Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4776
2026-07-15
Civiel recht
C/16/606489 / KL RK 26-35
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Parate executie hypoyheekhouder. Herhaald verzoek bewindvoerder van hypotheekgever om aanhouding beslissing op verzoek ex. art. 3:268 lid 2 BW ter verkrijging van een beter bod afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.580 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/606489 / KL RK 26-35
Beschikking van 15 juli 2026
in de zaak van
ABN AMRO HYPOTHEKEN B.V.,
te Amersfoort,
verzoekster,
hierna te noemen: ABN Amro Hypotheken,
advocaat: mr. M.W.G. Koopmans,
tegen
SOCIAAL BEWINDVOERING EN ZORG B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerster over de goederen van [onderbewindgestelde] ,
gevestigd en kantoorhoudende te Zeist,
belanghebbende,
hierna te noemen: de bewindvoerster,
advocaat: mr. M.G. Blokziel.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 22 april 2026.
1.2
Nadien is binnengekomen:
een e-mailbericht van 16 juni 2026 van mr. Koopmans;
een e-mailbericht van 16 juni 2206 van mr. Blokziel;
een e-mailbericht van 17 juni 2026 van mr. Koopmans.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De beoordeling
2.1
Bij tussenbeschikking van 22 april 2026 heeft de voorzieningenrechter onderhavige zaak aangehouden tot 17 juni 2026 om de bewindvoerster in de gelegenheid te stellen de rechtbank een gunstiger bod voor te leggen. Om die reden is de zaak aangehouden tot
17 juni 2026 voor uitlaten voortzetting van de procedure door ABN Amro Hypotheken en de bewindvoerster.
2.2
ABN Amro Hypotheken heeft bij e-mailbericht van Mr. Koopmans van 16 juni 2026 de rechtbank verzocht over te gaan tot het goedkeuren van de voorgelegde koopovereenkomst. In het bericht staat dat ABN Amro Hypotheken sinds 22 april 2026 niks meer van de bewindvoerster heeft vernomen.
2.3
De bewindvoerster heeft bij e-mailbericht van 16 juni 2026 de rechtbank verzocht de zaak nog minimaal één maand aan te houden. Zij wil in het belang van [onderbewindgestelde] een zo hoog mogelijk opbrengst zien te verkrijgen. De ingeschakelde makelaar kan echter de woning niet in, omdat de echtgenote van [onderbewindgestelde] geen toegang verleent. Om dit af te dwingen moet nog een kort geding-procedure worden opgestart. Daarnaast is de bewindvoerster in afwachting van opgevraagde uittreksels bij de gemeente alvorens zij een echtscheidingsprocedure kan opstarten. Ook wil zij een voorlopige voorzieningenprocedure opstarten. Voor dit alles is meer tijd nodig.
2.4
ABN Amro Hypotheken heeft hierop als volgt gereageerd. Zij kan niet instemmen met een uitstel van minimaal één maand. De bewindvoerster heeft tijdens de mondelinge behandeling van 1 april 2026 aangegeven dat twee maanden ruim voldoende is om de verkoop van de woning van [onderbewindgestelde] te bewerkstelligen. Nu blijkt dat dit niet het geval is en is er zelfs nog geen enkel concreet zicht op een verkoop. Daarbij heeft de bewindvoerster ABN Amro Hypotheken vanaf 22 april 2026 op geen enkele wijze op de hoogte gehouden over de voortgang van de zaak. Er zijn intussen ruim vier maanden verstreken sinds het indienen van het verzoekschrift zonder dat er iets is gebeurd. De heer [A] , de beoogd koper, heeft aangegeven dat hij zich terug wil trekken, indien er niet spoedig duidelijkheid komt. De beoogd koper heeft een onvoorwaardelijk bod gedaan en kan in de tussentijd niks met zijn geld, omdat zijn gelden voor de aankoop van de woning van [onderbewindgestelde] al sinds 3 februari 2026 zijn gereserveerd en vastgezet. De beoogd koper lijdt hierdoor schade.
2.5.
