Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4841
2026-07-27
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
UTR 26/2206
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Hoogte van het WIA-dagloon. Het Uwv mocht bij de vaststelling van het dagloon uitgaan van de gegevens in de polisadministratie. Hoewel eiseres met een onherroepelijke beschikking van de kantonrechter aannemelijk heeft gemaakt dat zij over de referteperiode aanspraak heeft op meer loon, betekent dit niet dat het Uwv bij de dagloonberekening van de gegevens in de polisadministratie moest afwijken. Volgens de toepasselijke beleidsregels is daarvoor vereist dat de werkgever een gecorrigeerde loonaangifte doet. Nu dat niet is gebeurd, is het meerdere loon niet aan de Belastingdienst verantwoord en hoefde het Uwv daarmee geen rekening te houden.
Citeert (7)
- ECLI:NL:CRVB:2022:1201 Centrale Raad van Beroep 02-06-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:961 Centrale Raad van Beroep 28-04-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1233 Centrale Raad van Beroep 01-06-2022
- ECLI:NL:CRVB:2012:BY5963 Centrale Raad van Beroep 30-11-2012
- ECLI:NL:CRVB:2013:CA1932 Centrale Raad van Beroep 04-06-2013
- ECLI:NL:CRVB:2014:850 Centrale Raad van Beroep 12-03-2014
- ECLI:NL:CRVB:2016:3717 Centrale Raad van Beroep 30-09-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.914 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2206
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. O. Labordus),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. B.E. de Leng).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aan haar toegekende uitkering op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Voorafgaand
Eiseres werkte als [functie] bij [bedrijf] (werkgever) voor gemiddeld 22,39 uur. Op 26 november 2020 is zij voor haar werkzaamheden uitgevallen. Met het besluit van 2 november 2022 heeft het Uwv beslist dat eiseres vanaf 24 november 2022 recht heeft op een WIA-uitkering, waarbij het maandloon is vastgesteld op een bedrag van € 3.296,-. Eiseres was het niet eens met het vastgestelde maandloon, omdat zij te weinig loon van haar werkgever heeft ontvangen. Haar bezwaar hiertegen is met het besluit van 12 april 2023 ongegrond verklaard. Per 24 januari 2024 is deze uitkering gewijzigd naar een loonaanvullingsuitkering.
Eiseres heeft vervolgens een arbeidsrechtelijke procedure gestart om achterstallig loon bij haar werkgever te vorderen. Met de beschikking van 27 november 2024 heeft de kantonrechter de vordering toegewezen.
Huidige procedure
Op 12 maart 2025 heeft eiseres het Uwv verzocht om het WIA-maandloon naar aanleiding van de beschikking van de kantonrechter te herzien.
Met het besluit van 1 september 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv het WIA-maandloon opnieuw berekend over de periode van 1 november 2019 tot en met 31 oktober 2024 en beslist dat eiseres per 24 november 2022 een hogere WIA-uitkering krijgt, waarbij het WIA-maandloon per deze datum is vastgesteld op een bedrag van € 3.498,71.
Eiseres is het niet eens met de vaststelling van de hoogte van haar maandloon en heeft bezwaar gemaakt, omdat zij vindt dat de nabetaling over de maand december 2019 meegenomen moet worden in de berekening van de WIA-uitkering. Met het besluit van 5 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv ook aangekondigd dat er een nieuw primair besluit zal volgen, omdat volgens het Uwv de gehele nabetaling buiten beschouwing had moeten worden gelaten.
Op 2 maart 2026 heeft het college het nieuwe primaire besluit genomen, waarbij de WIA-uitkering van eiseres vanaf 1 mei 2026 op een lager bedrag is vastgesteld, berekend naar een maandloon van € 3.014,09.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiseres, vergezeld door haar partner, digitaal deelgenomen. De gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv waren fysiek aanwezig.
Het oordeel van de rechtbank
1. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of het Uwv de hoogte van het dagloon van de WIA-uitkering juist heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Onvolledige besluitvorming
2. Voordat de rechtbank overgaat tot de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden, stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit van 5 februari 2026 incompleet is, nu daarin niet volledig inhoudelijk is beslist op het bezwaar van eiseres. Dat is pas in het tweede besluit van 2 maart 2026 gebeurd. Volgens de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is deze getrapte vorm van beslissen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal deze besluiten dan ook samen als het bestreden besluit beschouwen. Zij zal dit gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet in haar belangen is geschaad.
