Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4953
2026-05-29
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
UTR 25/4868
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Last onder dwangsom opgelegd van € 5.000,- bij elke toekomstige overtreding van artikel 2.74 van de APV, met een maximum van € 20.000,- , omdat eiser zou hebben gehandeld in cocaïne. Beroep ongegrond.
Citeert (7)
- ECLI:NL:RVS:2025:5330 Raad van State 05-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2022:400 Raad van State 09-02-2022
- ECLI:NL:RVS:2023:411 Raad van State 01-02-2023
- ECLI:NL:RVS:2020:2771 Raad van State 18-11-2020
- ECLI:NL:RVS:2022:1361 Raad van State 11-05-2022
- ECLI:NL:RVS:2026:1947 Raad van State 08-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2022:400 Raad van State 09-02-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.925 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4868
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.P. Harten),
en
de burgemeester van de gemeente Vijfheerenlanden
(gemachtigde: M. van Ommeren).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep tegen de aan eiser opgelegde last onder dwangsom. Aan eiser is een last onder dwangsom opgelegd van € 5.000,- bij elke toekomstige overtreding van artikel 2.74 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Vijfheerenlanden (APV), met een maximum van € 20.000,- , omdat eiser in [plaats] en omgeving zou hebben gehandeld in cocaïne. Eiser is het niet eens met deze beslissing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de opgelegde last onder dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester een last onder dwangsom heeft mogen opleggen ter voorkoming van toekomstige overtreding(en) van artikel 2.74 van de APV. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 16 juli 2025 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij het besluit gebleven om een dwangsom op te leggen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. E. Paydas als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?
3. De burgemeester heeft een bestuurlijke rapportage van 11 februari 2025 aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd. Uit deze rapportage volgt dat er op 6 juli 2023 een melding is gedaan via Meld Misdaad Anoniem (MMA) over een telefoonnummer waarmee drugs werd verhandeld. Op 6 november 2023 is nog een melding gedaan via MMA waarin staat dat de dealer met het telefoonnummer uit de vorige melding zich ‘ [bijnaam] ’ noemt. Op 19 januari 2024 wordt bij de politie bekend dat [bijnaam] een Turkse man zou betreffen, en dat zijn echte naam [eiser] is. Op 25 januari 2024 heeft een pseudoaankoop van cocaïne plaatsgevonden door de politie, waarbij twee dealers betrokken waren. Hiervoor werd afgesproken op de parkeerplaats voor zwembad [locatie] aan de Tiendweg te [plaats] . Een van de dealers werd door de politie herkend als eiser. Na onderzoek is gebleken dat de witte poeder daadwerkelijk cocaïne betrof.
4. Hierna is het onderzoek enige tijd stil komen te liggen, omdat het telefoonnummer uit de MMA meldingen niet meer in gebruik was. Na de bekendwording van een ander ‘dealnummer’ is het onderzoek hervat. Op 27 september 2024 heeft er een tweede pseudokoop plaatsgevonden binnen hetzelfde onderzoek. Hierbij is opnieuw
afgesproken op de parkeerplaats voor zwembad [locatie] aan de Tiendweg in [plaats] . Hierbij werd door de pseudokoper contact opgenomen met het bekende dealnummer, waarna er een overdracht heeft plaatsgevonden van twee wikkels met daarin verdovende
middelen. De verkoper werd weer herkend als eiser en reed in een Renault Clio, waarvan bekend was dat hij daar vast gebruik van maakte. Na onderzoek is vastgesteld dat de verdovende middelen cocaïne betroffen.
5. Op 29 oktober 2024 is eiser buiten heterdaad aangehouden voor de verdenking van handel in harddrugs, terwijl hij in de hierboven genoemde Renault Clio reed. In de auto is onder meer aangetroffen: 1 telefoon, 2 ongebruikte simkaarten, 1 weegschaal en 1 wikkel met poeder. Uit onderzoek is gebleken dat via de telefoon werd gehandeld in verdovende middelen en dat op de weegschaal sporen van cocaïne en paracetamol zijn aangetroffen. Later is in de woning waar eiser staat ingeschreven een geldbedrag van €12.975,- aangetroffen, welke in beslag is genomen. Op 17 december 2024 heeft eiser tegenover de politie bekend dat hij in een periode in 2024 in harddrugs heeft gehandeld.
Is eiser in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven?
6. Eiser voert aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze te geven over het voornemen om een dwangsom op te leggen. Hij heeft dat voornemen niet ontvangen, waardoor het telefonisch contact op 12 maart 2025 niet kan worden aangemerkt als een zienswijze op het voornemen.
