Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4966
2026-05-29
Bestuursrecht
UTR 26/2123
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanvraag urgentie vanwege dreigende dakloosheid met minderjarige kinderen afgewezen. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college geen toepassing hoeft te geven aan de hardheidsclausule en dat de afwijzing niet in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens of artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Het beroep is dus ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6769 Rechtbank Midden-Nederland 10-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2021:328 Raad van State 17-02-2021
- ECLI:NL:RVS:2023:817 Raad van State 01-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:4259 Raad van State 15-11-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.739 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/2123 en 26/2125
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. Yildirim),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
(gemachtigden: drs. mr. E.H. Siemeling en mevr. M.T.A van Uden).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring vanwege dreigende dakloosheid van haar en haar kinderen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college geen toepassing hoeft te geven aan de hardheidsclausule en dat de afwijzing niet in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) of artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring vanwege dreigende dakloosheid voor haar en haar kinderen. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 april 2025 afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 maart 2026 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiseres heeft op 6 november 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het beroep op 10 december 2025 gegrond verklaard en bepaald dat het college binnen vier weken een nieuw besluit moet nemen.
4. Het college heeft op 9 maart 2026 een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres genomen, en is daarmee bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
4.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er voorafgaande aan deze procedure gebeurd?
5. In de uitspraak van 10 december 2025 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het college de situatie - waarin de kinderen van eiseres zich bevinden - onvoldoende kenbaar heeft meegewogen door er alleen op te wijzen dat zij een dak boven hun hoofd hebben. Daarbij heeft de voorzieningenrechter gewezen op de omstandigheid dat eiseres met haar twee minderjarige kinderen verblijft in de studio van haar meerderjarige dochter. Ook heeft de voorzieningenrechter gewezen op een beschikking van de kinderrechter waarin expliciet is vermeld dat de huidige woonsituatie niet in hun belang is. In rechtsoverweging 17 heeft de voorzieningenrechter vervolgens bepaald dat:
‘het college opnieuw moet beoordelen of er aanleiding is om de hardheidsclausule toe te passen en of sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM. De belangen van de kinderen moeten duidelijk worden meegewogen naar de huidige stand van zaken. Zo moet er bijvoorbeeld aandacht zijn voor de huidige woonsituatie van de kinderen, de sommatie aan eiseres om de woning waar zij nu samen met haar twee kinderen verblijft per 23 december 2025 te verlaten, waardoor een uithuisplaatsing mogelijk weer op tafel ligt en alle overige omstandigheden die de kinderen betreffen.’’
6. Na de uitspraak van 10 december 2025 heeft het college contact opgenomen met het Buurtteam. Vanuit het Buurtteam is eiseres begeleid door twee medewerkers met een expertise in multi-problematiek, vanwege haar verleden. Vervolgens is aan eiseres een maatwerkoplossing aangeboden na een intake bij de [instelling] . De [instelling] verzorgt namens de gemeente alle vormen van opvang, en zijn hierin gespecialiseerd. Het aanbod bestond uit drie stappen:
“Stap 1) aan belanghebbende zal via City deal een tijdelijke oplossing (woning inclusief
begeleiding) voor haar en haar twee minderjarige kinderen worden aangeboden voor
maximaal 1 jaar. Dit omdat er niet direct plaats is in de kortdurende opvang.
Stap 2) kortdurende opvang totdat de Regionale Toegang een daarvoor passende indicatie
heeft afgegeven en er ruimte is om door te stromen naar de vervolglocatie. Ten tijde van de
kortdurende opvang kan al begonnen worden met de gezinsbegeleiding.
Stap 3) Maatschappelijke opvang, beschermd verblijf wordt op dit moment als passend
gezien. Belanghebbende kan daar samen met haar kinderen wonen met langdurige
begeleiding. Op de locatie is een kantoor aanwezig waardoor begeleiding, indien
noodzakelijk, altijd in de nabijheid is.”