De dagloonberekening
3. De rechtbank stelt voorop dat de hoogte van het dagloon wordt bepaald aan de hand van het loon dat in de referteperiode is ontvangen. Niet in geschil is dat de referteperiode in het geval van eiseres loopt van 1 november 2019 tot en met 31 oktober 2020. Het volgens de opgave van de werkgever in deze periode door eiseres (gemiddeld) ontvangen SV-loon vormt dus de basis voor de dagloonberekening. Het Uwv is daarbij uitgegaan van de gegevens in de polisadministratie. De nabetaling wegens achterstallig loon – waar het hier om gaat – heeft niet in de referteperiode plaatsgevonden, maar pas (geruime tijd) erna. Daarom heeft het Uwv deze nabetaling niet meegenomen in de berekening van het dagloon. Verder is volgens het Uwv niet is gebleken dat de nabetaling in de referteperiode vorderbaar en niet inbaar was.
4. Eiseres heeft op de zitting de juistheid van de gegevens in de polisadministratie betwist. Zij wijst erop dat uit de beschikking van de kantonrechter van 27 november 2024 blijkt dat haar loonvorderingen, waaronder die over december 2019, zijn toegewezen. Daarbij is de werkgever veroordeeld om de loonaangiften over de jaren 2018 tot en met 2022 te corrigeren. Volgens eiseres volgt hieruit dat de in de polisadministratie opgenomen loongegevens over de referteperiode onjuist zijn. Dat de werkgever heeft aangegeven dat de loonaangiften vanwege het tijdsverloop niet meer te kunnen corrigeren, doet daar volgens eiseres niet aan af. Eiseres stelt daarom dat de nabetaling die ziet op de referteperiode bij de dagloonberekening moet worden betrokken, zodat zij recht heeft op een hoger dagloon.
5. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB mag het Uwv bij de vaststelling van het dagloon uitgaan van de gegevens in de polisadministratie, tenzij eiseres aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. De rechtbank heeft bij haar beoordeling tevens kennis genomen van de Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens 2018 (de Beleidsregels). Hoewel partijen deze Beleidsregels niet uitdrukkelijk aan hun standpunten ten grondslag hebben gelegd, betreft het gepubliceerd beleid dat een nadere invulling geeft aan het gebruik van gegevens uit de polisadministratie. De rechtbank betrekt deze Beleidsregels daarom bij haar beoordeling.
6. Artikel 3 van de Beleidsregels bepaalt dat het Uwv gegevens uit een andere bron gebruikt als het vaststelt dat de gegevens in de polisadministratie niet kunnen worden gebruikt. Uit de toelichting op dit artikel volgt dat daarvan onder meer sprake kan zijn wanneer een werknemer aantoont dat de werkgever een onjuiste loonaangifte heeft gedaan. Volgens de toelichting op artikel 3 van de Beleidsregels kan deze situatie zich onder meer voordoen wanneer een werknemer aantoont dat een bepaald gegeven onjuist is. Daarbij is vermeld dat de werkgever bij de loonaangifte een fout kan maken, bijvoorbeeld doordat geen of een onjuist bedrag aan loon is opgegeven. De werkgever zal in dat geval alsnog een gecorrigeerde loonaangifte moeten doen. Het Uwv kan dan alsnog daarmee rekening houden.
7. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de (onherroepelijke) beschikking van de kantonrechter van 27 november 2024 aannemelijk heeft gemaakt dat zij over de referteperiode aanspraak heeft op meer loon dan in de polisadministratie is opgenomen. Daarmee staat echter nog niet vast dat het Uwv gehouden was bij de dagloonberekening van de gegevens in de polisadministratie af te wijken. Uit de toelichting op artikel 3 van de Beleidsregels volgt immers dat de werkgever in een dergelijk geval alsnog een gecorrigeerde loonaangifte moet doen. Vaststaat dat de werkgever na de beschikking van 27 november 2024 geen gecorrigeerde loonaangifte heeft ingediend. Dit brengt mee dat het meerdere loon waarop eiseres aanspraak maakt niet aan de Belastingdienst is verantwoord. Er bestaat dan ook geen grond om de in de polisadministratie opgenomen gegevens als onjuist aan te merken. Onder deze omstandigheden heeft het Uwv dus mogen uitgaan van de gegevens in de polisadministratie. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De rechtbank is verder van oordeel dat het Uwv terecht de nabetalingen ook niet met toepassing van artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit heeft meegenomen in de dagloonberekening. Dit artikellid vormt een uitzondering op het uitgangspunt van artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit en ziet op loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode wel vorderbaar, maar niet inbaar was. Daarvoor is vereist dat eiseres haar werkgever in de referteperiode op niet mis te verstane wijze tot betaling heeft gemaand. Tussen partijen is niet in geschil dat aan deze voorwaarde niet is voldaan.