7. De rechtbank stelt vast dat uit de gespreksnotitie van 12 maart 2025 volgt dat eiser heeft aangegeven de brief niet te snappen. Zijn grootste zorg zat hem in de veronderstelling dat hij de dwangsom meteen moest betalen, maar dacht toch te begrijpen dat dat alleen moest als hij opnieuw de fout in zou gaan. Hierop is telefonisch uitgelegd dat hij inderdaad alleen een dwangsom verschuldigd is als hij weer artikel 2:74 van de APV overtreed. Ook is uitgelegd dat hij nog 2 weken heeft om op de brief van 10 maart 2025 (het voornemen) te reageren. Eisers antwoord hierop was dat hij niet meer de fout in zal gaan en dat het daarom fijn is dat hij niet hoeft te betalen. Dit gesprek mocht genoteerd worden en mocht worden aangemerkt als zienswijze.
8. De rechtbank is van oordeel dat uit de gespreksnotitie vast is komen te staan dat eiser het voornemen wel heeft ontvangen. Hij geeft namelijk zelf aan dat hij de brief niet begrijpt. Ook is hij door de ambtenaar voldoende ingelicht over de mogelijkheid om binnen twee weken een zienswijze in te dienen, waardoor de rechtbank van oordeel is dat eiser voldoende in de gelegenheid is geweest een zienswijze naar voren te brengen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de burgemeester gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid?
9. Eiser voert aan dat op grond van de bestuurlijke rapportage niet kan worden vastgesteld dat artikel 2.74 van de APV is overtreden. Daarbij is van belang dat pas sprake is van overtreding van dit artikel, wanneer sprake is van drugshandel op een openbare plaats. Eiser stelt dat de door de politie gedane pseudoaankopen of een beschrijving van eerdere handel door getuigen, zonder koppeling aan de openbare plaats en het doel op een bepaald moment, niet volstaat. Bij de pseudoaankoop van 25 januari 2024 zijn twee personen aanwezig waarbij niet expliciet wordt genoemd dat eiser degene is die de drugs verhandeld. Eiser is bij deze aankoop herkend, maar verder is geen gedetailleerde beschrijving van de transactie zelf weergegeven. De burgemeester had zich daarom van de achterliggende informatie over de verdenking tegen eiser moeten vergewissen om te kunnen beoordelen of de opgemaakte bestuurlijke rapportage wel juist is.
10. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de burgemeester in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen die zijn opgenomen in een bestuurlijke rapportage. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt ook dat overtreding van artikel 2:74 van de APV doorgaans bewezen wordt geacht als sprake is van verklaringen van getuigen dat drugs worden verhandeld en er handelingen zijn waargenomen die worden herkend als dealergedrag. Daarbij is van belang dat dit zich ook afspeelt in de openbare ruimte.
11. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester met de bestuurlijke rapportage aannemelijk heeft gemaakt dat eiser artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat de politie twee keer een pseudoaankoop van cocaïne heeft gedaan op de parkeerplaats voor zwembad [locatie] aan de Tiendweg in [plaats] . Naar het oordeel van de rechtbank volgt hier concreet uit dat in de openbare ruimte is gehandeld. Voor zover bij de eerste pseudokoop nog onduidelijk is wie daadwerkelijk de drugs heeft overhandigd, kan daar voor de tweede pseudokoop geen mistverstand over bestaan. Reeds daarmee staat vast dat artikel 2:74 van de APV is overtreden. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat uit de bestuurlijke rapportage niet volgt dat eiser artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. Daarnaast is onduidelijk gebleven in welk opzicht de burgemeester niet heeft voldaan aan de vergewisplicht. Door eiser is niet aangevoerd wat er onjuist is aan de inhoud van de bestuurlijke rapportage.
Heeft de burgemeester in redelijkheid gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid?
12. Eiser voert aan dat het opleggen van een last onder dwangsom in dit geval te vroeg is, omdat er nog geen sprake is van een strafrechtelijke veroordeling. Eiser heeft niet verklaard drugs te hebben gehandeld op straat in een strafrechtelijk proces, alleen dat hij drugs heeft gehandeld. Verder stelt eiser dat onvoldoende is gekeken naar zijn persoonlijke situatie bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom. Eiser is momenteel arbeidsongeschikt, wat maakt dat de hoogte van de dwangsom in zijn geval onevenredig is. Bovendien heeft de burgemeester niet afgewogen of er met een minder ingrijpende maatregel kon worden volstaan, zoals een waarschuwing, waardoor helemaal geen dwangsom opgelegd hoeft te worden. Eiser stelt ook dat de noodzaak van de dwangsom niet is onderbouwd en een einddatum voor de last had moeten worden opgenomen. De burgemeester had volgens eiser ook moeten wijzen op artikel 5:34, tweede lid, van de Awb, waarin staat dat eiser na een jaar kan verzoeken de last op te heffen indien het bestreden besluit een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd. Dit levert een zorgvuldigheidsgebrek op.