7. Daarbij diende eiseres zich aan een aantal – voor een ieder in de opvang geldende – voorwaarden te houden, waaronder het formuleren van hulpverlenersdoelen, het voeren van (minimaal) wekelijks overleg met de gezinsbegeleider en het voeren van wekelijkse kindgesprekken. Het college heeft op de zitting nog toegelicht dat de maatschappelijke opvang, met beschermd verblijf, een [instelling] zou zijn in de vorm van een woning – waarschijnlijk appartement – waar eiseres alleen zou komen te wonen met haar kinderen. Ook is toegelicht dat eiseres al 9 jaar staat ingeschreven op de wachtlijst voor een sociale huurwoning en dat zij deze inschrijftijd zou blijven behouden op het moment dat ze het aanbod van de [instelling] accepteert. Dit – of de mogelijkheid dat de [instelling] uiteindelijk urgentie op maatschappelijke gronden voor eiseres aanvraagt – vormt volgens het college ook een uitstroom perspectief om uiteindelijk zelfstandig te gaan wonen. Verder heeft het college zowel in het bestreden besluit als op de zitting benadrukt dat het uitgangspunt van dit nadere onderzoek en aanbod, het voorkomen van dakloosheid was, voor eiseres en haar minderjarige kinderen.
8. Eiseres heeft het aanbod niet geaccepteerd. Eiseres is vervolgens met haar twee kinderen bij haar meerderjarige dochter in de studio blijven wonen. Bij brief van 20 februari 2026 heeft de verhuurder Woonin laten weten dat eiseres en haar kinderen niet langer in de studio mogen wonen, omdat de studio is bestemd voor één persoon. Woonin heeft eiseres tot 20 maart 2026 gegeven om de studio te verlaten. Na overleg met Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming heeft Woonin besloten dat de twee minderjarige kinderen van eiseres voorlopig bij haar meerderjarige dochter in de studio mogen blijven, mits er op korte termijn een plan voor een duurzame oplossing komt. Moeder verblijft sindsdien in een crisisopvang en mag ook niet in de studio komen. De kinderrechter heeft de minderjarige kinderen op 23 maart 2026 onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en een machtiging afgegeven om de kinderen voor de duur van vier weken uit huis te plaatsen (bij hun meerderjarige zus). Eiseres heeft hierna aangegeven alsnog bereid te zijn
een aanbod van de [instelling] te accepteren, ook in de vorm van beschermd verblijf. De [instelling] heeft echter aangegeven dat een nieuwe aanmelding op dit moment niet meer mogelijk is.
Het standpunt van eiseres
9. Eiseres brengt naar voren dat zij destijds in de veronderstelling was dat zij een aanbod zou krijgen voor maatschappelijke opvang die voorziet in begeleid wonen met zicht op uitstroom. Volgens eiseres ontbreekt dit perspectief bij het gedane aanbod, als gevolg waarvan er geen uitzicht bestaat op zelfstandigheid. Ook vindt zij beschermd verblijf niet passend bij haar situatie. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat opvang in beschermd verblijf volgens haar betekent dat zij en haar kinderen opgevangen worden in een omgeving waar voornamelijk daklozen mensen wonen en waar problematiek speelt rondom psychische klachten en drugs. Zij heeft daarom het aanbod niet geaccepteerd. Verder ziet zij het ook niet zitten om weer een begeleidingstraject te moeten volgen. Eiseres staat wel open voor gezinsbegeleiding, maar wenst verder geen bemoeienis van hulpinstanties. Zij wil graag zelfstandig wonen.
10. Eiseres stelt verder dat de gevolgen van de weigering van de urgentieverklaring niet in verhouding staan tot de met het besluit beoogde doelen. Volgens eiseres is het besluit dus in strijd met het evenredigheidsbeginsel en heeft het college onvoldoende onderbouwd waarom geen toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule. In het bestreden besluit ontbreekt volgens eiseres ook een concrete beoordeling van de vraag of de weigering van een urgentieverklaring in deze specifieke situatie een onevenredige inbreuk vormt op het gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM, van eiseres en haar kinderen. Verder volgt uit artikel 3 van het IVRK dat het belang van het kind een eerste overweging moet vormen bij besluiten die kinderen raken. Ook deze belangen zijn volgens eiseres onvoldoende kenbaar meegewogen. In dat kader wijst eiseres erop dat de huidige woonsituatie van de kinderen negatieve gevolgen heeft voor hun welzijn en ontwikkeling en dat het in hun belang is dat zij met hun moeder in een stabiele woonomgeving kunnen verblijven. Alle reguliere mogelijkheden voor huisvesting zijn inmiddels uitgeput, waardoor er feitelijk geen perspectief bestaat op herstel van het gezinsleven. Nu de kinderen uit huis zijn geplaatst rust er volgens eiseres op de overheid een positieve verplichting om het gezin te ondersteunen en bijeen te houden. Daarbij wijst eiseres op het arrest Wallová en Walla/Tsjechië van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
De omvang van het geding en het toetsingskader
11. De voorzieningenrechter stelt vast dat alleen in geschil is of het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule, zoals neergelegd in artikel 72 van de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht en of het college vanwege artikel 8 van het EVRM of artikel 3 van het IVRK aanleiding had moeten zien om de urgentie te verstrekken.