Het verzoek van de bewindvoerster tot een nader uitstel van minimaal één maand zal worden afgewezen. De reden voor het gegeven uitstel was het benutten van de mogelijkheid om een hogere koopprijs te realiseren. Het was duidelijk dat daarvoor nog het nodige werk verzet zou moeten worden onder meer vanwege het verblijf van [B] in de woning en de scheidingsproblematiek tussen [B] en [onderbewindgestelde] . De bewindvoerster heeft geen informatie gegeven over wat zij in de tussentijd concreet heeft gedaan om een beter bod te verkrijgen. Kennelijk heeft zij evenmin ABN Amro Hypotheken in de tussentijd geïnformeerd. De complicaties en de te zetten stappen waarover zij in haar verzoek om een nader uitstel schrijft, zijn dezelfde als die zij tijdens de mondelinge behandeling op 1 april 2026 naar voren heeft gebracht. Zonder concrete informatie over de stappen die reeds zijn gezet en zonder concreet zicht op een reële termijn waarbinnen van een beter bod sprake zal kunnen zijn, is het verzochte uitstel van minimaal één maand te onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen. Daarbij komt dat ABN Amro Hypotheken een redelijk belang heeft bij het gestand doen van de koopovereenkomst door H. van der Sluis. In zoverre heeft ABN Amro Hypotheken belang bij het voorkomen van verder uitstel. Dat er voldoende overwaarde in de woning zit, doet aan dat belang niet af.
2.6.
De voorzieningenrechter zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van ABN Amro Hypotheken. ABN Amro Hypotheken heeft voldoende aangetoond dat zij belang heeft bij en gerechtigd is tot het openbaar verkopen van de woning van [onderbewindgestelde] .
goedkeuring koopovereenkomst
2.7.
Aan de hand van het verzoekschrift en de overgelegde producties heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat het executietraject heeft plaatsgevonden met inachtneming van de voorgeschreven formaliteiten.
2.8.
Voorts heeft de voorzieningenrechter kennis genomen van het door ABN Amro Hypotheken overgelegde taxatierapport. Volgens dit rapport bedraagt de marktwaarde van het registergoed (leeg en vrij van huur en gebruiksrechten) € 350.000,00 k.k.. Uit het rapport volgt verder dat bij executoriale verkoop de te verwachten opbrengst van het registergoed
€ 220.000,00 k.k. bedraagt.
2.9.
Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en de getaxeerde executiewaarde is voldoende aannemelijk dat bij openbare verkoop op een veiling geen hogere opbrengst zal worden verkregen dan bij de thans door ABN Amro Hypotheken beoogde onderhandse verkoop. Er is verder niet gebleken van feiten of omstandigheden die aan toewijzing van het verzoek tot onderhandse verkoop van het registergoed in de weg staan.
Ontruiming registergoed
2.10.
Ten aanzien van de primair verzochte verklaring voor recht overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Centraal staat in dit verband het antwoord op de vraag of artikel 525 lid 3 Rv ook een ontruimingstitel geeft indien er sprake is van een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 3:268 lid 2 BW. Artikel 525 lid 3 Rv is opgenomen in Boek II, Titel 3, afdeling 2 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Deze afdeling ziet op de executoriale verkoop van onroerende zaken. In de onderhavige zaak is sprake van de uitoefening van het recht van parate executie door ABN Amro Hypotheken, zijnde de hypotheekhouder. Een dergelijke executoriale verkoop moet in beginsel in het openbaar plaatsvinden, maar kan met goedkeuring van de voorzieningenrechter ook onderhands geschieden. Een dergelijke onderhandse verkoop betreft dus ook een executoriale verkoop. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de executieleer meebrengt dat de verplichting van de geëxecuteerde het goed ter beschikking van de koper te stellen evenzeer inherent is aan de executie als de bevoegdheid van de executant tot juridische levering. Het begrip executie impliceert automatisch het recht van de koper ontruiming af te dwingen krachtens de titel waarbij hem het goed wordt toegewezen. Bij een onderhandse verkoop is die titel de beschikking van de voorzieningenrechter waarin wordt bepaald dat de verkoop onderhands zal geschieden en waarbij goedkeuring wordt verleend aan de koopovereenkomst. In de plaats van “proces-verbaal” in artikel 525 Rv mag dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter naar analogie “de beschikking van de voorzieningenrechter op de voet van artikel 3:268 lid 2 BW” worden gelezen. Dit betekent dat in het geval van een onderhandse verkoop de koper automatisch het recht heeft om de ontruiming door de hypotheekgevers en de hunnen af te dwingen.
