Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4719

2026-07-22 Bestuursrecht UTR 26/2603
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/2603
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Urgentieaanvraag sociale huurwoning - weigering passende woning - hardheidsclausule - onderzoeksplicht medische situatie

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.645 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 26/2603


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. Aarsman),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen
(gemachtigde: mr. R. de Vries).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om urgentie bij de toewijzing van een sociale huurwoning. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe aan dat ten onrechte door het college is geconcludeerd dat zij niet voldoet aan randvoorwaarden 1, 2 en 4 van artikel 4.2 van de Huisvestingsverordening Gooi en Vechtstreek 2024 (de verordening) doordat zij een woning heeft geweigerd. Er was namelijk geen sprake van een passende woning. Daarnaast voert eiseres aan dat er door haar feitelijke dakloosheid en de gevolgen voor haar minderjarige zoontje weldegelijk sprake is van een zeer ernstige noodsituatie op basis waarvan zij in aanmerking zou moeten komen voor urgentie. Verder voert eiseres aan dat het college onvoldoende deugdelijk en kenbaar heeft getoetst aan de hardheidsclausule en deze ten onrechte niet heeft toegepast. Tot slot voert eiseres aan dat het college een medisch deskundige had moeten raadplegen om nader onderzoek te doen naar de medische klachten van eiseres. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid de aanvraag van eiseres mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


1.2.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.




Procesverloop


2. Eiseres heeft op 24 september 2025 een aanvraag ingediend om urgentie bij de toewijzing van een sociale huurwoning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 26 november 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 maart 2026 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.




Beoordeling door de rechtbank



De feiten


3. Eiseres beschikt sinds de beëindiging van de relatie met haar toenmalige partner in 2022 niet meer over een eigen woning. Eiseres heeft met haar voormalige partner co-ouderschap over haar minderjarige zoon. Over de omgangsregeling loopt op dit moment een civiele procedure. Eiseres verblijft sinds 2023 afwisselend bij familie, vrienden en kennissen in haar netwerk. Eiseres staat verder onder behandeling voor psychische, trauma gerelateerde klachten. Eiseres heeft op 9 oktober 2025 een woning in Huizen aangeboden gekregen via de zogenaamde spoedzoekregeling. Deze woning heeft zij afgewezen.
Heeft het college in redelijkheid kunnen oordelen dat de aanvraag van eiseres niet voldoet aan de randvoorwaarden voor urgentie?
4. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat eiseres een passende woning heeft geweigerd en daardoor niet heeft voldaan aan randvoorwaarde 1, 2 en 4. Eiseres voert aan dat deze woning geen passende woning was, waardoor het weigeren van de woning niet aan haar kan worden verweten. Eiseres heeft in haar jeugd namelijk een traumatische ervaring beleefd in de straat van deze woning. Het college heeft bij de beoordeling van de passendheid van de woning een te beperkte uitleg gehanteerd door alleen te kijken naar de grootte van de woning. Eiseres voert aan dat ook individuele omstandigheden, zoals psychische belastbaarheid en gevoelens van veiligheid, een rol zouden moeten spelen bij deze beoordeling. Daarnaast voert eiseres aan dat het feit dat eiseres een woning heeft geweigerd niet zonder meer betekent dat geen sprake (meer) kan zijn van een noodsituatie (randvoorwaarde 1), of dat zij haar woonprobleem had kunnen voorkomen (randvoorwaarde 2). Het woonprobleem heeft namelijk grote gevolgen voor het welzijn van de minderjarige zoon van eiseres en van eiseres zelf, des te meer doordat de zoon van eiseres kampt met ernstige dyslexie en concentratieproblemen en de psychische problemen van eiseres worden verergerd door de woonsituatie. Daarnaast is het woonprobleem ontstaan na de relatiebreuk van eiseres, een omstandigheid die eiseres niet had kunnen voorkomen.


4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.


4.2.
De rechtbank overweegt dat het college geen beleid kent over de beoordeling van de passendheid van een aangeboden woning. Op zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat in de praktijk alleen wordt gekeken naar het aantal kamers in relatie tot het aantal personen dat de woning zou gaan betrekken. De rechtbank is van oordeel dat het mogelijk is dat andere aspecten dan alleen de omvang van de woning mede kunnen bepalen of een woning als passend kan worden beschouwd. Eiseres heeft de persoonlijke omstandigheden waardoor zij de woning heeft geweigerd echter niet onderbouwd. De enkele stelling dat eiseres in haar jeugd slachtoffer is geworden van een traumatische gebeurtenis in de straat van de geweigerde woning is onvoldoende om te komen tot het oordeel dat het college de woning in redelijkheid niet heeft kunnen aanmerken als een passende woning.


4.3.

