Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4954
2026-05-29
Bestuursrecht
UTR 25/7743
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer, vanwege snelheidsovertreding van 50 km/u. Het ontbreken van een geldig verkeersbesluit, ontslaat een individuele verkeersdeelnemer niet van de plicht gevolg te geven aan geplaatste verkeersborden. Tijdelijk geplaatste of toegepaste verkeerstekens – waaronder ook verkeersborden - op het wegdek gaan boven ter plekke aangebrachte andere verkeerstekens op het wegdek, voor zover deze verkeerstekens onverenigbaar zijn. Beroep ongegrond
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2025:2306 Raad van State 21-05-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:5387 Raad van State 24-12-2024
- ECLI:NL:HR:2020:1055 Hoge Raad 16-06-2020
- ECLI:NL:RVS:2018:928 Raad van State 21-03-2018
- ECLI:NL:RVS:2020:1574 Raad van State 08-07-2020
- ECLI:NL:RVS:2022:177 Raad van State 19-01-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.107 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7743
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
CBR
(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer, omdat hij een snelheidsovertreding van 50 km/u heeft begaan. Eiser is het niet eens met deze beslissing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de snelheidsovertreding voldoende is komen vast te staan. Het CBR heeft daarom een lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer op mogen leggen aan eiser. De rechtbank komt dus tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij het besluit gebleven om aan eiser een cursus over verantwoordelijk rijgedrag op te leggen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de rechtbank
Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?
3. Het CBR heeft het bestreden besluit gebaseerd op een proces-verbaal van de politie. Uit dat proces-verbaal van bevindingen, van woensdag 27 augustus 2025, volgt dat politieagenten aan de hand van een snelheidsmeting hebben geconstateerd dat eiser (na correcties) 130 km/u reed op de A27 ter hoogte van hectometerpaal 66.1, waar een maximumsnelheid van 80 km/u gold. Aan de hand van een melding hierover heeft het CBR een lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer opgelegd aan eiser, vanwege onverantwoord rijgedrag.
4. Eiser bestrijdt niet dat hij op dat moment 130 km/u heeft gereden, maar hij trekt wel de geldende maximumsnelheid in twijfel.
Had het CBR een strafrechtelijk oordeel af moeten wachten?
5. Eiser stelt dat het bestreden besluit is genomen op grond van een proces-verbaal, waartegen hij een uitgebreid klaagschrift met rechtmatigheidsverweer (over de geldende maximumsnelheid) bij het Openbaar Ministerie heeft ingediend. Zolang daarop nog niet is beslist, staat niet vast dat sprake is van een overtreding die als grondslag kan dienen voor een belastende bestuursrechtelijke maatregel.
6. De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt, omdat de uitkomst van de strafrechtelijke procedure niet bepalend is voor deze bestuursrechtelijke procedure. Daar komt bij dat het in de strafrechtelijke procedure gevoerde verweer, zoals herhaald in onderhavige zaak, evenzeer bestuursrechtelijke als strafrechtelijke aspecten kent en de bestuursrechter zelfstandig kan oordelen over het gevoerde verweer in de bestuursrechtelijke zaak en strafzaak.Biedt het proces-verbaal voldoende grondslag voor het bestreden besluit?
7. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) volgt dat een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij de Regeling behorende bijlage. Deze feiten of omstandigheden kunnen blijken uit: eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie, gegevens afkomstig van de officier van justitie of door de politie nagetrokken gegevens uit een andere bron. Uit de bijlage volgt dat een van de feiten of omstandigheden kan zijn dat de bestuurder van een motorrijtuig de toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen binnen of buiten de bebouwde kom overschrijdt. Artikel 20 van de Regeling bepaalt dat bij voornoemde overtreding een Lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer wordt opgelegd. De rechtbank overweegt verder dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Indien uit het proces-verbaal een vermoeden van ongeschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) kan worden afgeleid, vormt dit voldoende grondslag om een bestuursrechtelijke maatregel op te leggen. Dit uitgangspunt geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor het in zo’n proces-verbaal vermelde geldende maximumsnelheid, tenzij er goede redenen zijn om aan de juistheid daarvan te twijfelen. In hetgeen door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om hier aan te twijfelen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
8. Volgens eiser is de in het proces-verbaal weergegeven geldende maximumsnelheid onjuist. In dat verband voert hij aan dat er geen verkeersbesluit is genomen dat ten grondslag ligt aan de plaatsing van tijdelijke verkeersborden met de maximumsnelheid van 80 km/u. Dit is in strijd met het legaliteitsbeginsel. Daarnaast voert eiser aan dat de bebording zeer onduidelijk en tegenstrijdig was. Eiser heeft ook in deze procedures foto’s overlegd van de verkeerssituatie op de A27 ter hoogte van Nieuwegein. Volgens hem blijkt daaruit dat er op de dag na de overtreding geen werkzaamheden waren ter hoogte van waar hij reed. Ook wordt hiermee aangetoond dat er verkeersborden op de weg staan waar 80 km/u op staat, maar dat die borden worden gevolgd door verkeersborden waar 100 km/u op staat. De geldende maximumsnelheid was volgens eiser daarom onvoldoende duidelijk, terwijl het bestreden besluit toch is opgelegd. Dit levert volgens eiser strijd op met het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel, omdat burgers mogen verwachten dat handhaving uitsluitend plaatsvindt op basis van rechtsgeldige besluiten en dat vergelijkbare gevallen gelijk worden behandeld. Daarbij heeft eiser een artikel van RTV Utrecht overgelegd over eerdere onjuiste snelheidsaanduidingen op de A27, waarna niet handhavend is opgetreden.9. Over het ontbreken van een geldig verkeersbesluit overweegt de rechtbank als volgt. Het ontbreken van een geldig verkeersbesluit, ontslaat een individuele verkeersdeelnemer niet van de plicht gevolg te geven aan geplaatste verkeersborden. Dit volgt ook uit het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2020. Dat er wellicht geen geldig verkeersbesluit ten grondslag lag aan de plaatsing van de verkeersborden met de maximumsnelheid van 80 km/u, maakt dus niet dat die maximumsnelheid niet gold.
10. De rechtbank is verder van oordeel dat de verkeersaanduiding op de A27, ter hoogte van en voorafgaand aan hectometerpaal 66,1, voldoende duidelijk is. De werkzaamheden, ter hoogte van hectometerpaal 66,1, waren onderdeel van het Tracébesluit om de knooppunten op de A27 ter hoogte van Houten-Hooipolder te verbreden. Over het hele traject zijn of worden wegwerkzaamheden uitgevoerd. Of op het moment van de verkeersovertreding zelf, of kort daarna, feitelijk werkzaamheden plaatsvonden, is niet bepalend voor de geldende maximumsnelheid.
11. Eiser is verplicht gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Tijdelijk geplaatste of toegepaste verkeerstekens – waaronder ook verkeersborden - op het wegdek gaan boven ter plekke aangebrachte andere verkeerstekens op het wegdek, voor zover deze verkeerstekens onverenigbaar zijn. De tijdelijk aangebrachte verkeersborden met een maximumsnelheid van 80 km/u - en de borden waarop te zien is hoeveel kilometer de werkzaamheden nog voortduren – zijn ook op de door eiser overgelegd foto’s te zien. De rechtbank overweegt daarom dat het voor eiser voldoende duidelijk was waar de werkzaamheden bezig waren – ook als de fysieke werkzaamheden niet direct zichtbaar waren voor hem - en dat hij verder had moeten weten dat de tijdelijk aangebrachte verkeersborden golden boven bijvoorbeeld permanent aangebrachte hectometerpaaltjes. Het argument dat onduidelijk was wanneer er dan een einde kwam aan de zone waarvoor de lagere maximumsnelheid gold, slaagt ook niet, nu de snelheidsovertreding is begaan kort nadat er borden stonden met de maximale snelheid van 80 km/u.
12. De rechtbank merkt ten slotte op dat het artikel van RTV Utrecht niet ziet op de onderhavige situatie. Het gaat over een ander weggedeelte van de A27 en een ander moment. Het is blijkbaar een keuze geweest om overtreders op die specifieke dag niet te beboeten, maar dat maakt niet dat op de onderhavige datum niet mocht worden opgetreden.
13. Gelet op het voorgaande, slaagt eisers beroep op het vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel en legaliteitsbeginsel dus niet.
Is het besluit in redelijkheid opgelegd?
14. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat het bestreden besluit onevenredig is. In dat verband heeft hij gewezen op de kosten die de opgelegde cursus met zich brengen en welke gevolgen het tijdelijk niet mogen rijden voor hem in privé en zakelijk hebben gehad.
15. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de toepasselijke bepalingen uit de Wvw 1994 en de Regeling geen ruimte laten om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Een rechter kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken, maar dat is in dit geval niet gebleken. Financiële gevolgen en het niet kunnen reizen met een auto zijn, hoe vervelend ook, daarvoor onvoldoende.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de opgelegde maatregel in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2025:2306.