2.11.
De bewindvoerster, in haar hoedanigheid van bewindvoerster over de goederen van [onderbewindgestelde] , met [onderbewindgestelde] en de zijnen kunnen derhalve op grond van deze beschikking tot ontruiming worden genoodzaakt als bedoeld in artikel 525 lid 3 Rv. Niet (voldoende) is gesteld en/of gebleken welk belang ABN Amro Hypotheken zelf heeft bij de verzochte verklaring voor recht. Artikel 525 Rv geeft geen bevoegdheid tot ontruiming aan de hypotheekhouder en aangezien ABN Amro Hypotheken zelf aangeeft dat zij de ontruiming van het onderpand wil overlaten aan de kopers, zal dit primaire verzoek ten aanzien van de verklaring voor recht worden afgewezen.
2.12.
Ten aanzien van het subsidiair verzochte overweegt de voorzieningenrechter als volgt. ABN Amro Hypotheken verzoekt een ontruimingsveroordeling van de bewindvoerster, in haar hoedanigheid van bewindvoerster over de goederen van [onderbewindgestelde] , met [onderbewindgestelde] en de zijnen op grond van artikel 3:263 lid 2 BW, laatste twee volzinnen. ABN Amro Hypotheken verzoekt daarbij het onderpand ter beschikking te stellen aan ABN Amro Hypotheken, althans aan de kopers, op het moment van inschrijving als bedoeld in artikel 3:89 BW, alsmede te bepalen dat de rechten uit de in de te wijzen beschikking op dit punt overgaan op de kopers.
2.13.
Artikel 3:268 lid 2 BW, voorlaatste volzin bepaalt dat de voorzieningenrechter, als dit wordt verzocht, bij de goedkeuring van een verzoek tot onderhandse verkoop tevens de hypotheekgevers en de hunnen veroordeelt tot ontruiming van het verhypothekeerde goed tegen een bepaald tijdstip. Daarbij vindt, volgens de slotzin van deze bepaling, de ontruiming niet plaats vóór het moment van inschrijving, bedoeld in artikel 3:89 BW. Uit artikel 3:268 lid 2 BW blijkt dat de mogelijkheid om (op relatief eenvoudige wijze) een ontruimingstitel te verkrijgen is verleend aan (onder meer) de hypotheekhouder, in dit geval ABN Amro Hypotheken, en niet aan de kopers. Deze kopers hebben op grond van hetgeen onder rechtsoverwegingen 2.10., 2.11. en 2.12 is overwogen in het geval van een onderhandse verkoop op grond van artikel 525 lid 3 Rv al automatisch het recht om de ontruiming door de hypotheekgevers en de hunnen af te dwingen. Het verzoek van ABN Amro Hypotheken voor zover dit ziet op de kopers zal dan ook worden afgewezen.
3Beslissing
De voorzieningenrechter
3.1.
bepaalt dat de verkoop van het registergoed:
“het woonhuis met ondergrond en verder toebehoren, gelegen te [plaats] , [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [nummer] , groot één are en drieënnegentig centiare (1 a en 93 ca)”,
onderhands zal geschieden overeenkomstig de hierbij goedgekeurde koopovereenkomst, ondertekend op 30 januari 2026 door ABN Amro Hypotheken en op 3 februari 2026 door de heer [A] , waarvan een afschrift aan deze beschikking is gehecht;
3.2.
