Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4752

2026-07-20 Bestuursrecht UTR 25/7790
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-20
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/7790
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wet studiefinanciering 2000 (Wsf). Deze uitspraak gaat over het verschil in recht dat hbo- en wo studenten hebben op een prestatiebeurs voor het volgen van een wo-master. Eiser heeft een hbo-bachelor en heeft studiefinanciering aangevraagd voor een internationale master in het wetenschappelijk onderwijs in Duitsland. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser zijn recht op een prestatiebeurs al heeft verbruikt tijdens zijn hbo-bachelor en niet in aanmerking komt voor een vermeerdering van zijn recht op een prestatiebeurs. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag om een prestatiebeurs in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.011 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/7790


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser


en


de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(gemachtigde: mr. M. Santing).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister eisers aanvraag voor een prestatiebeurs voor de masteropleiding International management bij de onderwijsinstelling [naam] te [plaats] in Duitsland mocht afwijzen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eisers aanvraag mocht afwijzen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 23 juli 2025 het besluit van de minister van 30 september 2024 op het bezwaar van eiser vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen.

3. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 november 2025 opnieuw op het bezwaar van eiser beslist en de aanvraag voor een prestatiebeurs voor de duur van eisers masteropleiding afgewezen.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

6. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.



Beoordeling door de rechtbank



Het bestreden besluit


7. Eiser heeft in Nederland een vierjarige bacheloropleiding op hbo-niveau gevolgd en afgerond. Eiser heeft hiervoor vier jaar lang een prestatiebeurs gekregen. Vanaf 1 september 2024 volgt eiser de wetenschappelijke masteropleiding (wo-master) International management bij de Duitse onderwijsinstelling [naam] in [plaats] . Deze opleiding duurt anderhalf jaar. Eiser heeft voor het volgen van deze opleiding een prestatiebeurs aangevraagd.

8. De minister heeft de aanvraag voor een prestatiebeurs afgewezen. Daarbij wijst de minister er op dat eiser zijn recht op een prestatiebeurs al heeft verbruikt tijdens zijn hbo-bachelor die vier jaar duurt en hij niet in aanmerking komt voor een vermeerdering van zijn recht op een prestatiebeurs.



Het standpunt van eiser


9. Eiser vindt dat de minister hem ongelijk behandelt, omdat hij als student die een hbo-bachelor heeft afgerond geen aanspraak kan maken op een prestatiebeurs voor een wo-master terwijl studenten die een wo-bachelor hebben afgerond wel een prestatiebeurs kunnen krijgen voor het volgen van een wo-master. Bovendien vindt eiser dat hij wel recht heeft op een vermeerdering van zijn prestatiebeurs, omdat zijn wo-master anderhalf jaar duurt en hij daarom een halfjaar recht heeft op een prestatiebeurs. Ten slotte vindt eiser het bestreden besluit onevenredig, omdat hij daardoor tijdens zijn wo-master in [plaats] heeft moeten lenen om zijn studie en verblijf te bekostigen. Hierdoor heeft eiser schulden opgebouwd bij de minister en bij zijn familie.



Het oordeel van de rechtbank


10. De rechtbank stelt voorop dat de minister eerder al op eisers aanvraag heeft beslist. De minister heeft toen beslist dat eiser geen recht had op een prestatiebeurs voor zijn wo-master in [plaats] , omdat er in Nederland geen vergelijkbaar soort opleiding was. De rechtbank heeft dit besluit in haar uitspraak van 23 juli 2025 vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen. De minister vindt in het bestreden besluit dat aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam wel een vergelijkbare opleiding is. Dit punt is in deze beroepsprocedure dus niet meer in geschil. Nu is in geschil of eiser als student met een hbo-bachelor recht heeft op een vermeerdering van zijn prestatiebeurs.

11. Uit de wet volgt dat studenten in het hoger onderwijs recht hebben op een prestatiebeurs voor vier jaar. Het recht op een prestatiebeurs kan worden vermeerderd als een student in het hoger onderwijs een bepaalde in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde master volgt.