12. Op grond van artikel 72 van de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht is het college bevoegd om af te wijken van de regels in de Huisvestingsverordening. Dit is mogelijk in uitzonderlijke gevallen waarin de toepassing van een regel in de Huisvestingsverordening tot een bijzondere hardheid leidt. Bij het toepassen van deze hardheidsclausule heeft het college beleidsruimte. De toepassing van deze bevoegdheid wordt daarom door de voorzieningenrechter terughoudend getoetst. Uit de toelichting bij deze bepaling kan worden opgemaakt dat de hardheidsclausule alleen wordt toegepast bij levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situaties.
13. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat artikel 8 van het EVRM als doel heeft dat het individu beschermd wordt tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Aan het effectief respecteren daarvan kunnen positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. In dat verband moet worden beoordeeld of in het besluit om een urgentieaanvraag af te wijzen een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van het individu en het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling.
14. Ten aanzien van het beroep op artikel 3 van het IVRK is van belang dat dit artikel rechtstreekse werking heeft in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
De beoordeling door de voorzieningenrechter
15. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college na de uitspraak van 10 december 2025 onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden voor huisvesting van eiseres en haar twee minderjarige kinderen. Dit heeft geresulteerd in een aanbod, bestaande uit drie stappen. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het zou gaan om een zelfstandige woonruimte, waarbij een beroep kan worden gedaan op hulpverleners die begeleiding geven vanuit een bij de voorziening gelegen kantoortje. Ook is eiseres er in de beslissing op bezwaar op gewezen dat het haar altijd vrij staat om op basis van haar huidige inschrijving te blijven zoeken naar woonruimte en – als zij een geschikte woonruimte zou vinden – de opvang te verlaten. Verder heeft het college haar ook gewezen op dat de [instelling] een urgentieverklaring op maatschappelijke gronden kan aanvragen in geval van uitstroom, als zij in de ogen van de begeleiding weer in staat is om volledig zelfstandig te wonen,
16. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich in de besluitvorming voldoende rekenschap gegeven van de belangen van de kinderen van eiseres. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van het individu en het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling. Daarbij vindt de voorzieningenrechter van belang dat het college de schaarste van de woningmarkt in Utrecht uiteen heeft gezet en met aandacht voor de situatie van eiseres gezocht heeft naar mogelijkheden om eiseres en haar kinderen onderdak te bieden. Het college heeft eiseres in dit licht mogen aanrekenen dat het vervolgens de eigen keuze van eiseres is geweest om het gedane aanbod niet te accepteren. Datis namelijk de keuze geweest die er toe heeft geleid dat zij op dit moment niet gezamenlijk is gehuisvest met haar kinderen.