Het rechtszekerheidsbeginsel
9. Eiseres stelt dat het besluit van het Uwv om de eerder naar aanleiding van het herzieningsverzoek toegekende verhoging van het WIA-maandloon ongedaan te maken, in strijd is met het rechtzekerheidsbeginsel. Eiseres heeft het herzieningsverzoek ingediend in navolging van een aanwijzing van het Uwv in de eerdere beslissing op bezwaar, waarin het Uwv expliciet had vermeld dat eiseres na afronding van de arbeidsrechtelijke procedure een dergelijk verzoek kon indienen. Daarbij was het Uwv volgens eiseres volledig op de hoogte van alle relevante feiten, waaronder dat eiseres de ex-werkgever in de referteperiode niet had aangesproken op betaling van het achterstallige loon. Onder deze omstandigheden mocht het indienen van bezwaar er volgens eiseres niet toe leiden dat een eerder toegekende verhoging wordt teruggedraaid, temeer nu geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden. Eiseres heeft op de zitting verder toegelicht dat in dit geval sprake is van het zonder voorbehoud vaststellen en toekennen van een hoger WIA-maandloon en dus niet van het herstellen van een fout.
10. Het Uwv heeft gesteld dat de verhoging van het WIA-maandloon is teruggedraaid, omdat bij de heroverweging een fout in de dagloonberekening is geconstateerd. De rechtbank kan dit standpunt volgen. Zoals de CRvB eerder heeft overwogen, komt het Uwv in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits dit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel of een ander algemeen rechtsbeginsel. Daarnaast volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB dat een heroverweging in bezwaar kan leiden tot een verslechtering van de rechtspositie van eiseres. Daarbij is van belang dat de herziening uitsluitend gevolgen heeft voor de toekomst.
11. Anders dan eiseres stelt, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin het Uwv zonder voorbehoud een hoger WIA-maandloon heeft toegekend waaraan het niet meer mocht terugkomen. De verwijzing van eiseres op de zitting naar de uitspraak van de CRvB van 31 oktober 2024 leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak waren de omstandigheden anders, omdat het Uwv na een eerdere toekenning ambtshalve terugkwam op het recht op uitkering, terwijl betrokkene redelijkerwijs niet kon begrijpen dat de toekenning onjuist was en er geen rekening mee hoefde te houden dat de gemaakte fout later zou worden hersteld. In deze zaak heeft het Uwv in het kader van de heroverweging in bezwaar een fout in de dagloonberekening hersteld. Dat het Uwv ten tijde van het primaire besluit bekend was met het feit dat eiseres haar werkgever niet in de referteperiode had aangesproken op het achterstallige loon, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat het Uwv niet meer bevoegd was de gemaakte fout te herstellen. Daarbij betrekt de rechtbank dat het Uwv het WIA-maandloon van eiseres met ingang van 1 mei 2026 heeft verlaagd en daarmee een uitlooptermijn van twee maanden heeft gehanteerd. Daarnaast heeft het Uwv op de zitting toegelicht dat het te veel betaalde niet zal worden teruggevorderd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Uwv voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiseres en dat geen sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
12. Voor zover eiseres met haar betoog dat zij erop mocht vertrouwen dat het verhoogde WIA-maandloon in stand zou blijven een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, slaagt dit beroep niet. Niet is gebleken dat het Uwv ondubbelzinnig en zonder voorbehoud heeft toegezegd dat de verhoging van het WIA-maandloon in stand zou blijven.
