Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4721
2026-07-22
Bestuursrecht
UTR 25/7358
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Weigering VOG-aanvraag - seksueel misdrijf - buschauffeur - afhankelijkheidsrelatie - aanwezigheid kwetsbare personen - subjectieve criterium
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2008:BE8873 Raad van State 20-08-2008
- ECLI:NL:RVS:2013:CA1307 Raad van State 29-05-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.836 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7358
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.S.M. Nolte),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. P. van der Wouden).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor de functie van [functie] . Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Eiser voert daartoe aan dat niet is voldaan aan het objectieve criterium, het verscherpt toetsingskader ten onrechte is toegepast, de omstandigheden van het geval onjuist zijn gewogen en er sprake is van evident disproportionele gevolgen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris de aanvraag van eiser voor een VOG mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een VOG. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 4 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 november 2025 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiser heeft een VOG aangevraagd voor de functie van [functie] . De staatssecretaris heeft de aanvraag beoordeeld op basis van het algemene screeningsprofiel met de risicogebieden informatie, geld, diensten, proces en personen. Eiser is op 13 juli 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand wegens de onttrekking van een minderjarige aan het wettelijk gezag en ontucht met een persoon in de leeftijdscategorie van 12 tot 16 jaar oud. De staatssecretaris heeft het justitiële verleden van eiser getoetst aan het screeningsprofiel en de aanvraag daarop afgewezen.
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (WJSG) wordt de afgifte van een VOG geweigerd indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat aan verstrekking in de weg zal staan. Voor de beoordeling of hier in een specifiek geval sprake van is, zijn beleidsregels opgesteld. In de beleidsregels is bepaald dat als justitiële gegevens zijn aangetroffen, de aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van het objectieve en het subjectieve criterium.
5. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt de staatssecretaris of de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. De aanvraag wordt in beginsel afgewezen als de staatssecretaris van oordeel is dat er sprake is van een belemmering.
6. Bij de toetsing aan het subjectieve criterium beoordeelt de staatssecretaris, als is voldaan aan het objectieve criterium, of de omstandigheden van het geval ertoe moeten leiden dat toch een VOG moet worden afgegeven. Bij het subjectieve criterium wordt beoordeeld of het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het eerdergenoemde risico voor de samenleving. Bij de toepassing van het subjectieve criterium wordt in ieder geval de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten gewogen.
7. Wanneer er sprake is van een veroordeling voor een seksueel misdrijf in de afgelopen 20 jaar in combinatie met een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of de aanwezigheid van kwetsbare personen wordt een verscherpt toetsingskader gehanteerd. In dat geval heeft de staatssecretaris op grond van het beleid slechts zeer beperkt ruimte om bij de toetsing aan het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG. Er moet in dat geval sprake zijn van evident disproportionele gevolgen voor de aanvrager.
8. Bij de toets aan het objectieve en subjectieve criterium heeft de staatssecretaris beoordelingsruimte. Gelet op deze beoordelingsruimte moet de rechtbank het bestreden besluit terughoudend toetsen. Dat betekent dat de rechtbank in deze zaak moet beoordelen of de staatssecretaris in redelijkheid de aanvraag voor een VOG mocht weigeren op grond van de toets aan het objectieve en subjectieve criterium.
Is voldaan aan het objectieve criterium?
9. Eiser voert aan dat de staatssecretaris ten onrechte heeft geoordeeld dat is voldaan aan het objectieve criterium, aangezien de staatssecretaris ten onrechte heeft gesteld dat er bij de functie van [functie] sprake kan zijn van een afhankelijkheidsrelatie en daardoor een risico voor de samenleving. Een [functie] van een [functie] vervoert inzittenden op een vaststaande route, waarbij er in de bus cameratoezicht is. Het is een puur hypothetische situatie dat een [functie] in die omstandigheden een risico kan vormen voor de inzittenden. Er is volgens eiser dus geen sprake van een afhankelijkheidsrelatie. Gelet daarop vormt de veroordeling van eiser dus geen belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris heeft de aanvraag getoetst aan het algemeen screeningsprofiel met onder andere de risicogebieden diensten en personen. Risico’s die daarbij gewogen moeten worden zijn de mogelijkheid van gewelds- en seksuele misdrijven bij klantcontact, en mogelijke één op één relaties. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat er bij de functie van [functie] sprake kan zijn van een tijdelijke één op één afhankelijkheidsrelatie tussen de [functie] en een inzittende. Dat betekent dat er sprake is van een risico voor de samenleving bij een herhaling van de strafbare feiten waarvoor eiser veroordeeld is. Gelet daarop mocht de staatssecretaris in redelijkheid concluderen dat de veroordeling van eiser een belemmering zou vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie van [functie] .