17. Voor zover eiseres heeft willen betogen dat van haar niet kon worden verwacht dat zij dit aanbod zou accepteren, volgt de voorzieningenrechter dit betoog niet. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen eiseres hierover heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat dit aanbod geen passende oplossing is om dakloosheid, en/of een inbreuk op het gezinsleven, te voorkomen. Uit het gespreksverslag en de nadere reactie van de [instelling] volgt dat eiseres ten tijde van het gedane aanbod was ingelicht over wat het aanbod precies inhield. Daarbij heeft het college op de zitting toegelicht dat de [instelling] bij elke stap van het aanbod ook nog - in overleg met eiseres - verder zou onderzoeken wat een geschikte woonruimte en voorziening voor eiseres en haar twee minderjarige kinderen zou zijn. Dat het aanbod betrekking zou hebben op een plek die niet geschikt is voor kinderen, is dan ook niet gebleken. Evenmin is gebleken dat zij navraag heeft gedaan naar wat de plek precies inhoudt. De weigering van het aanbod is in zoverre gebaseerd op de eigen vermoedens van eiseres. Daarbij vindt de voorzieningenrechter van belang dat eiseres, blijkens het e-mailbericht waarin zij het aanbod afwijst, niet wijst op de ongeschiktheid van de locatie en ook niet aangeeft dat zij hier zorgen over had. In dat e-mailbericht wijst zij er vooral op dat zij zelfstandige woonruimte wenst zonder bemoeienis van hulpverlening. Ook op de zitting heeft eiseres aangegeven dat de aangeboden hulpverlening volgens haar niet nodig is en dat zij vooral op zoek is naar stabiele woonruimte voor haar en haar kinderen, waarbij de kinderen zoveel mogelijk met rust worden gelaten door de hulpverleners. Dat in zoverre het aanbod niet tegemoet kwam aan haar wensen, laat naar het oordeel van de voorzieningenrechter onverlet dat er een aanbod lag om huisvestiging voor haar en haar twee minderjarige kinderen te bewerkstelligen. Bovendien had zij vanuit die huisvesting in de maatschappelijke opvang kunnen blijven zoeken naar zelfstandige woonruimte. Door het aanbod af te wijzen, heeft eiseres deze kans voorbij laten gaan en het risico genomen dat zij niet langer gezamenlijk met haar kinderen gehuisvest zou worden.
18. Eiseres haar verwijzing naar het arrest Wallová en Walla maakt dit oordeel niet anders. In dit arrest ging het om een uithuisplaatsing en inmenging in het gezinsleven vanwege een situatie van armoede en huisvestingsproblematiek. Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat een kind in een betere omgeving kan opgroeien geen reden kan zijn voor ingrijpen. In dit geval is geen sprake van ingrijpen door het college. Weliswaar is inmiddels sprake van een uithuisplaatsing van de kinderen, maar dat is niet een beslissing van het college die hier voorligt. Bovendien blijkt uit de beschikking van de kinderrechter dat de weigering van eiseres om mee te werken aan een oplossing een rol heeft gespeeld bij de uithuisplaatsing van haar twee minderjarige kinderen.
19. De voorzieningenrechter is verder, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het college in de omstandigheden van eiseres geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Zoals neergelegd in artikel 72 van de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht.
ECLI:NL:RBMNE:2025:6769.
EHRM 26 oktober 2006, nr. 23848/04
Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2021:328 en ECLI:NL:RVS:2023:817.
Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2023:4259.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/2123 en 26/2125
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. Yildirim),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
(gemachtigden: drs. mr. E.H. Siemeling en mevr. M.T.A van Uden).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring vanwege dreigende dakloosheid van haar en haar kinderen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college geen toepassing hoeft te geven aan de hardheidsclausule en dat de afwijzing niet in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) of artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring vanwege dreigende dakloosheid voor haar en haar kinderen. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 april 2025 afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 maart 2026 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiseres heeft op 6 november 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het beroep op 10 december 2025 gegrond verklaard en bepaald dat het college binnen vier weken een nieuw besluit moet nemen.
4. Het college heeft op 9 maart 2026 een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres genomen, en is daarmee bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
4.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er voorafgaande aan deze procedure gebeurd?
5. In de uitspraak van 10 december 2025 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het college de situatie - waarin de kinderen van eiseres zich bevinden - onvoldoende kenbaar heeft meegewogen door er alleen op te wijzen dat zij een dak boven hun hoofd hebben. Daarbij heeft de voorzieningenrechter gewezen op de omstandigheid dat eiseres met haar twee minderjarige kinderen verblijft in de studio van haar meerderjarige dochter. Ook heeft de voorzieningenrechter gewezen op een beschikking van de kinderrechter waarin expliciet is vermeld dat de huidige woonsituatie niet in hun belang is. In rechtsoverweging 17 heeft de voorzieningenrechter vervolgens bepaald dat:
‘het college opnieuw moet beoordelen of er aanleiding is om de hardheidsclausule toe te passen en of sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM. De belangen van de kinderen moeten duidelijk worden meegewogen naar de huidige stand van zaken. Zo moet er bijvoorbeeld aandacht zijn voor de huidige woonsituatie van de kinderen, de sommatie aan eiseres om de woning waar zij nu samen met haar twee kinderen verblijft per 23 december 2025 te verlaten, waardoor een uithuisplaatsing mogelijk weer op tafel ligt en alle overige omstandigheden die de kinderen betreffen.’’