12. De Centrale Raad van Beroep (Raad) heeft een uitspraak gedaan over het verschil in recht dat hbo- en wo-studenten hebben op een prestatiebeurs bij het volgen van een wo-master. Daarbij heeft de Raad gewezen op de wetsgeschiedenis en de bedoeling van de wetgever. De wetgever heeft voor ogen gehad dat een student in het hoger onderwijs aanspraak kan maken op een prestatiebeurs voor een opleiding die voldoende kwalificatie biedt voor de arbeidsmarkt. De wetgever heeft ervoor gekozen om dit te koppelen aan de nominale duur van een opleiding in het hoger onderwijs. De wetgever maakt bij de nominale duur om een arbeidskwalificatie te behalen een onderscheid tussen een hbo- en een wo-opleiding. De wetgever gaat er bij hbo-onderwijs vanuit dat de nominale duur vier jaar bedraagt, omdat een hbo-bacheloropleiding vier jaar duurt en daarmee een arbeidskwalificatie wordt behaald. De nominale duur van een wo-opleiding is ook vier jaar, maar de wetgever gaat er vanuit dat dit het geheel is van de wo-bachelor (die meestal drie jaar is) en de wo-master (die meestal een jaar is) samen.
13. Het recht op een prestatiebeurs kan na het volgen van een hbo-bachelor in de in artikel 5.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de studiefinanciering 2000 (Wsf) genoemde gevallen worden vermeerderd. Het gaat dan om specifieke hbo-masteropleidingen die nodig zijn om een arbeidskwalificatie te behalen die niet met de vierjarige hbo-bachelor kon worden behaald. De Raad overweegt in het verlengde hiervan dat voor het volgen van een wo-master na een hbo-bachelor wel een lening kan worden gevraagd, maar geen prestatiebeurs. De opleiding waarvoor eiser een prestatiebeurs heeft aangevraagd is geen opleiding zoals genoemd in artikel 5.2, eerste lid, van de Wsf. Dat betekent dat op grond van de wettelijke systematiek eiser geen aanspraak kan maken op een prestatiebeurs voor zijn wo-master.
14. Dat de minister volgens eiser een verschil maakt tussen het recht van hbo- en wo-studenten op een prestatiebeurs bij het volgen van een wo-master is gelet op dat systeem toelaatbaar en de minister heeft – zo heeft de Raad overwogen – met dit onderscheid zijn beoordelingsvrijheid niet overschreden. Dit heeft tot gevolg dat eiser dus geen aanspraak kan maken op een prestatiebeurs voor zijn wo-master die anderhalf jaar duurt. Van ongerechtvaardigd onderscheid of discriminatie is dan ook geen sprake. Dat eiser als gevolg daarvan heeft moeten lenen en dat hij een schuld heeft opgebouwd betekent niet dat het bestreden besluit daarom onevenredig is. De wetgever heeft dit namelijk voorzien en die omstandigheid bij de afweging en keuze van deze systematiek betrokken. Zoals ook de Raad heeft overwogen, is het aan de wetgever om hierover politiek-bestuurlijke afwegingen te maken. De minister heeft daarover op de zitting nog toegelicht dat er over het huidige systeem ook vragen zijn gesteld door de Tweede Kamer en dat dit verschil in behandeling onder de aandacht is van het huidige kabinet.




Conclusie en gevolgen


14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag om een prestatiebeurs in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Wel geeft de rechtbank de minister mee dat het bestreden besluit op sommige punten lastig te volgen is gelet op het gebrek aan verwijzingen naar de relevante wetsbepalingen waar het besluit op is gebaseerd.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 23 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3848.


Dat volgt uit artikel 5.2, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf).


Dat volgt uit artikel 5.2, eerste lid en onder a en b, van de Wsf.


Uitspraak van de Raad van 16 september 2025, vindplaats ECLI:NL:CRVB:2025:1353.


Zie overweging 4.2.4 van de uitspraak van de Raad van 16 september 2025.


Vergelijk overwegingen 4.3.4 en 4.3.5 van de uitspraak van de Raad van 16 september 2025.