunten van eiseres
6. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat individuele begeleiding niet te vergelijken is met een hulphond. Begeleiding is er alleen op vaste momenten en een hulphond is altijd aanwezig. Een hulphond kan eiseres vroegtijdig uit dissociaties halen en spanning signaleren voordat zij zelf realiseert dat het niet goed met haar gaat. Met een hulphond kan eiseres ook meer zelfstandigheid verkrijgen, omdat zij daarmee veilig op pad kan en een opleiding kan gaan volgen. Met begeleiding kan dat niet, omdat die niet continue aanwezig is. Met een hulphond kan eiseres ook de begeleiding op langere termijn afbouwen en in de toekomst misschien zelfstandig wonen met ambulante begeleiding. Tijdens de zitting heeft [deskundige] namens eiseres aangevoerd en toegelicht dat het onderzoek onzorgvuldig en onvolledig is geweest en het college te snel heeft geconcludeerd dat de Wlz een voorliggende voorziening is die de nodige hulp en ondersteuning kan bieden.
Toetsingskader
7. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo voortvloeit dat het college voldoende kennis moet vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 3). Vervolgens moet het onderzoek er op gericht zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank stelt vast dat de te beoordelen periode loopt van 1 mei 2025 (datum aanvraag) tot en met 5 november 2025 (datum bestreden besluit).
9. Het geschil tussen partijen ziet op beantwoording van de vraag of het college voldoende heeft onderzocht welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van eiseres (stap 3) en in hoeverre voorliggende voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4).
10. De rechtbank stelt voorop dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een duidelijke scheiding in zorg en verantwoordelijkheid aan te brengen tussen de Wlz en de Wmo. In de Wmo is bepaald dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren indien een cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz of daarvoor in aanmerking zou kunnen komen. Het staat het college wel vrij om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo te verstrekken als dat als het meest aangewezen wordt ervaren.
11. In zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of de participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en/of de participatie, is het college niet alleen bevoegd maar ook gehouden om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken.
12. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres aanspraak maakt op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt kunnen stellen dat het in principe niet gehouden is om een maatwerkvoorziening toe te kennen. Het college heeft echter wel de bevoegdheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken en het heeft daarbij een zeer ruime beslissingsruimte. Indien het tot een geschil over de toepassing van deze bevoegdheid komt, zal de bestuursrechter beoordelen of het college, bij afweging van de rechtstreeks betrokken belangen, in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en/of participatie van eiseres. Daarnaast is er onvoldoende onderzoek verricht naar of en in hoeverre voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kan bieden. Het college heeft namelijk, zonder daar een zorgvuldig (medisch) onderzoek aan ten grondslag te leggen gesteld dat eiseres weliswaar is uitbehandeld maar dat dat niet betekent dat zij is uitgeleerd alsmede dat eiseres gebaat is bij 6 uur per week aan individuele begeleiding om de gestelde doelen te behalen en dat zij een uitbreiding van de uren op grond van de Wlz kan aanvragen. Hierbij heeft het college bij de beoordeling van stap 3 van het stappenplan – enkel - verwezen naar de Wlz als voorliggende voorziening. Uit het stappenplan volgt echter dat eerst moet worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie en vervolgens of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Het college heeft niet onderzocht of eiseres – inderdaad - met uitbreiding van het aantal uren voor individuele begeleiding voldoende wordt gecompenseerd in haar beperkingen in zelfredzaamheid en participatie. Dat had het college wel had moeten doen. De beroepsgrond slaagt.
12.2.