Mocht de staatssecretaris in redelijkheid de aanvraag weigeren op grond van het subjectieve criterium?
11. Eiser voert aan dat de staatssecretaris het verscherpte toetsingskader ten onrechte heeft toegepast, aangezien niet is voldaan aan de voorwaarden. Er is volgens eiser namelijk bij de functie van [functie] geen sprake van een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of de aanwezigheid van kwetsbare personen.
11.1.
Verder voert eiser aan dat de staatssecretaris de omstandigheden van het geval onjuist heeft beoordeeld. Zo heeft de staatssecretaris ten onrechte gesteld dat het seksuele misdrijf gelet op de terugkijktermijn te kort geleden is, aangezien de terugkijktermijn op grond van het beleid niet in duur is beperkt. Daarbij maakt de staatssecretaris ten onrechte geen onderscheid tussen de beide strafbare feiten waarvoor eiser veroordeeld is, aangezien de onbeperkte terugkijktermijn alleen geldt voor het seksuele misdrijf.
11.2.
Eiser voert aan dat de staatssecretaris het vonnis van de strafrechter onvolledig en onjuist heeft meegewogen. Zo heeft de staatssecretaris de opgelegde straf ten onrechte aangemerkt als ‘niet licht’, aangezien de opgelegde straf van 1 maand fors onder het maximum zit van de richtlijnen voor strafvordering van het Openbaar Ministerie (OM). Eiser voert ook aan dat de staatssecretaris alleen de voor eiser nadelige overwegingen in het vonnis heeft meegewogen, en niet de overwegingen die in het voordeel van eiser spreken. Verder voert eiser aan dat de staatssecretaris uitgaat van het verkeerde strafbare feit, nu in het bestreden besluit ontucht met een wilsonbekwame wordt genoemd terwijl eiser is veroordeeld voor ontucht met een persoon beneden de leeftijd van 16 jaar oud.
11.3.
Tot slot voert eiser aan dat hij evident disproportionele gevolgen ondervindt door de weigering van de VOG. Door de weigering kan hij niet verder met zijn leven. Eiser heeft nu een laag en onzeker inkomen en kan daardoor niet gaan samenwonen met zijn vriendin of een gezin starten. Eerdere VOG-aanvragen voor een baan als [functie] of in de [functie] zijn ook afgewezen. De staatssecretaris heeft deze omstandigheden onvoldoende meegewogen.
12. Deze beroepsgrond slaagt niet.
12.1.
Zoals de rechtbank al heeft overwogen onder overweging 10, mocht de staatssecretaris concluderen dat er sprake kan zijn van een tijdelijke afhankelijkheidsrelatie bij de vervulling van de functie van [functie] . Dat betekent dat er in het geval van eiser sprake is van een veroordeling tot een gevangenisstraf wegens een seksueel misdrijf binnen een termijn van 20 jaar én een VOG-aanvraag voor een functie waarin er sprake kan zijn van een tijdelijke afhankelijkheidsrelatie. Op grond van het beleid van de staatssecretaris wordt in dat geval het verscherpt toetsingskader toegepast. Aangezien er voor toepassing van het verscherpt toetsingskader sprake moet zijn van een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of aanwezigheid van kwetsbare personen, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of er bij de functie sprake zou zijn van de aanwezigheid van kwetsbare personen.
12.2.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris bij de beoordeling van het tijdsverloop sinds de veroordeling voor het seksuele misdrijf mocht meewegen dat een onbeperkte terugkijktermijn geldt voor seksuele misdrijven. Uit de onbeperkte terugkijktermijn mag namelijk worden afgeleid dat een seksueel misdrijf als een ernstig feit wordt beschouwd dat ook na lang tijdsverloop nog meegewogen kan worden bij een VOG-aanvraag. De rechtbank is van oordeel dat een tijdsverloop van 8 jaar sinds de veroordeling van eiser in redelijkheid als onvoldoende lang voor afgifte van de VOG kon worden beoordeeld. Verder overweegt de rechtbank dat de staatssecretaris de veroordeling voor onttrekking aan het gezag weliswaar heeft benoemd in het bestreden besluit, maar dat feit niet inhoudelijk heeft meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag. De staatssecretaris heeft dus in het bestreden besluit weldegelijk onderscheid gemaakt tussen de veroordelingen voor beide strafbare feiten.
