Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4839
2026-07-13
Bestuursrecht
UTR 25/3735
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Proces-verbaal van mondelinge uitspraak. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag om zorgtoeslag in stand kan blijven omdat deze te laat is ingediend. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet heeft meegenomen waardoor moet worden afgezien van toepassing van de indieningstermijn. Het beroep is ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2023:3125 Raad van State 16-08-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.256 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3735
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: W.K.A. Lautenbach),
en
Dienst Toeslagen, kantoor [plaats] , Dienst Toeslagen
(gemachtigden: [gemachtigden] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om zorgtoeslag over het jaar 2023.
2. Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 10 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.
6. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt de vraag of Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om zorgtoeslag voor 2023 mocht afwijzen, omdat zij haar aanvraag te laat heeft ingediend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
9. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de aanvraag om zorgtoeslag voor het jaar 2023 te laat is ingediend. Eiseres heeft op 9 januari 2025 haar aanvraag ingediend terwijl aanvragen voor het jaar 2023 uiterlijk vóór 1 september 2024 hadden moeten worden ingediend. Eiseres vindt dat haar geen verwijt kan worden gemaakt, omdat de medewerkers bij het belastingkantoor in Arnhem en Heerlen en ook een belastingadviseur haar niet hebben gewezen op de mogelijkheid om zorgtoeslag aan te vragen voor 2023.
10. De vraag is of de omstandigheden die eiseres aanvoert maken dat Dienst Toeslagen had moeten afwijken van de indieningstermijn. De rechtbank vindt van niet. De termijn voor het indienen van een aanvraag om zorgtoeslag staat in de wet. De wet is dwingend geformuleerd en geeft Dienst Toeslagen geen ruimte om van deze indieningstermijn af te wijken. Dit betekent dat als de aanvraag na 1 september 2024 wordt ingediend en geen uitstel voor het doen van de inkomstenbelasting is verleend, de aanvraag te laat is ingediend en Dienst Toeslagen de aanvraag moet afwijzen. Omdat de wet dwingend is geformuleerd kan de rechtbank toepassing daarvan niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dat is alleen anders als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet volledig in de afweging van de wetgever zijn meegenomen en waardoor toepassing van de indieningstermijn zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat toepassing daarvan achterwege moet blijven.
11. Uit de verklaringen van eiseres blijkt dat zij en haar echtgenoot (haar gemachtigde) na hun terugkeer naar Europa en vestiging in Duitsland veel ondernomen hebben om hun belastingzaken en zorgverzekering goed te regelen. Pas in oktober 2024 zijn zij op het spoor van zorgtoeslag gezet, waarna de aanvraag voor zorgtoeslag enige tijd later heeft plaatsgevonden. Vóór oktober 2024 zijn zij er vanuit de overheidsinstanties niet op gewezen dat er recht op zorgtoeslag was. Dat eiseres niet wist, ook al is dat niet verwijtbaar, dat zij zorgtoeslag kon aanvragen en dat zij dit voor een bepaalde datum moest doen, is geen bijzondere omstandigheid waardoor Dienst Toeslagen van de indieningstermijn had moeten afwijken. Door de keuze van de wetgever voor een dwingende aanvraagtermijn, waarbij geen regeling is getroffen voor een niet verwijtbare te late aanvraag, moet ervan uitgegaan worden dat de wetgever de dwingende aanvraagtermijn ook wilde laten gelden voor het niet aanvragen van de toeslag uit onwetendheid. Dat is dan ook geen bijzondere omstandigheid.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
13. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat volgt uit artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 augustus 2023, vindplaats ECLI:NL:RVS:2023:3125, overweging 9 en verder.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3735
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: W.K.A. Lautenbach),
en
Dienst Toeslagen, kantoor [plaats] , Dienst Toeslagen
(gemachtigden: [gemachtigden] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om zorgtoeslag over het jaar 2023.
2. Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 10 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.
6. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt de vraag of Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om zorgtoeslag voor 2023 mocht afwijzen, omdat zij haar aanvraag te laat heeft ingediend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
9. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de aanvraag om zorgtoeslag voor het jaar 2023 te laat is ingediend. Eiseres heeft op 9 januari 2025 haar aanvraag ingediend terwijl aanvragen voor het jaar 2023 uiterlijk vóór 1 september 2024 hadden moeten worden ingediend. Eiseres vindt dat haar geen verwijt kan worden gemaakt, omdat de medewerkers bij het belastingkantoor in Arnhem en Heerlen en ook een belastingadviseur haar niet hebben gewezen op de mogelijkheid om zorgtoeslag aan te vragen voor 2023.
10. De vraag is of de omstandigheden die eiseres aanvoert maken dat Dienst Toeslagen had moeten afwijken van de indieningstermijn. De rechtbank vindt van niet. De termijn voor het indienen van een aanvraag om zorgtoeslag staat in de wet. De wet is dwingend geformuleerd en geeft Dienst Toeslagen geen ruimte om van deze indieningstermijn af te wijken. Dit betekent dat als de aanvraag na 1 september 2024 wordt ingediend en geen uitstel voor het doen van de inkomstenbelasting is verleend, de aanvraag te laat is ingediend en Dienst Toeslagen de aanvraag moet afwijzen. Omdat de wet dwingend is geformuleerd kan de rechtbank toepassing daarvan niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dat is alleen anders als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet volledig in de afweging van de wetgever zijn meegenomen en waardoor toepassing van de indieningstermijn zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat toepassing daarvan achterwege moet blijven.
11. Uit de verklaringen van eiseres blijkt dat zij en haar echtgenoot (haar gemachtigde) na hun terugkeer naar Europa en vestiging in Duitsland veel ondernomen hebben om hun belastingzaken en zorgverzekering goed te regelen. Pas in oktober 2024 zijn zij op het spoor van zorgtoeslag gezet, waarna de aanvraag voor zorgtoeslag enige tijd later heeft plaatsgevonden. Vóór oktober 2024 zijn zij er vanuit de overheidsinstanties niet op gewezen dat er recht op zorgtoeslag was. Dat eiseres niet wist, ook al is dat niet verwijtbaar, dat zij zorgtoeslag kon aanvragen en dat zij dit voor een bepaalde datum moest doen, is geen bijzondere omstandigheid waardoor Dienst Toeslagen van de indieningstermijn had moeten afwijken. Door de keuze van de wetgever voor een dwingende aanvraagtermijn, waarbij geen regeling is getroffen voor een niet verwijtbare te late aanvraag, moet ervan uitgegaan worden dat de wetgever de dwingende aanvraagtermijn ook wilde laten gelden voor het niet aanvragen van de toeslag uit onwetendheid. Dat is dan ook geen bijzondere omstandigheid.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
13. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat volgt uit artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 augustus 2023, vindplaats ECLI:NL:RVS:2023:3125, overweging 9 en verder.