veroordeelt de bewindvoerster, in haar hoedanigheid van bewindvoerster over de goederen van [onderbewindgestelde] , met [onderbewindgestelde] , het zijne en de zijnen tot ontruiming van het registergoed binnen twee weken na betekening van deze beschikking, waarbij de ontruiming niet plaats vindt voor het moment van inschrijving van de leveringsakte in de daartoe bestemde openbare registers als bedoeld in artikel 3:89 BW;
3.3.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/606489 / KL RK 26-35
Beschikking van 15 juli 2026
in de zaak van
ABN AMRO HYPOTHEKEN B.V.,
te Amersfoort,
verzoekster,
hierna te noemen: ABN Amro Hypotheken,
advocaat: mr. M.W.G. Koopmans,
tegen
SOCIAAL BEWINDVOERING EN ZORG B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerster over de goederen van [onderbewindgestelde] ,
gevestigd en kantoorhoudende te Zeist,
belanghebbende,
hierna te noemen: de bewindvoerster,
advocaat: mr. M.G. Blokziel.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 22 april 2026.
1.2
Nadien is binnengekomen:
een e-mailbericht van 16 juni 2026 van mr. Koopmans;
een e-mailbericht van 16 juni 2206 van mr. Blokziel;
een e-mailbericht van 17 juni 2026 van mr. Koopmans.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De beoordeling
2.1
Bij tussenbeschikking van 22 april 2026 heeft de voorzieningenrechter onderhavige zaak aangehouden tot 17 juni 2026 om de bewindvoerster in de gelegenheid te stellen de rechtbank een gunstiger bod voor te leggen. Om die reden is de zaak aangehouden tot
17 juni 2026 voor uitlaten voortzetting van de procedure door ABN Amro Hypotheken en de bewindvoerster.
2.2
ABN Amro Hypotheken heeft bij e-mailbericht van Mr. Koopmans van 16 juni 2026 de rechtbank verzocht over te gaan tot het goedkeuren van de voorgelegde koopovereenkomst. In het bericht staat dat ABN Amro Hypotheken sinds 22 april 2026 niks meer van de bewindvoerster heeft vernomen.
2.3
De bewindvoerster heeft bij e-mailbericht van 16 juni 2026 de rechtbank verzocht de zaak nog minimaal één maand aan te houden. Zij wil in het belang van [onderbewindgestelde] een zo hoog mogelijk opbrengst zien te verkrijgen. De ingeschakelde makelaar kan echter de woning niet in, omdat de echtgenote van [onderbewindgestelde] geen toegang verleent. Om dit af te dwingen moet nog een kort geding-procedure worden opgestart. Daarnaast is de bewindvoerster in afwachting van opgevraagde uittreksels bij de gemeente alvorens zij een echtscheidingsprocedure kan opstarten. Ook wil zij een voorlopige voorzieningenprocedure opstarten. Voor dit alles is meer tijd nodig.
2.4
ABN Amro Hypotheken heeft hierop als volgt gereageerd. Zij kan niet instemmen met een uitstel van minimaal één maand. De bewindvoerster heeft tijdens de mondelinge behandeling van 1 april 2026 aangegeven dat twee maanden ruim voldoende is om de verkoop van de woning van [onderbewindgestelde] te bewerkstelligen. Nu blijkt dat dit niet het geval is en is er zelfs nog geen enkel concreet zicht op een verkoop. Daarbij heeft de bewindvoerster ABN Amro Hypotheken vanaf 22 april 2026 op geen enkele wijze op de hoogte gehouden over de voortgang van de zaak. Er zijn intussen ruim vier maanden verstreken sinds het indienen van het verzoekschrift zonder dat er iets is gebeurd. De heer [A] , de beoogd koper, heeft aangegeven dat hij zich terug wil trekken, indien er niet spoedig duidelijkheid komt. De beoogd koper heeft een onvoorwaardelijk bod gedaan en kan in de tussentijd niks met zijn geld, omdat zijn gelden voor de aankoop van de woning van [onderbewindgestelde] al sinds 3 februari 2026 zijn gereserveerd en vastgezet. De beoogd koper lijdt hierdoor schade.
2.5.