12.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat de staatssecretaris het vonnis van de strafrechter op onjuiste of onvolledige wijze heeft meegewogen. De rechtbank overweegt allereerst dat de staatssecretaris niet verplicht is om alle overwegingen van de strafrechter expliciet af te wegen in het bestreden besluit. Op grond van het beleid moet in ieder geval de afdoening van de strafzaak worden meegewogen bij de omstandigheden van het geval.
12.4.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris de opgelegde straf in redelijkheid mocht aanmerken als ‘niet licht’. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is namelijk de zwaarste straf die kan worden opgelegd door de rechter. Uit de veroordeling kan worden afgeleid dat de rechter de door eiser gepleegde feiten niet licht heeft aangerekend. Het feit dat de OM richtlijnen voor strafvordering tot een hogere strafeis zouden komen maakt dat niet anders. Voor het beleid van de staatssecretaris is immers het vonnis van de strafrechter leidend. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat niet alleen de voor eiser nadelige overwegingen in het vonnis zijn meegewogen. Zo is meegewogen dat de reclassering heeft geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen, maar is daar geen doorslaggevend gewicht aan toegekend nu de strafrechter dat advies niet heeft overgenomen doordat eiser niet heeft meegewerkt aan een psychologisch onderzoek. Verder blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit het bestreden besluit dat door de staatssecretaris het verkeerde strafbare feit is meegewogen, ondanks de verwijzing naar het strafbare feit ‘ontucht met een wilsonbekwame’. Uit het bestreden besluit blijkt immers duidelijk om welke feiten en welke veroordeling het gaat.
12.5.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van evident disproportionele gevolgen. Het feit dat eiser geen VOG krijgt voor een functie als [functie] of (door eerdere afgewezen aanvragen) [functie] of [functie] , maakt niet dat eiser geen enkele baan zou kunnen vinden. Zo heeft eiser in 2020 een VOG verkregen voor de functie van loodsmedewerker. Eiser kan dus, nu hij na zijn eerdere veroordeling op het goede spoor zit, zelf verdere stappen zetten om uit zijn financieel onzekere situatie te komen.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van de VOG blijft staan. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Keurentjes, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg)
Artikel 35
1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.
(…)
3. Onze Minister betrekt niet in zijn oordeel de justitiële gegevens met betrekking tot de strafbare feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak.
Beleidsregels VOG-NP-RP 2025
Paragraaf 3.1.3. Het objectieve criterium
De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.
Het objectieve criterium bestaat uit de volgende elementen die hieronder nader worden uitgewerkt:
1. justitiële gegevens (strafbaar feit);
2. indien herhaald;
3. risico voor de samenleving en
4. een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.
Paragraaf 3.1.4. Het subjectieve criterium
Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.
Voor de toepassing van het subjectieve criterium wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds aanvragen waarop het reguliere beoordelingskader van toepassing is (zie paragraaf 3.1.4.1.) en anderzijds aanvragen waarop het verscherpt toetsingskader van paragraaf 3.1.4.2. of paragraaf 3.1.4.3. van toepassing is (zie paragraven 3.1.4.2 en 3.1.4.3).
Paragraaf 3.1.4.1. Omstandigheden van het geval
Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG.
Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn:
– de afdoening van de strafzaak;
– het tijdsverloop;
– de hoeveelheid antecedenten.
(…)
Paragraaf 3.1.4.2. Subjectief criterium – seksuele misdrijven in combinatie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of specifieke locatie
Bij seksuele misdrijven als bedoeld in deze beleidsregels bestaat slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG wanneer sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie en een belemmering wordt aangenomen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid. Dit geldt ook wanneer op grond van de locatie, vanwege de aanwezigheid van kwetsbare personen een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid wordt aangenomen. In de hieronder genoemde gevallen geldt een verscherpt toetsingskader waarin als uitgangspunt wordt genomen dat de VOG wordt geweigerd.
(…)
2. De aanvrager is in de twintig jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling ter zake van een seksueel misdrijf als bedoeld in deze beleidsregels éénmaal veroordeeld tot:
– een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf,
(…)
De VOG kan in deze gevallen enkel worden afgegeven indien de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Of de weigering evident disproportioneel is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.