13. Voor zover eiser betoogt dat hij met de last onder dwangsom dubbel wordt gestraft, geldt het volgende. Een last onder dwangsom is naar nationaal recht geclassificeerd als een herstelsanctie en niet als een criminal charge. Het doel van de last onder dwangsom is in dit geval het voorkomen van een herhaling van de overtreding van artikel 2:74 van de APV. Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord. De last onder dwangsom is niet strafrechtelijk van aard. De zwaarte van de last is in die zin beperkt. De dwangsom is ook niet zodanig hoog dat dit zou maken dat de last als een criminal charge moet worden aangemerkt. In artikel 5:32b, derde lid, van de Awb is bepaald dat de vast te stellen dwangsom in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Het doel van de last onder dwangsom is het voorkomen van herhaling van de overtreding van artikel 2:74 van de APV. Als eiser niet opnieuw de overtreding begaat, verbeurt hij geen dwangsom.
14. Verder is de omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor eiser geen grond voor het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat de burgemeester geen dwangsom op kan leggen. Eiser heeft verder ook niet concreet onderbouwd wat het verbeuren van de maximale dwangsom voor hem zou betekenen, los van dat hij momenteel werkloos is. De burgemeester heeft verder aangeboden dat er een passende betalingsregeling getroffen kan worden als eiser alsnog een dwangsom verbeurt.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester zich dus in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheden die eiser aanvoert niet zo bijzonder zijn dat de last onder dwangsom onevenredig is. De last onder dwangsom is uitgewerkt als vier keer een dwangsom is verbeurd en is dus niet oneindig geldig. De burgemeester is daarnaast niet verplicht om een einddatum op te nemen in de last, en ook niet verplicht om te verwijzen naar artikel 5:34, tweede lid, van de Awb.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de dwangsom in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2025:5330.
ECLI:NL:RVS:2022:400 en ECLI:NL:RVS:2023:411.
ECLI:NL:RVS:2020:2771.
ECLI:NL:RVS:2022:1361.
ECLI:NL:RVS:2026:1947.
ECLI:NL:RVS:2022:400.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4868
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.P. Harten),
en
de burgemeester van de gemeente Vijfheerenlanden
(gemachtigde: M. van Ommeren).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep tegen de aan eiser opgelegde last onder dwangsom. Aan eiser is een last onder dwangsom opgelegd van € 5.000,- bij elke toekomstige overtreding van artikel 2.74 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Vijfheerenlanden (APV), met een maximum van € 20.000,- , omdat eiser in [plaats] en omgeving zou hebben gehandeld in cocaïne. Eiser is het niet eens met deze beslissing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de opgelegde last onder dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester een last onder dwangsom heeft mogen opleggen ter voorkoming van toekomstige overtreding(en) van artikel 2.74 van de APV. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 16 juli 2025 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij het besluit gebleven om een dwangsom op te leggen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. E. Paydas als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?
3. De burgemeester heeft een bestuurlijke rapportage van 11 februari 2025 aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd. Uit deze rapportage volgt dat er op 6 juli 2023 een melding is gedaan via Meld Misdaad Anoniem (MMA) over een telefoonnummer waarmee drugs werd verhandeld. Op 6 november 2023 is nog een melding gedaan via MMA waarin staat dat de dealer met het telefoonnummer uit de vorige melding zich ‘ [bijnaam] ’ noemt. Op 19 januari 2024 wordt bij de politie bekend dat [bijnaam] een Turkse man zou betreffen, en dat zijn echte naam [eiser] is. Op 25 januari 2024 heeft een pseudoaankoop van cocaïne plaatsgevonden door de politie, waarbij twee dealers betrokken waren. Hiervoor werd afgesproken op de parkeerplaats voor zwembad [locatie] aan de Tiendweg te [plaats] . Een van de dealers werd door de politie herkend als eiser. Na onderzoek is gebleken dat de witte poeder daadwerkelijk cocaïne betrof.