6. Na de uitspraak van 10 december 2025 heeft het college contact opgenomen met het Buurtteam. Vanuit het Buurtteam is eiseres begeleid door twee medewerkers met een expertise in multi-problematiek, vanwege haar verleden. Vervolgens is aan eiseres een maatwerkoplossing aangeboden na een intake bij de [instelling] . De [instelling] verzorgt namens de gemeente alle vormen van opvang, en zijn hierin gespecialiseerd. Het aanbod bestond uit drie stappen:
“Stap 1) aan belanghebbende zal via City deal een tijdelijke oplossing (woning inclusief
begeleiding) voor haar en haar twee minderjarige kinderen worden aangeboden voor
maximaal 1 jaar. Dit omdat er niet direct plaats is in de kortdurende opvang.
Stap 2) kortdurende opvang totdat de Regionale Toegang een daarvoor passende indicatie
heeft afgegeven en er ruimte is om door te stromen naar de vervolglocatie. Ten tijde van de
kortdurende opvang kan al begonnen worden met de gezinsbegeleiding.
Stap 3) Maatschappelijke opvang, beschermd verblijf wordt op dit moment als passend
gezien. Belanghebbende kan daar samen met haar kinderen wonen met langdurige
begeleiding. Op de locatie is een kantoor aanwezig waardoor begeleiding, indien
noodzakelijk, altijd in de nabijheid is.”
7. Daarbij diende eiseres zich aan een aantal – voor een ieder in de opvang geldende – voorwaarden te houden, waaronder het formuleren van hulpverlenersdoelen, het voeren van (minimaal) wekelijks overleg met de gezinsbegeleider en het voeren van wekelijkse kindgesprekken. Het college heeft op de zitting nog toegelicht dat de maatschappelijke opvang, met beschermd verblijf, een [instelling] zou zijn in de vorm van een woning – waarschijnlijk appartement – waar eiseres alleen zou komen te wonen met haar kinderen. Ook is toegelicht dat eiseres al 9 jaar staat ingeschreven op de wachtlijst voor een sociale huurwoning en dat zij deze inschrijftijd zou blijven behouden op het moment dat ze het aanbod van de [instelling] accepteert. Dit – of de mogelijkheid dat de [instelling] uiteindelijk urgentie op maatschappelijke gronden voor eiseres aanvraagt – vormt volgens het college ook een uitstroom perspectief om uiteindelijk zelfstandig te gaan wonen. Verder heeft het college zowel in het bestreden besluit als op de zitting benadrukt dat het uitgangspunt van dit nadere onderzoek en aanbod, het voorkomen van dakloosheid was, voor eiseres en haar minderjarige kinderen.
8. Eiseres heeft het aanbod niet geaccepteerd. Eiseres is vervolgens met haar twee kinderen bij haar meerderjarige dochter in de studio blijven wonen. Bij brief van 20 februari 2026 heeft de verhuurder Woonin laten weten dat eiseres en haar kinderen niet langer in de studio mogen wonen, omdat de studio is bestemd voor één persoon. Woonin heeft eiseres tot 20 maart 2026 gegeven om de studio te verlaten. Na overleg met Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming heeft Woonin besloten dat de twee minderjarige kinderen van eiseres voorlopig bij haar meerderjarige dochter in de studio mogen blijven, mits er op korte termijn een plan voor een duurzame oplossing komt. Moeder verblijft sindsdien in een crisisopvang en mag ook niet in de studio komen. De kinderrechter heeft de minderjarige kinderen op 23 maart 2026 onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en een machtiging afgegeven om de kinderen voor de duur van vier weken uit huis te plaatsen (bij hun meerderjarige zus). Eiseres heeft hierna aangegeven alsnog bereid te zijn
een aanbod van de [instelling] te accepteren, ook in de vorm van beschermd verblijf. De [instelling] heeft echter aangegeven dat een nieuwe aanmelding op dit moment niet meer mogelijk is.