Artikelen 245 en 247 Wetboek van Strafrecht.
Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.
ABRvS 20 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE8873 en ABRvS 29 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1307.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7358
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.S.M. Nolte),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. P. van der Wouden).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor de functie van [functie] . Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Eiser voert daartoe aan dat niet is voldaan aan het objectieve criterium, het verscherpt toetsingskader ten onrechte is toegepast, de omstandigheden van het geval onjuist zijn gewogen en er sprake is van evident disproportionele gevolgen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris de aanvraag van eiser voor een VOG mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een VOG. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 4 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 november 2025 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiser heeft een VOG aangevraagd voor de functie van [functie] . De staatssecretaris heeft de aanvraag beoordeeld op basis van het algemene screeningsprofiel met de risicogebieden informatie, geld, diensten, proces en personen. Eiser is op 13 juli 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand wegens de onttrekking van een minderjarige aan het wettelijk gezag en ontucht met een persoon in de leeftijdscategorie van 12 tot 16 jaar oud. De staatssecretaris heeft het justitiële verleden van eiser getoetst aan het screeningsprofiel en de aanvraag daarop afgewezen.
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (WJSG) wordt de afgifte van een VOG geweigerd indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat aan verstrekking in de weg zal staan. Voor de beoordeling of hier in een specifiek geval sprake van is, zijn beleidsregels opgesteld. In de beleidsregels is bepaald dat als justitiële gegevens zijn aangetroffen, de aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van het objectieve en het subjectieve criterium.
5. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt de staatssecretaris of de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. De aanvraag wordt in beginsel afgewezen als de staatssecretaris van oordeel is dat er sprake is van een belemmering.
6. Bij de toetsing aan het subjectieve criterium beoordeelt de staatssecretaris, als is voldaan aan het objectieve criterium, of de omstandigheden van het geval ertoe moeten leiden dat toch een VOG moet worden afgegeven. Bij het subjectieve criterium wordt beoordeeld of het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het eerdergenoemde risico voor de samenleving. Bij de toepassing van het subjectieve criterium wordt in ieder geval de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten gewogen.
7. Wanneer er sprake is van een veroordeling voor een seksueel misdrijf in de afgelopen 20 jaar in combinatie met een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of de aanwezigheid van kwetsbare personen wordt een verscherpt toetsingskader gehanteerd. In dat geval heeft de staatssecretaris op grond van het beleid slechts zeer beperkt ruimte om bij de toetsing aan het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG. Er moet in dat geval sprake zijn van evident disproportionele gevolgen voor de aanvrager.
8. Bij de toets aan het objectieve en subjectieve criterium heeft de staatssecretaris beoordelingsruimte. Gelet op deze beoordelingsruimte moet de rechtbank het bestreden besluit terughoudend toetsen. Dat betekent dat de rechtbank in deze zaak moet beoordelen of de staatssecretaris in redelijkheid de aanvraag voor een VOG mocht weigeren op grond van de toets aan het objectieve en subjectieve criterium.
Is voldaan aan het objectieve criterium?
9. Eiser voert aan dat de staatssecretaris ten onrechte heeft geoordeeld dat is voldaan aan het objectieve criterium, aangezien de staatssecretaris ten onrechte heeft gesteld dat er bij de functie van [functie] sprake kan zijn van een afhankelijkheidsrelatie en daardoor een risico voor de samenleving. Een [functie] van een [functie] vervoert inzittenden op een vaststaande route, waarbij er in de bus cameratoezicht is. Het is een puur hypothetische situatie dat een [functie] in die omstandigheden een risico kan vormen voor de inzittenden. Er is volgens eiser dus geen sprake van een afhankelijkheidsrelatie. Gelet daarop vormt de veroordeling van eiser dus geen belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris heeft de aanvraag getoetst aan het algemeen screeningsprofiel met onder andere de risicogebieden diensten en personen. Risico’s die daarbij gewogen moeten worden zijn de mogelijkheid van gewelds- en seksuele misdrijven bij klantcontact, en mogelijke één op één relaties. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat er bij de functie van [functie] sprake kan zijn van een tijdelijke één op één afhankelijkheidsrelatie tussen de [functie] en een inzittende. Dat betekent dat er sprake is van een risico voor de samenleving bij een herhaling van de strafbare feiten waarvoor eiser veroordeeld is. Gelet daarop mocht de staatssecretaris in redelijkheid concluderen dat de veroordeling van eiser een belemmering zou vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie van [functie] .
