Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4964

2026-07-17 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht UTR 25/2569
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/2569
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bodem woningsluiting op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a van de Gemeentewet, vanwege overlast en illegale prostitutie. De rechtbank komt desondanks tot het oordeel dat de burgemeester onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de openbare orde rond de woning of het erf van eiser ernstig wordt verstoord. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk niet dat de veiligheid en de gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning in ernstige mate wordt bedreigd. Beroep gegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.229 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/2569


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.P.K. Ruperti),


en


de burgemeester van de gemeente Leusden
(gemachtigde: G.J. Bouwmeester).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de verlenging van een woningsluiting. De burgemeester heeft op 14 november 2024 de sluiting van de woning - gelegen aan de [adres] in [plaats] – verlengd voor de duur van 3 maanden, vanwege (de vrees voor herhaling van) een ernstige verstoring van de openbare orde. Eiser is het niet eens met de verlenging van de woningsluiting. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er in dit geval sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde in de omgeving van de woning, zoals vereist in artikel 174a, eerste lid, onder a van de Gemeentewet. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Bij besluit van 14 november 2024 wordt de woningsluiting aan de [adres] in [plaats] verlengd voor de duur van 3 maanden. Eiser is het hier niet mee eens en maakt bezwaar tegen dit besluit. Ook vraagt hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.



2.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek - in haar uitspraak van 2 januari 2025 - toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 14 november 2024 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.



2.2.
Met het bestreden besluit van 5 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij het besluit om de woningsluiting te verlengen gebleven. Wel is de duur van de woningsluiting teruggebracht naar 2 januari 2025.



2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.4.
De burgemeester heeft de op het beroep betrekking hebbende stukken ingezonden en daarbij voor een deel van de stukken verzocht om beperkte kennisneming door de rechtbank, met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft met de beslissing van 9 april 2026 bepaald dat de beperkte kennisname voor een deel gerechtvaardigd is. Dat deel waarvan beperkte kennisname niet gerechtvaardigd is, is alsnog aan eiser verstrekt. Eiser heeft toestemming verleend om de stukken met beperkte kennisname te betrekken in de beoordeling van zijn beroep.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de burgemeester.




Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit


3. De burgemeester heeft op 15 oktober 2024 de woning aan de [adres] in [plaats] met spoed gesloten, op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a en b van de Gemeentewet, voor de duur van 4 weken. Aan de spoedsluiting liggen rapporten ten grondslag naar aanleiding van een controle op 30 oktober 2024, tezamen met de bestuurlijke rapportages van de politie van 19 december 2023, 24 april 2024, 9 juni 2024 en 29 juli 2024. Daarin zijn relevante bevindingen van 10 januari 2023 tot en met 28 juli 2024 opgenomen met betrekking tot (geluids)overlast en illegale prostitutie in de woning.

4. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 oktober 2024 om de woning te sluiten. Op zitting heeft hij aangegeven dat hij de woningsluiting toentertijd heeft geaccepteerd om tot rust te kunnen komen, maar dat de verlenging voor hem onacceptabel is.

5. Op 14 november 2024 heeft de burgemeester de spoedsluiting verlengd – op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a en b van de Gemeentewet, met drie maanden. Hierbij heeft de burgemeester de feiten betrokken die ten grondslag zijn gelegd aan de spoedsluiting op 15 oktober 2024. Verder zijn een verslag van de hoorzitting van 6 november 2024 over een eerder opgelegde last onder dwangsom en het gegeven dat de advertenties voor prostitutiediensten nog online stonden ten grondslag gelegd aan de verlenging van de woningsluiting. De burgemeester heeft ook bij het verlengingsbesluit betrokken dat op 18 oktober 2024 is geconstateerd dat er iemand in de woning is geweest, en dat er op 12 november 2024 is geconstateerd dat de verzegeling aan de voorzijde van de woning was verbroken. De burgemeester heeft ook meegewogen dat eiser op 13 november 2024 bedreigingen heeft geuit richting de burgemeester en een ambtenaar.

6. In de beslissing op bezwaar gaat de burgemeester alleen nog maar uit van een sluiting op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet. In aanvulling op eerder genoemde stukken heeft de burgemeester aan het bestreden besluit ook een verslag van een buurtbijeenkomst en latere meldingen van buurtbewoners meegewogen.



Mocht de burgemeester gebruik maken van zijn bevoegdheid om de woningsluiting te verlengen?


7. Eiser stelt dat niet kan worden geconcludeerd dat de veiligheid en de gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning in ernstige mate werd bedreigd. De burgemeester mocht daarom geen gebruik maken van zijn bevoegdheid om de woningsluiting te verlengen.