Het verzoek van de bewindvoerster tot een nader uitstel van minimaal één maand zal worden afgewezen. De reden voor het gegeven uitstel was het benutten van de mogelijkheid om een hogere koopprijs te realiseren. Het was duidelijk dat daarvoor nog het nodige werk verzet zou moeten worden onder meer vanwege het verblijf van [B] in de woning en de scheidingsproblematiek tussen [B] en [onderbewindgestelde] . De bewindvoerster heeft geen informatie gegeven over wat zij in de tussentijd concreet heeft gedaan om een beter bod te verkrijgen. Kennelijk heeft zij evenmin ABN Amro Hypotheken in de tussentijd geïnformeerd. De complicaties en de te zetten stappen waarover zij in haar verzoek om een nader uitstel schrijft, zijn dezelfde als die zij tijdens de mondelinge behandeling op 1 april 2026 naar voren heeft gebracht. Zonder concrete informatie over de stappen die reeds zijn gezet en zonder concreet zicht op een reële termijn waarbinnen van een beter bod sprake zal kunnen zijn, is het verzochte uitstel van minimaal één maand te onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen. Daarbij komt dat ABN Amro Hypotheken een redelijk belang heeft bij het gestand doen van de koopovereenkomst door H. van der Sluis. In zoverre heeft ABN Amro Hypotheken belang bij het voorkomen van verder uitstel. Dat er voldoende overwaarde in de woning zit, doet aan dat belang niet af.
2.6.
De voorzieningenrechter zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van ABN Amro Hypotheken. ABN Amro Hypotheken heeft voldoende aangetoond dat zij belang heeft bij en gerechtigd is tot het openbaar verkopen van de woning van [onderbewindgestelde] .
goedkeuring koopovereenkomst
2.7.
Aan de hand van het verzoekschrift en de overgelegde producties heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat het executietraject heeft plaatsgevonden met inachtneming van de voorgeschreven formaliteiten.
2.8.
Voorts heeft de voorzieningenrechter kennis genomen van het door ABN Amro Hypotheken overgelegde taxatierapport. Volgens dit rapport bedraagt de marktwaarde van het registergoed (leeg en vrij van huur en gebruiksrechten) € 350.000,00 k.k.. Uit het rapport volgt verder dat bij executoriale verkoop de te verwachten opbrengst van het registergoed
€ 220.000,00 k.k. bedraagt.
2.9.
Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en de getaxeerde executiewaarde is voldoende aannemelijk dat bij openbare verkoop op een veiling geen hogere opbrengst zal worden verkregen dan bij de thans door ABN Amro Hypotheken beoogde onderhandse verkoop. Er is verder niet gebleken van feiten of omstandigheden die aan toewijzing van het verzoek tot onderhandse verkoop van het registergoed in de weg staan.
Ontruiming registergoed
2.10.
Ten aanzien van de primair verzochte verklaring voor recht overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Centraal staat in dit verband het antwoord op de vraag of artikel 525 lid 3 Rv ook een ontruimingstitel geeft indien er sprake is van een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 3:268 lid 2 BW. Artikel 525 lid 3 Rv is opgenomen in Boek II, Titel 3, afdeling 2 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Deze afdeling ziet op de executoriale verkoop van onroerende zaken. In de onderhavige zaak is sprake van de uitoefening van het recht van parate executie door ABN Amro Hypotheken, zijnde de hypotheekhouder. Een dergelijke executoriale verkoop moet in beginsel in het openbaar plaatsvinden, maar kan met goedkeuring van de voorzieningenrechter ook onderhands geschieden. Een dergelijke onderhandse verkoop betreft dus ook een executoriale verkoop. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de executieleer meebrengt dat de verplichting van de geëxecuteerde het goed ter beschikking van de koper te stellen evenzeer inherent is aan de executie als de bevoegdheid van de executant tot juridische levering. Het begrip executie impliceert automatisch het recht van de koper ontruiming af te dwingen krachtens de titel waarbij hem het goed wordt toegewezen. Bij een onderhandse verkoop is die titel de beschikking van de voorzieningenrechter waarin wordt bepaald dat de verkoop onderhands zal geschieden en waarbij goedkeuring wordt verleend aan de koopovereenkomst. In de plaats van “proces-verbaal” in artikel 525 Rv mag dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter naar analogie “de beschikking van de voorzieningenrechter op de voet van artikel 3:268 lid 2 BW” worden gelezen. Dit betekent dat in het geval van een onderhandse verkoop de koper automatisch het recht heeft om de ontruiming door de hypotheekgevers en de hunnen af te dwingen.