4. Hierna is het onderzoek enige tijd stil komen te liggen, omdat het telefoonnummer uit de MMA meldingen niet meer in gebruik was. Na de bekendwording van een ander ‘dealnummer’ is het onderzoek hervat. Op 27 september 2024 heeft er een tweede pseudokoop plaatsgevonden binnen hetzelfde onderzoek. Hierbij is opnieuw
afgesproken op de parkeerplaats voor zwembad [locatie] aan de Tiendweg in [plaats] . Hierbij werd door de pseudokoper contact opgenomen met het bekende dealnummer, waarna er een overdracht heeft plaatsgevonden van twee wikkels met daarin verdovende
middelen. De verkoper werd weer herkend als eiser en reed in een Renault Clio, waarvan bekend was dat hij daar vast gebruik van maakte. Na onderzoek is vastgesteld dat de verdovende middelen cocaïne betroffen.
5. Op 29 oktober 2024 is eiser buiten heterdaad aangehouden voor de verdenking van handel in harddrugs, terwijl hij in de hierboven genoemde Renault Clio reed. In de auto is onder meer aangetroffen: 1 telefoon, 2 ongebruikte simkaarten, 1 weegschaal en 1 wikkel met poeder. Uit onderzoek is gebleken dat via de telefoon werd gehandeld in verdovende middelen en dat op de weegschaal sporen van cocaïne en paracetamol zijn aangetroffen. Later is in de woning waar eiser staat ingeschreven een geldbedrag van €12.975,- aangetroffen, welke in beslag is genomen. Op 17 december 2024 heeft eiser tegenover de politie bekend dat hij in een periode in 2024 in harddrugs heeft gehandeld.
Is eiser in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven?
6. Eiser voert aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze te geven over het voornemen om een dwangsom op te leggen. Hij heeft dat voornemen niet ontvangen, waardoor het telefonisch contact op 12 maart 2025 niet kan worden aangemerkt als een zienswijze op het voornemen.
7. De rechtbank stelt vast dat uit de gespreksnotitie van 12 maart 2025 volgt dat eiser heeft aangegeven de brief niet te snappen. Zijn grootste zorg zat hem in de veronderstelling dat hij de dwangsom meteen moest betalen, maar dacht toch te begrijpen dat dat alleen moest als hij opnieuw de fout in zou gaan. Hierop is telefonisch uitgelegd dat hij inderdaad alleen een dwangsom verschuldigd is als hij weer artikel 2:74 van de APV overtreed. Ook is uitgelegd dat hij nog 2 weken heeft om op de brief van 10 maart 2025 (het voornemen) te reageren. Eisers antwoord hierop was dat hij niet meer de fout in zal gaan en dat het daarom fijn is dat hij niet hoeft te betalen. Dit gesprek mocht genoteerd worden en mocht worden aangemerkt als zienswijze.
8. De rechtbank is van oordeel dat uit de gespreksnotitie vast is komen te staan dat eiser het voornemen wel heeft ontvangen. Hij geeft namelijk zelf aan dat hij de brief niet begrijpt. Ook is hij door de ambtenaar voldoende ingelicht over de mogelijkheid om binnen twee weken een zienswijze in te dienen, waardoor de rechtbank van oordeel is dat eiser voldoende in de gelegenheid is geweest een zienswijze naar voren te brengen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de burgemeester gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid?
9. Eiser voert aan dat op grond van de bestuurlijke rapportage niet kan worden vastgesteld dat artikel 2.74 van de APV is overtreden. Daarbij is van belang dat pas sprake is van overtreding van dit artikel, wanneer sprake is van drugshandel op een openbare plaats. Eiser stelt dat de door de politie gedane pseudoaankopen of een beschrijving van eerdere handel door getuigen, zonder koppeling aan de openbare plaats en het doel op een bepaald moment, niet volstaat. Bij de pseudoaankoop van 25 januari 2024 zijn twee personen aanwezig waarbij niet expliciet wordt genoemd dat eiser degene is die de drugs verhandeld. Eiser is bij deze aankoop herkend, maar verder is geen gedetailleerde beschrijving van de transactie zelf weergegeven. De burgemeester had zich daarom van de achterliggende informatie over de verdenking tegen eiser moeten vergewissen om te kunnen beoordelen of de opgemaakte bestuurlijke rapportage wel juist is.
10. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de burgemeester in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen die zijn opgenomen in een bestuurlijke rapportage. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt ook dat overtreding van artikel 2:74 van de APV doorgaans bewezen wordt geacht als sprake is van verklaringen van getuigen dat drugs worden verhandeld en er handelingen zijn waargenomen die worden herkend als dealergedrag. Daarbij is van belang dat dit zich ook afspeelt in de openbare ruimte.
11. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester met de bestuurlijke rapportage aannemelijk heeft gemaakt dat eiser artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat de politie twee keer een pseudoaankoop van cocaïne heeft gedaan op de parkeerplaats voor zwembad [locatie] aan de Tiendweg in [plaats] . Naar het oordeel van de rechtbank volgt hier concreet uit dat in de openbare ruimte is gehandeld. Voor zover bij de eerste pseudokoop nog onduidelijk is wie daadwerkelijk de drugs heeft overhandigd, kan daar voor de tweede pseudokoop geen mistverstand over bestaan. Reeds daarmee staat vast dat artikel 2:74 van de APV is overtreden. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat uit de bestuurlijke rapportage niet volgt dat eiser artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. Daarnaast is onduidelijk gebleven in welk opzicht de burgemeester niet heeft voldaan aan de vergewisplicht. Door eiser is niet aangevoerd wat er onjuist is aan de inhoud van de bestuurlijke rapportage.
Heeft de burgemeester in redelijkheid gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid?
12. Eiser voert aan dat het opleggen van een last onder dwangsom in dit geval te vroeg is, omdat er nog geen sprake is van een strafrechtelijke veroordeling. Eiser heeft niet verklaard drugs te hebben gehandeld op straat in een strafrechtelijk proces, alleen dat hij drugs heeft gehandeld. Verder stelt eiser dat onvoldoende is gekeken naar zijn persoonlijke situatie bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom. Eiser is momenteel arbeidsongeschikt, wat maakt dat de hoogte van de dwangsom in zijn geval onevenredig is. Bovendien heeft de burgemeester niet afgewogen of er met een minder ingrijpende maatregel kon worden volstaan, zoals een waarschuwing, waardoor helemaal geen dwangsom opgelegd hoeft te worden. Eiser stelt ook dat de noodzaak van de dwangsom niet is onderbouwd en een einddatum voor de last had moeten worden opgenomen. De burgemeester had volgens eiser ook moeten wijzen op artikel 5:34, tweede lid, van de Awb, waarin staat dat eiser na een jaar kan verzoeken de last op te heffen indien het bestreden besluit een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd. Dit levert een zorgvuldigheidsgebrek op.
13. Voor zover eiser betoogt dat hij met de last onder dwangsom dubbel wordt gestraft, geldt het volgende. Een last onder dwangsom is naar nationaal recht geclassificeerd als een herstelsanctie en niet als een criminal charge. Het doel van de last onder dwangsom is in dit geval het voorkomen van een herhaling van de overtreding van artikel 2:74 van de APV. Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord. De last onder dwangsom is niet strafrechtelijk van aard. De zwaarte van de last is in die zin beperkt. De dwangsom is ook niet zodanig hoog dat dit zou maken dat de last als een criminal charge moet worden aangemerkt. In artikel 5:32b, derde lid, van de Awb is bepaald dat de vast te stellen dwangsom in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Het doel van de last onder dwangsom is het voorkomen van herhaling van de overtreding van artikel 2:74 van de APV. Als eiser niet opnieuw de overtreding begaat, verbeurt hij geen dwangsom.
14. Verder is de omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor eiser geen grond voor het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat de burgemeester geen dwangsom op kan leggen. Eiser heeft verder ook niet concreet onderbouwd wat het verbeuren van de maximale dwangsom voor hem zou betekenen, los van dat hij momenteel werkloos is. De burgemeester heeft verder aangeboden dat er een passende betalingsregeling getroffen kan worden als eiser alsnog een dwangsom verbeurt.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester zich dus in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheden die eiser aanvoert niet zo bijzonder zijn dat de last onder dwangsom onevenredig is. De last onder dwangsom is uitgewerkt als vier keer een dwangsom is verbeurd en is dus niet oneindig geldig. De burgemeester is daarnaast niet verplicht om een einddatum op te nemen in de last, en ook niet verplicht om te verwijzen naar artikel 5:34, tweede lid, van de Awb.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de dwangsom in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2025:5330.
ECLI:NL:RVS:2022:400 en ECLI:NL:RVS:2023:411.
ECLI:NL:RVS:2020:2771.
ECLI:NL:RVS:2022:1361.
ECLI:NL:RVS:2026:1947.
ECLI:NL:RVS:2022:400.