Conclusie en gevolgen
13. De rechtbank concludeert dat het Uwv de regels uit het Dagloonbesluit juist heeft toegepast en de nabetalingen terecht niet heeft meegenomen in de vaststelling van het dagloon voor de WIA-uitkering.
14. Het beroep is ongegrond. Wel zal de rechtbank het Uwv wegens de toepassing van artikel 6:22 van de Awb veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Het Uwv moet ook het griffierecht aan eiseres vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 2 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1201 r.o. 4.3.
Dit is zo bepaald in artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (het Dagloonbesluit).
Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 28 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:961. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 1 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1233,
Staatscourant 2018 nr. 42236.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 30 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5963 r.o. 5.7 en van 4 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1932 r.o. 5.6.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:850 r.o. 4.3.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3717 r.o. 4.4.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2206
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. O. Labordus),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. B.E. de Leng).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aan haar toegekende uitkering op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Voorafgaand
Eiseres werkte als [functie] bij [bedrijf] (werkgever) voor gemiddeld 22,39 uur. Op 26 november 2020 is zij voor haar werkzaamheden uitgevallen. Met het besluit van 2 november 2022 heeft het Uwv beslist dat eiseres vanaf 24 november 2022 recht heeft op een WIA-uitkering, waarbij het maandloon is vastgesteld op een bedrag van € 3.296,-. Eiseres was het niet eens met het vastgestelde maandloon, omdat zij te weinig loon van haar werkgever heeft ontvangen. Haar bezwaar hiertegen is met het besluit van 12 april 2023 ongegrond verklaard. Per 24 januari 2024 is deze uitkering gewijzigd naar een loonaanvullingsuitkering.
Eiseres heeft vervolgens een arbeidsrechtelijke procedure gestart om achterstallig loon bij haar werkgever te vorderen. Met de beschikking van 27 november 2024 heeft de kantonrechter de vordering toegewezen.
Huidige procedure
Op 12 maart 2025 heeft eiseres het Uwv verzocht om het WIA-maandloon naar aanleiding van de beschikking van de kantonrechter te herzien.
Met het besluit van 1 september 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv het WIA-maandloon opnieuw berekend over de periode van 1 november 2019 tot en met 31 oktober 2024 en beslist dat eiseres per 24 november 2022 een hogere WIA-uitkering krijgt, waarbij het WIA-maandloon per deze datum is vastgesteld op een bedrag van € 3.498,71.
Eiseres is het niet eens met de vaststelling van de hoogte van haar maandloon en heeft bezwaar gemaakt, omdat zij vindt dat de nabetaling over de maand december 2019 meegenomen moet worden in de berekening van de WIA-uitkering. Met het besluit van 5 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv ook aangekondigd dat er een nieuw primair besluit zal volgen, omdat volgens het Uwv de gehele nabetaling buiten beschouwing had moeten worden gelaten.
Op 2 maart 2026 heeft het college het nieuwe primaire besluit genomen, waarbij de WIA-uitkering van eiseres vanaf 1 mei 2026 op een lager bedrag is vastgesteld, berekend naar een maandloon van € 3.014,09.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiseres, vergezeld door haar partner, digitaal deelgenomen. De gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv waren fysiek aanwezig.
Het oordeel van de rechtbank
1. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of het Uwv de hoogte van het dagloon van de WIA-uitkering juist heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Onvolledige besluitvorming
2. Voordat de rechtbank overgaat tot de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden, stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit van 5 februari 2026 incompleet is, nu daarin niet volledig inhoudelijk is beslist op het bezwaar van eiseres. Dat is pas in het tweede besluit van 2 maart 2026 gebeurd. Volgens de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is deze getrapte vorm van beslissen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal deze besluiten dan ook samen als het bestreden besluit beschouwen. Zij zal dit gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet in haar belangen is geschaad.
De dagloonberekening
3. De rechtbank stelt voorop dat de hoogte van het dagloon wordt bepaald aan de hand van het loon dat in de referteperiode is ontvangen. Niet in geschil is dat de referteperiode in het geval van eiseres loopt van 1 november 2019 tot en met 31 oktober 2020. Het volgens de opgave van de werkgever in deze periode door eiseres (gemiddeld) ontvangen SV-loon vormt dus de basis voor de dagloonberekening. Het Uwv is daarbij uitgegaan van de gegevens in de polisadministratie. De nabetaling wegens achterstallig loon – waar het hier om gaat – heeft niet in de referteperiode plaatsgevonden, maar pas (geruime tijd) erna. Daarom heeft het Uwv deze nabetaling niet meegenomen in de berekening van het dagloon. Verder is volgens het Uwv niet is gebleken dat de nabetaling in de referteperiode vorderbaar en niet inbaar was.
