Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4840

2026-07-22 Bestuursrecht UTR 25/206
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-07-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/206
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en Wet op de huurtoeslag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen het gehele vermogen van eiser mocht betrekken bij de berekening van zijn recht op huurtoeslag. Ook hoefde Dienst Toeslagen geen aanleiding te zien om de terugvordering van de teveel ontvangen huurtoeslag te matigen. Het beroep is ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.403 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/206


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser


en


Dienst Toeslagen, kantoor [plaats] , Dienst Toeslagen


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen geen huurtoeslag aan eiser mocht toekennen, omdat zijn vermogen boven de vermogensgrens ligt en over de vraag of de terugvordering van de teveel ontvangen huurtoeslag evenredig is. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van Dienst Toeslagen in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag voor huurtoeslag gedaan. Voor de jaren 2021, 2022 en 2023 is deze toeslag bij de definitieve berekening op nul vastgesteld omdat het vermogen van eiser te hoog was. Eiser heeft vervolgens bij brieven van verschillende data verzocht om bij de beoordeling van zijn recht op huurtoeslag over 2021 en 2023 zijn vermogen niet te betrekken. Dienst Toeslagen heeft dit verzoek met het besluit van 28 juni 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag voor de jaren 2021 en 2023 gebleven.

3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

4. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

5. De rechtbank heeft met toestemming van partijen geen zitting gehouden en het onderzoek gesloten.



Beoordeling door de rechtbank



Omvang van het geding


6. Eiser heeft verzocht – ondanks het feit dat eiser nog geen bezwaar tegen het betreffende besluit heeft gemaakt – om ook het berekeningsjaar 2022 te betrekken bij de beoordeling van zijn beroep. Reden van dit verzoek is dat eiser ook voor het jaar 2022 bij aparte brief heeft verzocht zijn vermogen buiten beschouwing te laten en ook die aanvraag is afgewezen. Het geschil komt daarmee overeen met het geschil voor de jaren 2021 en 2023. Omdat partijen hiermee hebben ingestemd en de beroepsgronden van eiser voor het jaar 2022 dezelfde zijn als voor de jaren 2021 en 2023 waar dit beroep oorspronkelijk op ziet, zal de rechtbank over alle drie de berekeningsjaren een oordeel geven. Voor het jaar 2022 betreft dit beroep een rechtstreeks beroep in de zin van artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb.



De bestreden besluitvorming


7. Dienst Toeslagen heeft een voorschot huurtoeslag aan eiser verleend van € 2.909,- over 2021, van € 2.903 over 2022 en van € 3.142 over 2023. Eiser heeft de huurtoeslag vanaf 24 februari 2023 stopgezet. Dienst Toeslagen heeft met de besluiten van 4 maart 2023, 10 januari 2025 en 5 september 2025 eisers recht op huurtoeslag over respectievelijk 2021, 2022 en 2023 definitief vastgesteld op € 0,-. Dit omdat eisers vermogen over deze jaren hoger is dan de vermogensgrens. Dienst Toeslagen merkt dit vermogen niet aan als bijzonder vermogen dat wordt uitgesloten bij de berekening van eisers recht op huurtoeslag, omdat het vermogen niet valt in een van de in de wet genoemde categorieën van bijzonder vermogen. Ook heeft Dienst Toeslagen de teveel ontvangen huurtoeslag van in totaal € 6.656,- teruggevorderd. Dienst Toeslagen ziet gelet op eisers omstandigheden geen reden om de terugvordering van de teveel ontvangen huurtoeslag te matigen.



Het standpunt van eiser


8. Eiser vindt dat hij huurtoeslag had moeten krijgen over 2021, 2022 en 2023. Eiser vindt dat een deel van zijn vermogen had moeten worden uitgesloten bij de berekening van zijn recht op huurtoeslag over deze jaren. De overschrijdingen van de vermogensgrens zijn namelijk veroorzaakt door incidentele belastingteruggaven en uitgaven die niet tijdig zijn afgeschreven. Omdat de peildatum voor toeslagen 1 januari van het betreffende jaar is, is volgens eiser een vertekend beeld ontstaan van zijn vermogen. Dienst Toeslagen had volgens eiser bij de beoordeling van zijn huurtoeslag rekening moeten houden met zijn persoonlijke omstandigheden waaronder het tijdelijke karakter van de ontvangen bedragen, het ontbreken van structurele vermogensopbouw, zijn feitelijke financiële draagkracht en de beperking van eisers vermogen om tijdelijke vermogenspieken te corrigeren of te herstructureren. Dit laatste wordt veroorzaakt door eisers medische omstandigheden. Eiser heeft zijn vermogen ook nodig om zijn medische kosten op te vangen. Dienst Toeslagen heeft de teveel ontvangen huurtoeslag over deze jaren dan ook niet mogen terugvorderen.