Dit volgt uit artikel 3 van de Regeling.
ECLI:NL:RVS:2024:5387.
ECLI:NL:HR:2020:1055.
Dit volgt uit artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).
Dit volgt uit artikel 63 en 63a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).
Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2018:928 en ECLI:NL:RVS:2020:1574.
ECLI:NL:RVS:2022:177.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7743
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
CBR
(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer, omdat hij een snelheidsovertreding van 50 km/u heeft begaan. Eiser is het niet eens met deze beslissing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de snelheidsovertreding voldoende is komen vast te staan. Het CBR heeft daarom een lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer op mogen leggen aan eiser. De rechtbank komt dus tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij het besluit gebleven om aan eiser een cursus over verantwoordelijk rijgedrag op te leggen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de rechtbank
Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?
3. Het CBR heeft het bestreden besluit gebaseerd op een proces-verbaal van de politie. Uit dat proces-verbaal van bevindingen, van woensdag 27 augustus 2025, volgt dat politieagenten aan de hand van een snelheidsmeting hebben geconstateerd dat eiser (na correcties) 130 km/u reed op de A27 ter hoogte van hectometerpaal 66.1, waar een maximumsnelheid van 80 km/u gold. Aan de hand van een melding hierover heeft het CBR een lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer opgelegd aan eiser, vanwege onverantwoord rijgedrag.
4. Eiser bestrijdt niet dat hij op dat moment 130 km/u heeft gereden, maar hij trekt wel de geldende maximumsnelheid in twijfel.
Had het CBR een strafrechtelijk oordeel af moeten wachten?
5. Eiser stelt dat het bestreden besluit is genomen op grond van een proces-verbaal, waartegen hij een uitgebreid klaagschrift met rechtmatigheidsverweer (over de geldende maximumsnelheid) bij het Openbaar Ministerie heeft ingediend. Zolang daarop nog niet is beslist, staat niet vast dat sprake is van een overtreding die als grondslag kan dienen voor een belastende bestuursrechtelijke maatregel.
6. De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt, omdat de uitkomst van de strafrechtelijke procedure niet bepalend is voor deze bestuursrechtelijke procedure. Daar komt bij dat het in de strafrechtelijke procedure gevoerde verweer, zoals herhaald in onderhavige zaak, evenzeer bestuursrechtelijke als strafrechtelijke aspecten kent en de bestuursrechter zelfstandig kan oordelen over het gevoerde verweer in de bestuursrechtelijke zaak en strafzaak.Biedt het proces-verbaal voldoende grondslag voor het bestreden besluit?
7. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) volgt dat een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij de Regeling behorende bijlage. Deze feiten of omstandigheden kunnen blijken uit: eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie, gegevens afkomstig van de officier van justitie of door de politie nagetrokken gegevens uit een andere bron. Uit de bijlage volgt dat een van de feiten of omstandigheden kan zijn dat de bestuurder van een motorrijtuig de toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen binnen of buiten de bebouwde kom overschrijdt. Artikel 20 van de Regeling bepaalt dat bij voornoemde overtreding een Lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer wordt opgelegd. De rechtbank overweegt verder dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Indien uit het proces-verbaal een vermoeden van ongeschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) kan worden afgeleid, vormt dit voldoende grondslag om een bestuursrechtelijke maatregel op te leggen. Dit uitgangspunt geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor het in zo’n proces-verbaal vermelde geldende maximumsnelheid, tenzij er goede redenen zijn om aan de juistheid daarvan te twijfelen. In hetgeen door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om hier aan te twijfelen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
8. Volgens eiser is de in het proces-verbaal weergegeven geldende maximumsnelheid onjuist. In dat verband voert hij aan dat er geen verkeersbesluit is genomen dat ten grondslag ligt aan de plaatsing van tijdelijke verkeersborden met de maximumsnelheid van 80 km/u. Dit is in strijd met het legaliteitsbeginsel. Daarnaast voert eiser aan dat de bebording zeer onduidelijk en tegenstrijdig was. Eiser heeft ook in deze procedures foto’s overlegd van de verkeerssituatie op de A27 ter hoogte van Nieuwegein. Volgens hem blijkt daaruit dat er op de dag na de overtreding geen werkzaamheden waren ter hoogte van waar hij reed. Ook wordt hiermee aangetoond dat er verkeersborden op de weg staan waar 80 km/u op staat, maar dat die borden worden gevolgd door verkeersborden waar 100 km/u op staat. De geldende maximumsnelheid was volgens eiser daarom onvoldoende duidelijk, terwijl het bestreden besluit toch is opgelegd. Dit levert volgens eiser strijd op met het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel, omdat burgers mogen verwachten dat handhaving uitsluitend plaatsvindt op basis van rechtsgeldige besluiten en dat vergelijkbare gevallen gelijk worden behandeld. Daarbij heeft eiser een artikel van RTV Utrecht overgelegd over eerdere onjuiste snelheidsaanduidingen op de A27, waarna niet handhavend is opgetreden.9. Over het ontbreken van een geldig verkeersbesluit overweegt de rechtbank als volgt. Het ontbreken van een geldig verkeersbesluit, ontslaat een individuele verkeersdeelnemer niet van de plicht gevolg te geven aan geplaatste verkeersborden. Dit volgt ook uit het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2020. Dat er wellicht geen geldig verkeersbesluit ten grondslag lag aan de plaatsing van de verkeersborden met de maximumsnelheid van 80 km/u, maakt dus niet dat die maximumsnelheid niet gold.