Het standpunt van eiseres
9. Eiseres brengt naar voren dat zij destijds in de veronderstelling was dat zij een aanbod zou krijgen voor maatschappelijke opvang die voorziet in begeleid wonen met zicht op uitstroom. Volgens eiseres ontbreekt dit perspectief bij het gedane aanbod, als gevolg waarvan er geen uitzicht bestaat op zelfstandigheid. Ook vindt zij beschermd verblijf niet passend bij haar situatie. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat opvang in beschermd verblijf volgens haar betekent dat zij en haar kinderen opgevangen worden in een omgeving waar voornamelijk daklozen mensen wonen en waar problematiek speelt rondom psychische klachten en drugs. Zij heeft daarom het aanbod niet geaccepteerd. Verder ziet zij het ook niet zitten om weer een begeleidingstraject te moeten volgen. Eiseres staat wel open voor gezinsbegeleiding, maar wenst verder geen bemoeienis van hulpinstanties. Zij wil graag zelfstandig wonen.
10. Eiseres stelt verder dat de gevolgen van de weigering van de urgentieverklaring niet in verhouding staan tot de met het besluit beoogde doelen. Volgens eiseres is het besluit dus in strijd met het evenredigheidsbeginsel en heeft het college onvoldoende onderbouwd waarom geen toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule. In het bestreden besluit ontbreekt volgens eiseres ook een concrete beoordeling van de vraag of de weigering van een urgentieverklaring in deze specifieke situatie een onevenredige inbreuk vormt op het gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM, van eiseres en haar kinderen. Verder volgt uit artikel 3 van het IVRK dat het belang van het kind een eerste overweging moet vormen bij besluiten die kinderen raken. Ook deze belangen zijn volgens eiseres onvoldoende kenbaar meegewogen. In dat kader wijst eiseres erop dat de huidige woonsituatie van de kinderen negatieve gevolgen heeft voor hun welzijn en ontwikkeling en dat het in hun belang is dat zij met hun moeder in een stabiele woonomgeving kunnen verblijven. Alle reguliere mogelijkheden voor huisvesting zijn inmiddels uitgeput, waardoor er feitelijk geen perspectief bestaat op herstel van het gezinsleven. Nu de kinderen uit huis zijn geplaatst rust er volgens eiseres op de overheid een positieve verplichting om het gezin te ondersteunen en bijeen te houden. Daarbij wijst eiseres op het arrest Wallová en Walla/Tsjechië van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
De omvang van het geding en het toetsingskader
11. De voorzieningenrechter stelt vast dat alleen in geschil is of het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule, zoals neergelegd in artikel 72 van de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht en of het college vanwege artikel 8 van het EVRM of artikel 3 van het IVRK aanleiding had moeten zien om de urgentie te verstrekken.
12. Op grond van artikel 72 van de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht is het college bevoegd om af te wijken van de regels in de Huisvestingsverordening. Dit is mogelijk in uitzonderlijke gevallen waarin de toepassing van een regel in de Huisvestingsverordening tot een bijzondere hardheid leidt. Bij het toepassen van deze hardheidsclausule heeft het college beleidsruimte. De toepassing van deze bevoegdheid wordt daarom door de voorzieningenrechter terughoudend getoetst. Uit de toelichting bij deze bepaling kan worden opgemaakt dat de hardheidsclausule alleen wordt toegepast bij levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situaties.
13. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat artikel 8 van het EVRM als doel heeft dat het individu beschermd wordt tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Aan het effectief respecteren daarvan kunnen positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. In dat verband moet worden beoordeeld of in het besluit om een urgentieaanvraag af te wijzen een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van het individu en het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling.
14. Ten aanzien van het beroep op artikel 3 van het IVRK is van belang dat dit artikel rechtstreekse werking heeft in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
De beoordeling door de voorzieningenrechter
15. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college na de uitspraak van 10 december 2025 onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden voor huisvesting van eiseres en haar twee minderjarige kinderen. Dit heeft geresulteerd in een aanbod, bestaande uit drie stappen. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het zou gaan om een zelfstandige woonruimte, waarbij een beroep kan worden gedaan op hulpverleners die begeleiding geven vanuit een bij de voorziening gelegen kantoortje. Ook is eiseres er in de beslissing op bezwaar op gewezen dat het haar altijd vrij staat om op basis van haar huidige inschrijving te blijven zoeken naar woonruimte en – als zij een geschikte woonruimte zou vinden – de opvang te verlaten. Verder heeft het college haar ook gewezen op dat de [instelling] een urgentieverklaring op maatschappelijke gronden kan aanvragen in geval van uitstroom, als zij in de ogen van de begeleiding weer in staat is om volledig zelfstandig te wonen,
16. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich in de besluitvorming voldoende rekenschap gegeven van de belangen van de kinderen van eiseres. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van het individu en het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling. Daarbij vindt de voorzieningenrechter van belang dat het college de schaarste van de woningmarkt in Utrecht uiteen heeft gezet en met aandacht voor de situatie van eiseres gezocht heeft naar mogelijkheden om eiseres en haar kinderen onderdak te bieden. Het college heeft eiseres in dit licht mogen aanrekenen dat het vervolgens de eigen keuze van eiseres is geweest om het gedane aanbod niet te accepteren. Datis namelijk de keuze geweest die er toe heeft geleid dat zij op dit moment niet gezamenlijk is gehuisvest met haar kinderen.