Het voorgaande betekent dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep slaagt. Het college zal alsnog moeten beoordelen of in het geval van eiseres een noodzakelijke begeleidingsbehoefte in de zelfredzaamheid en bij participatie kan worden vastgesteld, die door vergroting van het aantal uren aan individuele begeleiding op grond van de Wlz wordt gedekt, en of in de omstandigheden van het geval aanleiding wordt gezien om daarin door middel van een maatwerkvoorziening te voorzien.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 5 november 2025;
- draagt het college op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 2.3.5, zesde lid van de Wmo.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:620.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6953
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: J. Otten en drs. E.H. Siemeling).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een vergoeding van de kosten voor een opleiding van een hulphond op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 1 mei 2025 een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 bestaande uit vergoeding voor een opleiding van een (psychosociale) hulphond in de vorm van een persoonsgebonden budget. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 24 juni 2025 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 5 november 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door [deskundige] (hierna: [deskundige] ) als deskundige en de gemachtigde van het college.
2.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is bekend met diverse psychische aandoeningen en beperkingen waaronder PTSS, dissociatieve stoornis en psychogene (functionele) niet-epileptische aanvallen. Zij heeft een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor 24-uurs zorg in een begeleid wonen-vorm en individuele begeleiding. Eiseres vraagt begeleiding bij de dagelijkse structuur, veiligheid buitenshuis en omgaan met restklachten ondersteund door een hulphond en wil daarvoor [instelling] inzetten. De aanvraag van eiseres wordt onderschreven vanuit [instelling] , door [A] , GZ-psycholoog.
4. Het Buurtteam Sociaal (het Buurtteam) heeft een maatwerkvoorzieningenplan opgesteld waarin onder meer is vermeld dat de woonvorm van eiseres niet goed aansluit bij haar GGZ-problematiek en de huidige situatie terugkerende crises, sociale isolatie en sterk beperkende zelfstandigheid meebrengt. Eiseres is onder behandeling bij [instelling] (trauma en psychomotorische therapie). Het Buurtteam heeft geen medisch advies gevraagd.
4.1.
De volgende doelen zijn door het Buurtteam vastgesteld:
- dat eiseres zich veilig buitenshuis kan begeven waardoor haar zelfredzaamheid en participatie vergroot worden: 3 uur per week voor 24 maanden;
- het tijdig kunnen signaleren van crisissen waardoor eiseres stabieler is in haar psychisch functioneren: 3 uur per week voor 24 maanden.
4.2.
Het Buurtteam heeft in het maatwerkvoorzieningenplan opgenomen dat eiseres gebaat is bij ondersteuning van de gestelde doelen en dat niet enkel een (hulp)hond maar ook individuele begeleiding daar aan kan bijdragen. Dat eiseres is uitbehandeld betekent volgens het college niet dat zij is uitgeleerd. Eiseres heeft een Wlz-indicatie waardoor zij aanspraak kan maken op een vergoeding voor de individuele begeleiding op grond van de Wlz-indicatie. Het buurtteam heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres voor het behalen van de gestelde doelen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen zijnde uitbreiding van het aantal uren individuele begeleiding op grond van de Wlz. Het Buurtteam verwacht dat bij een inzet van 6 uur individuele begeleiding eiseres voldoende kan participeren en mogelijke crisissen kunnen worden voorkomen.
5. Het college legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat uit het maatwerkvoorzieningenplan blijkt dat eiseres gebaat is bij ondersteuning voor het behalen van de hiervoor in 4.1. genoemde doelen, maar dat ook individuele begeleiding daaraan kan bijdragen, mogelijk in plaats van een hulphond. Eiseres is gebaat bij 6 uur per week aan individuele begeleiding om de gestelde doelen te behalen, maar ontvangt slechts 2 keer 20 minuten individuele begeleiding per week. Volgens het college kan eiseres een uitbreiding van het haar op grond van de Wlz toegekende aantal uren aanvragen. Het college concludeert dat de inzet van individuele begeleiding vanuit de Wlz-indicatie voorliggend is op een voorziening vanuit de Wmo.