10. De rechtbank is verder van oordeel dat de verkeersaanduiding op de A27, ter hoogte van en voorafgaand aan hectometerpaal 66,1, voldoende duidelijk is. De werkzaamheden, ter hoogte van hectometerpaal 66,1, waren onderdeel van het Tracébesluit om de knooppunten op de A27 ter hoogte van Houten-Hooipolder te verbreden. Over het hele traject zijn of worden wegwerkzaamheden uitgevoerd. Of op het moment van de verkeersovertreding zelf, of kort daarna, feitelijk werkzaamheden plaatsvonden, is niet bepalend voor de geldende maximumsnelheid.
11. Eiser is verplicht gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Tijdelijk geplaatste of toegepaste verkeerstekens – waaronder ook verkeersborden - op het wegdek gaan boven ter plekke aangebrachte andere verkeerstekens op het wegdek, voor zover deze verkeerstekens onverenigbaar zijn. De tijdelijk aangebrachte verkeersborden met een maximumsnelheid van 80 km/u - en de borden waarop te zien is hoeveel kilometer de werkzaamheden nog voortduren – zijn ook op de door eiser overgelegd foto’s te zien. De rechtbank overweegt daarom dat het voor eiser voldoende duidelijk was waar de werkzaamheden bezig waren – ook als de fysieke werkzaamheden niet direct zichtbaar waren voor hem - en dat hij verder had moeten weten dat de tijdelijk aangebrachte verkeersborden golden boven bijvoorbeeld permanent aangebrachte hectometerpaaltjes. Het argument dat onduidelijk was wanneer er dan een einde kwam aan de zone waarvoor de lagere maximumsnelheid gold, slaagt ook niet, nu de snelheidsovertreding is begaan kort nadat er borden stonden met de maximale snelheid van 80 km/u.
12. De rechtbank merkt ten slotte op dat het artikel van RTV Utrecht niet ziet op de onderhavige situatie. Het gaat over een ander weggedeelte van de A27 en een ander moment. Het is blijkbaar een keuze geweest om overtreders op die specifieke dag niet te beboeten, maar dat maakt niet dat op de onderhavige datum niet mocht worden opgetreden.
13. Gelet op het voorgaande, slaagt eisers beroep op het vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel en legaliteitsbeginsel dus niet.
Is het besluit in redelijkheid opgelegd?
14. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat het bestreden besluit onevenredig is. In dat verband heeft hij gewezen op de kosten die de opgelegde cursus met zich brengen en welke gevolgen het tijdelijk niet mogen rijden voor hem in privé en zakelijk hebben gehad.
15. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de toepasselijke bepalingen uit de Wvw 1994 en de Regeling geen ruimte laten om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Een rechter kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken, maar dat is in dit geval niet gebleken. Financiële gevolgen en het niet kunnen reizen met een auto zijn, hoe vervelend ook, daarvoor onvoldoende.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de opgelegde maatregel in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2025:2306.
Dit volgt uit artikel 3 van de Regeling.
ECLI:NL:RVS:2024:5387.
ECLI:NL:HR:2020:1055.
Dit volgt uit artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).
Dit volgt uit artikel 63 en 63a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).
Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2018:928 en ECLI:NL:RVS:2020:1574.
ECLI:NL:RVS:2022:177.