17. Voor zover eiseres heeft willen betogen dat van haar niet kon worden verwacht dat zij dit aanbod zou accepteren, volgt de voorzieningenrechter dit betoog niet. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen eiseres hierover heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat dit aanbod geen passende oplossing is om dakloosheid, en/of een inbreuk op het gezinsleven, te voorkomen. Uit het gespreksverslag en de nadere reactie van de [instelling] volgt dat eiseres ten tijde van het gedane aanbod was ingelicht over wat het aanbod precies inhield. Daarbij heeft het college op de zitting toegelicht dat de [instelling] bij elke stap van het aanbod ook nog - in overleg met eiseres - verder zou onderzoeken wat een geschikte woonruimte en voorziening voor eiseres en haar twee minderjarige kinderen zou zijn. Dat het aanbod betrekking zou hebben op een plek die niet geschikt is voor kinderen, is dan ook niet gebleken. Evenmin is gebleken dat zij navraag heeft gedaan naar wat de plek precies inhoudt. De weigering van het aanbod is in zoverre gebaseerd op de eigen vermoedens van eiseres. Daarbij vindt de voorzieningenrechter van belang dat eiseres, blijkens het e-mailbericht waarin zij het aanbod afwijst, niet wijst op de ongeschiktheid van de locatie en ook niet aangeeft dat zij hier zorgen over had. In dat e-mailbericht wijst zij er vooral op dat zij zelfstandige woonruimte wenst zonder bemoeienis van hulpverlening. Ook op de zitting heeft eiseres aangegeven dat de aangeboden hulpverlening volgens haar niet nodig is en dat zij vooral op zoek is naar stabiele woonruimte voor haar en haar kinderen, waarbij de kinderen zoveel mogelijk met rust worden gelaten door de hulpverleners. Dat in zoverre het aanbod niet tegemoet kwam aan haar wensen, laat naar het oordeel van de voorzieningenrechter onverlet dat er een aanbod lag om huisvestiging voor haar en haar twee minderjarige kinderen te bewerkstelligen. Bovendien had zij vanuit die huisvesting in de maatschappelijke opvang kunnen blijven zoeken naar zelfstandige woonruimte. Door het aanbod af te wijzen, heeft eiseres deze kans voorbij laten gaan en het risico genomen dat zij niet langer gezamenlijk met haar kinderen gehuisvest zou worden.
18. Eiseres haar verwijzing naar het arrest Wallová en Walla maakt dit oordeel niet anders. In dit arrest ging het om een uithuisplaatsing en inmenging in het gezinsleven vanwege een situatie van armoede en huisvestingsproblematiek. Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat een kind in een betere omgeving kan opgroeien geen reden kan zijn voor ingrijpen. In dit geval is geen sprake van ingrijpen door het college. Weliswaar is inmiddels sprake van een uithuisplaatsing van de kinderen, maar dat is niet een beslissing van het college die hier voorligt. Bovendien blijkt uit de beschikking van de kinderrechter dat de weigering van eiseres om mee te werken aan een oplossing een rol heeft gespeeld bij de uithuisplaatsing van haar twee minderjarige kinderen.
19. De voorzieningenrechter is verder, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het college in de omstandigheden van eiseres geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Zoals neergelegd in artikel 72 van de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht.
ECLI:NL:RBMNE:2025:6769.
EHRM 26 oktober 2006, nr. 23848/04
Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2021:328 en ECLI:NL:RVS:2023:817.
Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2023:4259.