Standpunten van eiseres
6. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat individuele begeleiding niet te vergelijken is met een hulphond. Begeleiding is er alleen op vaste momenten en een hulphond is altijd aanwezig. Een hulphond kan eiseres vroegtijdig uit dissociaties halen en spanning signaleren voordat zij zelf realiseert dat het niet goed met haar gaat. Met een hulphond kan eiseres ook meer zelfstandigheid verkrijgen, omdat zij daarmee veilig op pad kan en een opleiding kan gaan volgen. Met begeleiding kan dat niet, omdat die niet continue aanwezig is. Met een hulphond kan eiseres ook de begeleiding op langere termijn afbouwen en in de toekomst misschien zelfstandig wonen met ambulante begeleiding. Tijdens de zitting heeft [deskundige] namens eiseres aangevoerd en toegelicht dat het onderzoek onzorgvuldig en onvolledig is geweest en het college te snel heeft geconcludeerd dat de Wlz een voorliggende voorziening is die de nodige hulp en ondersteuning kan bieden.
Toetsingskader
7. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo voortvloeit dat het college voldoende kennis moet vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 3). Vervolgens moet het onderzoek er op gericht zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank stelt vast dat de te beoordelen periode loopt van 1 mei 2025 (datum aanvraag) tot en met 5 november 2025 (datum bestreden besluit).
9. Het geschil tussen partijen ziet op beantwoording van de vraag of het college voldoende heeft onderzocht welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van eiseres (stap 3) en in hoeverre voorliggende voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4).
10. De rechtbank stelt voorop dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een duidelijke scheiding in zorg en verantwoordelijkheid aan te brengen tussen de Wlz en de Wmo. In de Wmo is bepaald dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren indien een cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz of daarvoor in aanmerking zou kunnen komen. Het staat het college wel vrij om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo te verstrekken als dat als het meest aangewezen wordt ervaren.
11. In zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of de participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en/of de participatie, is het college niet alleen bevoegd maar ook gehouden om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken.
12. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres aanspraak maakt op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt kunnen stellen dat het in principe niet gehouden is om een maatwerkvoorziening toe te kennen. Het college heeft echter wel de bevoegdheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken en het heeft daarbij een zeer ruime beslissingsruimte. Indien het tot een geschil over de toepassing van deze bevoegdheid komt, zal de bestuursrechter beoordelen of het college, bij afweging van de rechtstreeks betrokken belangen, in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en/of participatie van eiseres. Daarnaast is er onvoldoende onderzoek verricht naar of en in hoeverre voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kan bieden. Het college heeft namelijk, zonder daar een zorgvuldig (medisch) onderzoek aan ten grondslag te leggen gesteld dat eiseres weliswaar is uitbehandeld maar dat dat niet betekent dat zij is uitgeleerd alsmede dat eiseres gebaat is bij 6 uur per week aan individuele begeleiding om de gestelde doelen te behalen en dat zij een uitbreiding van de uren op grond van de Wlz kan aanvragen. Hierbij heeft het college bij de beoordeling van stap 3 van het stappenplan – enkel - verwezen naar de Wlz als voorliggende voorziening. Uit het stappenplan volgt echter dat eerst moet worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie en vervolgens of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Het college heeft niet onderzocht of eiseres – inderdaad - met uitbreiding van het aantal uren voor individuele begeleiding voldoende wordt gecompenseerd in haar beperkingen in zelfredzaamheid en participatie. Dat had het college wel had moeten doen. De beroepsgrond slaagt.
12.2.
Het voorgaande betekent dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep slaagt. Het college zal alsnog moeten beoordelen of in het geval van eiseres een noodzakelijke begeleidingsbehoefte in de zelfredzaamheid en bij participatie kan worden vastgesteld, die door vergroting van het aantal uren aan individuele begeleiding op grond van de Wlz wordt gedekt, en of in de omstandigheden van het geval aanleiding wordt gezien om daarin door middel van een maatwerkvoorziening te voorzien.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 5 november 2025;
- draagt het college op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 2.3.5, zesde lid van de Wmo.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:620.