Mocht de staatssecretaris in redelijkheid de aanvraag weigeren op grond van het subjectieve criterium?
11. Eiser voert aan dat de staatssecretaris het verscherpte toetsingskader ten onrechte heeft toegepast, aangezien niet is voldaan aan de voorwaarden. Er is volgens eiser namelijk bij de functie van [functie] geen sprake van een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of de aanwezigheid van kwetsbare personen.
11.1.
Verder voert eiser aan dat de staatssecretaris de omstandigheden van het geval onjuist heeft beoordeeld. Zo heeft de staatssecretaris ten onrechte gesteld dat het seksuele misdrijf gelet op de terugkijktermijn te kort geleden is, aangezien de terugkijktermijn op grond van het beleid niet in duur is beperkt. Daarbij maakt de staatssecretaris ten onrechte geen onderscheid tussen de beide strafbare feiten waarvoor eiser veroordeeld is, aangezien de onbeperkte terugkijktermijn alleen geldt voor het seksuele misdrijf.
11.2.
Eiser voert aan dat de staatssecretaris het vonnis van de strafrechter onvolledig en onjuist heeft meegewogen. Zo heeft de staatssecretaris de opgelegde straf ten onrechte aangemerkt als ‘niet licht’, aangezien de opgelegde straf van 1 maand fors onder het maximum zit van de richtlijnen voor strafvordering van het Openbaar Ministerie (OM). Eiser voert ook aan dat de staatssecretaris alleen de voor eiser nadelige overwegingen in het vonnis heeft meegewogen, en niet de overwegingen die in het voordeel van eiser spreken. Verder voert eiser aan dat de staatssecretaris uitgaat van het verkeerde strafbare feit, nu in het bestreden besluit ontucht met een wilsonbekwame wordt genoemd terwijl eiser is veroordeeld voor ontucht met een persoon beneden de leeftijd van 16 jaar oud.
11.3.
Tot slot voert eiser aan dat hij evident disproportionele gevolgen ondervindt door de weigering van de VOG. Door de weigering kan hij niet verder met zijn leven. Eiser heeft nu een laag en onzeker inkomen en kan daardoor niet gaan samenwonen met zijn vriendin of een gezin starten. Eerdere VOG-aanvragen voor een baan als [functie] of in de [functie] zijn ook afgewezen. De staatssecretaris heeft deze omstandigheden onvoldoende meegewogen.
12. Deze beroepsgrond slaagt niet.
12.1.
Zoals de rechtbank al heeft overwogen onder overweging 10, mocht de staatssecretaris concluderen dat er sprake kan zijn van een tijdelijke afhankelijkheidsrelatie bij de vervulling van de functie van [functie] . Dat betekent dat er in het geval van eiser sprake is van een veroordeling tot een gevangenisstraf wegens een seksueel misdrijf binnen een termijn van 20 jaar én een VOG-aanvraag voor een functie waarin er sprake kan zijn van een tijdelijke afhankelijkheidsrelatie. Op grond van het beleid van de staatssecretaris wordt in dat geval het verscherpt toetsingskader toegepast. Aangezien er voor toepassing van het verscherpt toetsingskader sprake moet zijn van een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of aanwezigheid van kwetsbare personen, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of er bij de functie sprake zou zijn van de aanwezigheid van kwetsbare personen.
12.2.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris bij de beoordeling van het tijdsverloop sinds de veroordeling voor het seksuele misdrijf mocht meewegen dat een onbeperkte terugkijktermijn geldt voor seksuele misdrijven. Uit de onbeperkte terugkijktermijn mag namelijk worden afgeleid dat een seksueel misdrijf als een ernstig feit wordt beschouwd dat ook na lang tijdsverloop nog meegewogen kan worden bij een VOG-aanvraag. De rechtbank is van oordeel dat een tijdsverloop van 8 jaar sinds de veroordeling van eiser in redelijkheid als onvoldoende lang voor afgifte van de VOG kon worden beoordeeld. Verder overweegt de rechtbank dat de staatssecretaris de veroordeling voor onttrekking aan het gezag weliswaar heeft benoemd in het bestreden besluit, maar dat feit niet inhoudelijk heeft meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag. De staatssecretaris heeft dus in het bestreden besluit weldegelijk onderscheid gemaakt tussen de veroordelingen voor beide strafbare feiten.