4. Eiseres heeft op de zitting de juistheid van de gegevens in de polisadministratie betwist. Zij wijst erop dat uit de beschikking van de kantonrechter van 27 november 2024 blijkt dat haar loonvorderingen, waaronder die over december 2019, zijn toegewezen. Daarbij is de werkgever veroordeeld om de loonaangiften over de jaren 2018 tot en met 2022 te corrigeren. Volgens eiseres volgt hieruit dat de in de polisadministratie opgenomen loongegevens over de referteperiode onjuist zijn. Dat de werkgever heeft aangegeven dat de loonaangiften vanwege het tijdsverloop niet meer te kunnen corrigeren, doet daar volgens eiseres niet aan af. Eiseres stelt daarom dat de nabetaling die ziet op de referteperiode bij de dagloonberekening moet worden betrokken, zodat zij recht heeft op een hoger dagloon.
5. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB mag het Uwv bij de vaststelling van het dagloon uitgaan van de gegevens in de polisadministratie, tenzij eiseres aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. De rechtbank heeft bij haar beoordeling tevens kennis genomen van de Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens 2018 (de Beleidsregels). Hoewel partijen deze Beleidsregels niet uitdrukkelijk aan hun standpunten ten grondslag hebben gelegd, betreft het gepubliceerd beleid dat een nadere invulling geeft aan het gebruik van gegevens uit de polisadministratie. De rechtbank betrekt deze Beleidsregels daarom bij haar beoordeling.
6. Artikel 3 van de Beleidsregels bepaalt dat het Uwv gegevens uit een andere bron gebruikt als het vaststelt dat de gegevens in de polisadministratie niet kunnen worden gebruikt. Uit de toelichting op dit artikel volgt dat daarvan onder meer sprake kan zijn wanneer een werknemer aantoont dat de werkgever een onjuiste loonaangifte heeft gedaan. Volgens de toelichting op artikel 3 van de Beleidsregels kan deze situatie zich onder meer voordoen wanneer een werknemer aantoont dat een bepaald gegeven onjuist is. Daarbij is vermeld dat de werkgever bij de loonaangifte een fout kan maken, bijvoorbeeld doordat geen of een onjuist bedrag aan loon is opgegeven. De werkgever zal in dat geval alsnog een gecorrigeerde loonaangifte moeten doen. Het Uwv kan dan alsnog daarmee rekening houden.
7. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de (onherroepelijke) beschikking van de kantonrechter van 27 november 2024 aannemelijk heeft gemaakt dat zij over de referteperiode aanspraak heeft op meer loon dan in de polisadministratie is opgenomen. Daarmee staat echter nog niet vast dat het Uwv gehouden was bij de dagloonberekening van de gegevens in de polisadministratie af te wijken. Uit de toelichting op artikel 3 van de Beleidsregels volgt immers dat de werkgever in een dergelijk geval alsnog een gecorrigeerde loonaangifte moet doen. Vaststaat dat de werkgever na de beschikking van 27 november 2024 geen gecorrigeerde loonaangifte heeft ingediend. Dit brengt mee dat het meerdere loon waarop eiseres aanspraak maakt niet aan de Belastingdienst is verantwoord. Er bestaat dan ook geen grond om de in de polisadministratie opgenomen gegevens als onjuist aan te merken. Onder deze omstandigheden heeft het Uwv dus mogen uitgaan van de gegevens in de polisadministratie. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De rechtbank is verder van oordeel dat het Uwv terecht de nabetalingen ook niet met toepassing van artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit heeft meegenomen in de dagloonberekening. Dit artikellid vormt een uitzondering op het uitgangspunt van artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit en ziet op loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode wel vorderbaar, maar niet inbaar was. Daarvoor is vereist dat eiseres haar werkgever in de referteperiode op niet mis te verstane wijze tot betaling heeft gemaand. Tussen partijen is niet in geschil dat aan deze voorwaarde niet is voldaan.