8. Artikel 174a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet geeft de burgemeester de bevoegdheid om een woning te sluiten als zich door gedragingen in de woning of op het erf de openbare orde rond de woning of het erf ernstig wordt verstoord. De burgemeester dient aan de hand van concrete, objectieve en verifieerbare gegevens vast te stellen dat de gedragingen zich in de woning of op het erf voordoen, er langdurige overlast is die zich met grote regelmaat voordoet en die maatschappelijk onaanvaardbare vormen heeft aangenomen. Verder vergt verstoring van de openbare orde overlast waardoor de veiligheid en de gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning in ernstige mate worden bedreigd en geeft de overlast risico's voor de omgeving die te vergelijken zijn met drugsoverlast. In geval van ernstige vrees voor herhaling van de ernstige verstoring van de openbare orde kan de burgemeester besluiten de duur van de sluiting tot een door hem te bepalen tijdstip te verlengen.

9. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde stukken volgt dat de politie sinds 28 februari 2021 intensief is betrokken bij de overlastproblematiek rond eiser en dat hij vanaf 20 juni 2023 in een Persoonsgerichte Aanpak is geplaatst. De burgemeester heeft in dat verband vele overlastmeldingen - van buurtbewoners - over eiser overgelegd. Deze dateren van 20 maart 2023 tot en met 11 februari 2025. Deze meldingen zien grotendeels op geluidsoverlast en gebruik van verdovende middelen door eiser. Ook wordt verschillende keren melding gemaakt van aanloop in de nachtelijke uren. De politie heeft daarbij meerdere keren geconstateerd dat de bezoekers van eiser onder invloed van verdovende middelen waren. Ook heeft een aantal van de bezoekers verklaard dat zij in de woning van eiser een prostituee hebben bezocht. Naar aanleiding van een melding, treft de politie ook een vrouw aan in de woning van eiser die zelf zegt in het huis van eiser te werken als prostituee.


10. Verder blijkt uit de bestuurlijke rapportages dat de politie een aantal keren een ravage heeft aangetroffen in het huis van eiser. Zo beschrijft de politie op 15 december 2023 dat zij naar aanleiding van drie meldingen eiser aantroffen voor de deur van een woning, een paar straten gelegen van zijn woning. Eiser stond voor de deur van die woning te schreeuwen en tegen de deur te trappen. In de woning van eiser zelf trof de politie een woonkamer aan die overhoop was gehaald en een televisie die erg luid stond. Ook op 1 februari 2024 trof de politie een ravage aan in de woning van eiser en is de crisisdienst in stelling gebracht. Op 15 februari 2024 trof de politie eiser wederom onder invloed aan en beschrijft de politie dat eiser geïrriteerd was en een conflict had met een vrouw in de woning. Op 28 juli 2024 gaat de politie weer naar de woning van eiser naar aanleiding van een melding van geluidsoverlast. Op het moment dat de politie meldt dat hij een bekeuring krijgt voor de geluidsoverlast, zegt eiser dat hij de ruit bij de buren in zal gooien als hij een bekeuring krijgt.
10. De rechtbank stelt ook vast dat op 30 juli 2024 twee lasten onder dwangsom zijn opgelegd aan eiser vanwege woonoverlast en het zonder vergunning exploiteren van een seksinrichting, en dat naar aanleiding daarvan een controle in de woning van eiser heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2024. Uit het proces verbaal van bevindingen van de toezichthouder blijkt dat in de woning van eiser nog steeds prostitutie plaatsvindt. In dat proces-verbaal is daarnaast vermeld dat eiser de toezichthouder heeft bedreigd met onder andere de woorden “ik kom je thuis opzoeken” en “ik sla al je tanden uit je bek”. Ook heeft eiser zich dreigend uitgelaten richting de burgemeester. Van de bedreiging heeft de betrokken toezichthouder aangifte gedaan. Verder is in het proces-verbaal vermeld dat in de woning drie vrouwen werden aangetroffen die aangaven geen paspoort te hebben. Uit het dossier blijkt verder nog dat er op 6 oktober 2024 een anonieme melding is gedaan via Meld Misdaad Anoniem, met betrekking tot mensenhandel en prostitutie in eiser zijn woning. Ook werd in de woning een taser en twee stuks vuurwerk, met daarop vermeld COBRA, aangetroffen.


12. In het verslag van de buurtbijeenkomst van 4 december 2024 is opgetekend dat omwonenden hebben aangegeven dat zij zeer heftige overlast ervaren van eiser en dat diverse omwonenden bedreigd zijn door eiser.