2.11.
De bewindvoerster, in haar hoedanigheid van bewindvoerster over de goederen van [onderbewindgestelde] , met [onderbewindgestelde] en de zijnen kunnen derhalve op grond van deze beschikking tot ontruiming worden genoodzaakt als bedoeld in artikel 525 lid 3 Rv. Niet (voldoende) is gesteld en/of gebleken welk belang ABN Amro Hypotheken zelf heeft bij de verzochte verklaring voor recht. Artikel 525 Rv geeft geen bevoegdheid tot ontruiming aan de hypotheekhouder en aangezien ABN Amro Hypotheken zelf aangeeft dat zij de ontruiming van het onderpand wil overlaten aan de kopers, zal dit primaire verzoek ten aanzien van de verklaring voor recht worden afgewezen.
2.12.
Ten aanzien van het subsidiair verzochte overweegt de voorzieningenrechter als volgt. ABN Amro Hypotheken verzoekt een ontruimingsveroordeling van de bewindvoerster, in haar hoedanigheid van bewindvoerster over de goederen van [onderbewindgestelde] , met [onderbewindgestelde] en de zijnen op grond van artikel 3:263 lid 2 BW, laatste twee volzinnen. ABN Amro Hypotheken verzoekt daarbij het onderpand ter beschikking te stellen aan ABN Amro Hypotheken, althans aan de kopers, op het moment van inschrijving als bedoeld in artikel 3:89 BW, alsmede te bepalen dat de rechten uit de in de te wijzen beschikking op dit punt overgaan op de kopers.
2.13.
Artikel 3:268 lid 2 BW, voorlaatste volzin bepaalt dat de voorzieningenrechter, als dit wordt verzocht, bij de goedkeuring van een verzoek tot onderhandse verkoop tevens de hypotheekgevers en de hunnen veroordeelt tot ontruiming van het verhypothekeerde goed tegen een bepaald tijdstip. Daarbij vindt, volgens de slotzin van deze bepaling, de ontruiming niet plaats vóór het moment van inschrijving, bedoeld in artikel 3:89 BW. Uit artikel 3:268 lid 2 BW blijkt dat de mogelijkheid om (op relatief eenvoudige wijze) een ontruimingstitel te verkrijgen is verleend aan (onder meer) de hypotheekhouder, in dit geval ABN Amro Hypotheken, en niet aan de kopers. Deze kopers hebben op grond van hetgeen onder rechtsoverwegingen 2.10., 2.11. en 2.12 is overwogen in het geval van een onderhandse verkoop op grond van artikel 525 lid 3 Rv al automatisch het recht om de ontruiming door de hypotheekgevers en de hunnen af te dwingen. Het verzoek van ABN Amro Hypotheken voor zover dit ziet op de kopers zal dan ook worden afgewezen.
3Beslissing
De voorzieningenrechter
3.1.
bepaalt dat de verkoop van het registergoed:
“het woonhuis met ondergrond en verder toebehoren, gelegen te [plaats] , [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [nummer] , groot één are en drieënnegentig centiare (1 a en 93 ca)”,
onderhands zal geschieden overeenkomstig de hierbij goedgekeurde koopovereenkomst, ondertekend op 30 januari 2026 door ABN Amro Hypotheken en op 3 februari 2026 door de heer [A] , waarvan een afschrift aan deze beschikking is gehecht;
3.2.
veroordeelt de bewindvoerster, in haar hoedanigheid van bewindvoerster over de goederen van [onderbewindgestelde] , met [onderbewindgestelde] , het zijne en de zijnen tot ontruiming van het registergoed binnen twee weken na betekening van deze beschikking, waarbij de ontruiming niet plaats vindt voor het moment van inschrijving van de leveringsakte in de daartoe bestemde openbare registers als bedoeld in artikel 3:89 BW;
3.3.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.