Het oordeel van de rechtbank


9. De rechtbank stelt voorop dat uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat zijn totale vermogen in de jaren 2021, 2022 en 2023 steeds boven de vermogensgrens ligt op de peildatum van 1 januari van dat jaar. Uit de wet volgt dat in dat geval geen recht op huurtoeslag bestaat. Wel is het mogelijk dat een gedeelte van het vermogen wordt uitgesloten van het totale vermogen als dit vermogen wordt aangemerkt als bijzonder vermogen. In het geval van eiser is geen sprake van vermogen dat volgens de wet kan worden aangemerkt als bijzonder vermogen. Eiser vindt dat een deel van zijn vermogen toch moet worden uitgesloten, omdat hij dit gedeelte reserveert voor zijn hoge medische kosten, het gaat om tijdelijke vermogenspieken en omdat hij gezien zijn medische omstandigheden de tijdelijke vermogenspieken niet op tijd heeft kunnen corrigeren.

10. De rechtbank overweegt dat de in de wet genoemde categorieën van bijzonder vermogen limitatief zijn. Dat wil zeggen dat alleen de in de wet genoemde categorieën van vermogen kunnen worden uitgezonderd bij de rekening van eisers recht op huurtoeslag. De omstandigheid dat eiser een gedeelte van zijn vermogen reserveert voor zijn hoge medische kosten kan daarom niet leiden tot het oordeel dat dit deel van zijn vermogen wordt uitgesloten bij de beantwoording van de vraag of zijn vermogen boven de vermogensgrens ligt.

11. Voor zover eiser aanvoert dat 1 januari als peildatum onevenredig is voor de berekening van zijn recht op huurtoeslag is de rechtbank van oordeel dat het in het geval van eiser niet onevenredig is om daarvan uit te gaan. De omstandigheden van eiser bieden geen aanknopingspunten voor een ander oordeel, omdat uit de overgelegde stukken blijkt dat het vermogen van eiser voor alle drie de jaren structureel boven de vermogensgrens van dat jaar ligt. Dat volgens eiser sprake zou zijn van incidentele, tijdelijke vermogenspieken blijkt onvoldoende uit de overgelegde stukken en kan de rechtbank daarom niet volgen.



Matiging van de terugvordering


12. De rechtbank is verder van oordeel dat het niet onevenredig is dat Dienst Toeslagen de teveel ontvangen huurtoeslag terugvordert, en dat de Dienst Toeslagen geen aanleiding heeft hoeven zien de terugvordering te matigen op grond van artikel 26, tweede lid, van de Awir. Omdat het vermogen van eiser boven de vermogensgrens ligt, mag van hem verwacht worden dat hij zelf zijn huur betaalt. Een overschrijding van de vermogensgrens kan er toe leiden dat als er wel al huurtoeslag is ontvangen, dat deze wordt teruggevorderd. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, waaronder zijn lage inkomen, medische omstandigheden en het feit dat hij een deel van zijn vermogen reserveert voor hoge medische kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig bijzonder dat Dienst Toeslagen van terugvordering had moeten afzien of het bedrag daarvan had moeten matigen. Bovendien kan eiser weer in aanmerking komen voor huurtoeslag als hij hoge kosten maakt en zijn vermogen daardoor onder de vermogensgrens zakt. Ten slotte wijst de rechtbank er op dat eiser een betalingsregeling kan aanvragen bij Dienst Toeslagen om de terugvordering te betalen.




Conclusie en gevolgen


13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Dat volgt uit artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) samen met artikel 7 van de Wet op de huurtoeslag.


Het moet in dat geval gaan om vermogen dat valt onder een van de in artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling van de Awir genoemde categorieën van bijzonder vermogen.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 september 2018, vindplaats ECLI:NL:RVS:2018:2919, overweging 3.5 en van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1729, overweging 3.4.