Het rechtszekerheidsbeginsel
9. Eiseres stelt dat het besluit van het Uwv om de eerder naar aanleiding van het herzieningsverzoek toegekende verhoging van het WIA-maandloon ongedaan te maken, in strijd is met het rechtzekerheidsbeginsel. Eiseres heeft het herzieningsverzoek ingediend in navolging van een aanwijzing van het Uwv in de eerdere beslissing op bezwaar, waarin het Uwv expliciet had vermeld dat eiseres na afronding van de arbeidsrechtelijke procedure een dergelijk verzoek kon indienen. Daarbij was het Uwv volgens eiseres volledig op de hoogte van alle relevante feiten, waaronder dat eiseres de ex-werkgever in de referteperiode niet had aangesproken op betaling van het achterstallige loon. Onder deze omstandigheden mocht het indienen van bezwaar er volgens eiseres niet toe leiden dat een eerder toegekende verhoging wordt teruggedraaid, temeer nu geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden. Eiseres heeft op de zitting verder toegelicht dat in dit geval sprake is van het zonder voorbehoud vaststellen en toekennen van een hoger WIA-maandloon en dus niet van het herstellen van een fout.
10. Het Uwv heeft gesteld dat de verhoging van het WIA-maandloon is teruggedraaid, omdat bij de heroverweging een fout in de dagloonberekening is geconstateerd. De rechtbank kan dit standpunt volgen. Zoals de CRvB eerder heeft overwogen, komt het Uwv in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits dit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel of een ander algemeen rechtsbeginsel. Daarnaast volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB dat een heroverweging in bezwaar kan leiden tot een verslechtering van de rechtspositie van eiseres. Daarbij is van belang dat de herziening uitsluitend gevolgen heeft voor de toekomst.
11. Anders dan eiseres stelt, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin het Uwv zonder voorbehoud een hoger WIA-maandloon heeft toegekend waaraan het niet meer mocht terugkomen. De verwijzing van eiseres op de zitting naar de uitspraak van de CRvB van 31 oktober 2024 leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak waren de omstandigheden anders, omdat het Uwv na een eerdere toekenning ambtshalve terugkwam op het recht op uitkering, terwijl betrokkene redelijkerwijs niet kon begrijpen dat de toekenning onjuist was en er geen rekening mee hoefde te houden dat de gemaakte fout later zou worden hersteld. In deze zaak heeft het Uwv in het kader van de heroverweging in bezwaar een fout in de dagloonberekening hersteld. Dat het Uwv ten tijde van het primaire besluit bekend was met het feit dat eiseres haar werkgever niet in de referteperiode had aangesproken op het achterstallige loon, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat het Uwv niet meer bevoegd was de gemaakte fout te herstellen. Daarbij betrekt de rechtbank dat het Uwv het WIA-maandloon van eiseres met ingang van 1 mei 2026 heeft verlaagd en daarmee een uitlooptermijn van twee maanden heeft gehanteerd. Daarnaast heeft het Uwv op de zitting toegelicht dat het te veel betaalde niet zal worden teruggevorderd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Uwv voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiseres en dat geen sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
12. Voor zover eiseres met haar betoog dat zij erop mocht vertrouwen dat het verhoogde WIA-maandloon in stand zou blijven een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, slaagt dit beroep niet. Niet is gebleken dat het Uwv ondubbelzinnig en zonder voorbehoud heeft toegezegd dat de verhoging van het WIA-maandloon in stand zou blijven.
Conclusie en gevolgen
13. De rechtbank concludeert dat het Uwv de regels uit het Dagloonbesluit juist heeft toegepast en de nabetalingen terecht niet heeft meegenomen in de vaststelling van het dagloon voor de WIA-uitkering.
14. Het beroep is ongegrond. Wel zal de rechtbank het Uwv wegens de toepassing van artikel 6:22 van de Awb veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Het Uwv moet ook het griffierecht aan eiseres vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 2 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1201 r.o. 4.3.
Dit is zo bepaald in artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (het Dagloonbesluit).
Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 28 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:961. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 1 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1233,
Staatscourant 2018 nr. 42236.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 30 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5963 r.o. 5.7 en van 4 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1932 r.o. 5.6.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:850 r.o. 4.3.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3717 r.o. 4.4.