13. De rechtbank heeft de voorgeschiedenis hiervoor uitvoerig opgesomd om te benadrukken dat zij oog heeft voor de overlast die de buurt heeft moeten ervaren. Het is begrijpelijk dat de burgemeester het nodig achtte in te grijpen om de rust in de buurt te herstellen. Hoewel eiser inmiddels is afgekickt van zijn GHB-verslaving, lijkt hij zich ook nu nog niet te realiseren wat zijn invloed op de omgeving is geweest. De rechtbank komt desondanks tot het oordeel dat de burgemeester onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de openbare orde rond de woning of het erf van eiser ernstig werd verstoord. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk niet dat de veiligheid en de gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning in ernstige mate wordt bedreigd.

14. Wat betreft de illegale prostitutie overweegt de rechtbank dat dit op zich een grond zou kunnen zijn voor woningsluiting op grond van artikel 174a Gemeentewet – de wetgever heeft dat niet geheel willen uitsluiten– maar ook in dat geval moet in het concrete geval voldaan zijn aan de voorwaarden die aan artikel 174a van de Gemeentewet verbonden zijn. Het enkele feit dat sprake is van een onvergund seksbedrijf betekent dus nog niet dat grond bestaat om op basis van artikel 174a van de Gemeentewet de woning te sluiten. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat omwonenden weliswaar overlast hebben ervaren vanwege de prostitutie, maar niet dat daardoor ook de veiligheid en gezondheid van de omwonenden in ernstige mate werd bedreigd.

15. Over de geluidsoverlast, het gebruik van verdovende middelen door eiser en bezoekers en de aanloop in de nachtelijke uren, overweegt de rechtbank dat geluidsoverlast in de zin van burengerucht, of dat nu onder invloed is of niet, een onvoldoende ernstige vorm van overlast is om sluiting van een woning te kunnen rechtvaardigen.

16. Met betrekking tot de bedreigingen en intimidaties overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken blijkt één concreet en verifieerbaar incident in de woning waarbij eiser dreigende taal heeft geuit richting buren. De overige bedreigingen zijn in algemene bewoordingen omschreven - en slechts een weergave van hetgeen buurtbewoners hebben verklaard - of niet gedaan vanuit de woning. Uit de stukken blijkt niet of deze verklaringen zijn geverifieerd en of eiser daarover is gehoord. Evenmin blijkt uit de overgelegde stukken of de verklaringen tot vervolging hebben geleid en, zo ja, tot welke uitkomst dat heeft geleid, noch blijkt daaruit of op andere wijze is getracht om tegen de gemelde bedreigingen en intimidaties op te treden. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat in de woning in zodanig ernstige mate bedreigingen of intimidaties hebben plaatsgevonden dat als gevolg daarvan de openbare orde rond deze woning werd verstoord.

17. De burgemeester heeft verder nog stukken overgelegd waaruit blijkt dat eiser de burgemeester en een ambtenaar heeft bedreigd. Zoals de burgemeester zelf al tijdens de zitting heeft erkend, zijn de bedreigingen van de ambtenaren en burgemeester geen bedreiging voor de veiligheid en de gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning. Deze stukken leiden dus niet tot een ander oordeel. Hetzelfde geldt voor het aanrichten van vernielingen in zijn eigen woning: dit levert niet zonder meer een gevaar op voor omwonenden.

18. De rechtbank laat de taser en de COBRA’s die in de woning zijn aangetroffen verder onbesproken aangezien de burgemeester artikel 174a, eerste lid, onder c, niet aan de sluiting ten grondslag heeft gelegd.

19. Het voorgaande betekent dat de burgemeester geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om de woningsluiting te verlengen, omdat de rechtbank van oordeel is dat de burgemeester onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de openbare orde rond de woning of het erf ernstig werd verstoord. Het is de rechtbank namelijk niet gebleken dat er sprake was van een ernstige bedreiging van de veiligheid en gezondheid van mensen in de omgeving van de woning. Van een ernstige vrees voor herhaling kan dan ook geen sprake zijn. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.

20. De burgemeester was dus niet bevoegd om de sluiting van eisers woning te verlengen. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en ziet aanleiding het primaire besluit te herroepen wegens strijd met artikel 174a van de Gemeentewet.



Conclusie en gevolgen


21. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De burgemeester moet daarom het griffierecht van eiser vergoeden. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit van 5 maart 2025;


herroept het primaire besluit van 14 november 2024;


veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.868,-;


bepaalt dat de minister aan eiser het in beroep betaalde griffierecht van € 194,– vergoedt.







Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:RBMNE:2025:153.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4697.


Artikel 174a, derde lid, van de Gemeentewet.


Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 24 699, nr. 13, blz. 19-20 en Eerste Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 24 699, nr. 103c, blz. 1.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO5718, r.o. 2.3.4.