12.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat de staatssecretaris het vonnis van de strafrechter op onjuiste of onvolledige wijze heeft meegewogen. De rechtbank overweegt allereerst dat de staatssecretaris niet verplicht is om alle overwegingen van de strafrechter expliciet af te wegen in het bestreden besluit. Op grond van het beleid moet in ieder geval de afdoening van de strafzaak worden meegewogen bij de omstandigheden van het geval.
12.4.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris de opgelegde straf in redelijkheid mocht aanmerken als ‘niet licht’. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is namelijk de zwaarste straf die kan worden opgelegd door de rechter. Uit de veroordeling kan worden afgeleid dat de rechter de door eiser gepleegde feiten niet licht heeft aangerekend. Het feit dat de OM richtlijnen voor strafvordering tot een hogere strafeis zouden komen maakt dat niet anders. Voor het beleid van de staatssecretaris is immers het vonnis van de strafrechter leidend. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat niet alleen de voor eiser nadelige overwegingen in het vonnis zijn meegewogen. Zo is meegewogen dat de reclassering heeft geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen, maar is daar geen doorslaggevend gewicht aan toegekend nu de strafrechter dat advies niet heeft overgenomen doordat eiser niet heeft meegewerkt aan een psychologisch onderzoek. Verder blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit het bestreden besluit dat door de staatssecretaris het verkeerde strafbare feit is meegewogen, ondanks de verwijzing naar het strafbare feit ‘ontucht met een wilsonbekwame’. Uit het bestreden besluit blijkt immers duidelijk om welke feiten en welke veroordeling het gaat.
12.5.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van evident disproportionele gevolgen. Het feit dat eiser geen VOG krijgt voor een functie als [functie] of (door eerdere afgewezen aanvragen) [functie] of [functie] , maakt niet dat eiser geen enkele baan zou kunnen vinden. Zo heeft eiser in 2020 een VOG verkregen voor de functie van loodsmedewerker. Eiser kan dus, nu hij na zijn eerdere veroordeling op het goede spoor zit, zelf verdere stappen zetten om uit zijn financieel onzekere situatie te komen.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van de VOG blijft staan. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Keurentjes, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg)
Artikel 35
1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.
(…)
3. Onze Minister betrekt niet in zijn oordeel de justitiële gegevens met betrekking tot de strafbare feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak.
Beleidsregels VOG-NP-RP 2025
Paragraaf 3.1.3. Het objectieve criterium
De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.
Het objectieve criterium bestaat uit de volgende elementen die hieronder nader worden uitgewerkt:
1. justitiële gegevens (strafbaar feit);
2. indien herhaald;
3. risico voor de samenleving en
4. een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.
Paragraaf 3.1.4. Het subjectieve criterium
Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.
Voor de toepassing van het subjectieve criterium wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds aanvragen waarop het reguliere beoordelingskader van toepassing is (zie paragraaf 3.1.4.1.) en anderzijds aanvragen waarop het verscherpt toetsingskader van paragraaf 3.1.4.2. of paragraaf 3.1.4.3. van toepassing is (zie paragraven 3.1.4.2 en 3.1.4.3).
Paragraaf 3.1.4.1. Omstandigheden van het geval
Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG.
Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn:
– de afdoening van de strafzaak;
– het tijdsverloop;
– de hoeveelheid antecedenten.
(…)
Paragraaf 3.1.4.2. Subjectief criterium – seksuele misdrijven in combinatie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of specifieke locatie
Bij seksuele misdrijven als bedoeld in deze beleidsregels bestaat slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG wanneer sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie en een belemmering wordt aangenomen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid. Dit geldt ook wanneer op grond van de locatie, vanwege de aanwezigheid van kwetsbare personen een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid wordt aangenomen. In de hieronder genoemde gevallen geldt een verscherpt toetsingskader waarin als uitgangspunt wordt genomen dat de VOG wordt geweigerd.
(…)
2. De aanvrager is in de twintig jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling ter zake van een seksueel misdrijf als bedoeld in deze beleidsregels éénmaal veroordeeld tot:
– een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf,
(…)
De VOG kan in deze gevallen enkel worden afgegeven indien de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Of de weigering evident disproportioneel is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.
Artikelen 245 en 247 Wetboek van Strafrecht.
Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.
ABRvS 20 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE8873 en ABRvS 29 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1307.