De rechtbank overweegt verder dat artikel 4.2 van de verordening bepaalt dat aan alle in het artikel genoemde randvoorwaarden moet worden voldaan om vervolgens te kunnen beoordelen of een aanvraag voldoet aan de criteria voor urgentie uit artikel 4.1.2 van de verordening. Doordat de rechtbank van oordeel is dat het college in redelijkheid de geweigerde woning mocht aanmerken als een passende woning voldoet de aanvraag van eiseres niet aan randvoorwaarde 4. Daardoor is het niet meer nodig om te beoordelen of het college in redelijkheid mocht concluderen dat eiseres door het weigeren van een passende woning ook niet voldoet aan randvoorwaarden 1 en 2.

Heeft het college in redelijkheid kunnen oordelen dat de aanvraag van eiseres niet in aanmerking komt voor toepassing van de hardheidsclausule?

5. Eiseres voert aan dat het college onvoldoende kenbaar en deugdelijk heeft getoetst aan de hardheidsclausule. Gelet op de combinatie van een langdurige instabiele woonsituatie, de psychische problematiek van eiseres en de directe relatie tussen haar trauma en de aangeboden woonomgeving, is er volgens eiseres sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat strikte toepassing van de regels leidt tot een onredelijke uitkomst. Daarnaast voert eiseres aan dat het college ten onrechte de belangen van de minderjarige zoon van eiseres niet heeft meegewogen. De zoon van eiseres heeft namelijk recht op een stabiele omgeving waarbinnen hij zich kan ontwikkelen. Zij beroept zich daarbij op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Eiseres verwijst ook naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin de rechtbank tot het oordeel komt dat de hardheidsclausule moet worden toegepast voor een 19-jarige dakloze jongen.




5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



5.2.
De rechtbank overweegt dat het college volgens vaste rechtspraak een ruime discretionaire bevoegdheid heeft om al dan niet over te gaan tot toepassing van de hardheidsclausule. De rechtbank toetst dit terughoudend.


5.3.
De rechtbank heeft begrip voor de moeilijke situatie van eiseres en heeft op zitting gezien dat het woonprobleem veel met eiseres doet. De rechtbank is echter van oordeel dat het college eiseres niet op grond van de hardheidsclausule alsnog een urgentieverklaring hoeft te verlenen. Met een urgentieverklaring krijgt iemand voorrang op andere personen die ook hard op zoek zijn naar een woning. Urgentie is dus de uitzondering op de regel. De hardheidsclausule is daar weer een uitzondering op, omdat iemand een urgentieverklaring krijgt terwijl hij niet aan de voorwaarden voldoet. Het college mag zich daarbij volgens vaste rechtspraak op het standpunt stellen dat hij de hardheidsclausule alleen toepast in zeer uitzonderlijke situaties, zoals levensbedreigende situaties.Uit de door eiseres geschetste omstandigheden blijkt niet dat er sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie. Eiseres heeft een sociaal netwerk waar zij gebruik van maakt waardoor zij niet daadwerkelijk dakloos is geworden. Daarnaast blijkt uit het dossier en de verklaringen van eiseres op zitting niet dat de psychische klachten van eiseres zodanig zijn dat er sprake is van een levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situatie die verband houdt met het woonprobleem.


5.4.

Het beroep van eiseres op het IVRK en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam leidt niet tot een ander oordeel. Uit vaste rechtspraak blijkt dat artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking heeft in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen over kinderen de belangen van het kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. De rechtbank is van oordeel dat het college de belangen van de minderjarige zoon van eiseres heeft meegewogen in het bestreden besluit en in redelijkheid tot de conclusie mocht komen dat de hardheidsclausule niet wordt toegepast, gelet op het feit dat de minderjarige zoon van eiseres voornamelijk bij zijn vader verblijft. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak van de rechtbank Amsterdam waar eiseres zich op beroept ziet op een geheel andere situatie die niet vergelijkbaar is met de situatie van eiseres. In die zaak betrof het namelijk een zeer jonge dakloze man met een lange, traumatische voorgeschiedenis door uithuisplaatsing op 12-jarige leeftijd en verblijf in meer dan 16 verschillende jeugdzorginstellingen door heel Nederland, fysieke en psychische mishandeling in die jeugdzorginstellingen en een zeer beperkt sociaal netwerk. Eiseres kan zich dus niet met succes beroepen op die uitspraak.

Moest het college nader onderzoek doen naar de psychische klachten van eiseres?

6. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte geen nader onderzoek heeft uitgevoerd naar de psychische klachten van eiseres. Eiseres heeft immers urgentie aangevraagd op medische gronden. Om die reden had het college door het inwinnen van onafhankelijk medisch advies nader moeten onderzoeken of eiseres op grond van haar psychische klachten in aanmerking zou kunnen komen voor urgentie. Eiseres beroept zich daarbij op een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 februari 2017. Daarnaast voert eiseres onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) aan dat het college eveneens in het kader van toepassing van de hardheidsclausule nader onderzoek had moeten doen naar de psychische klachten van eiseres.




6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft in overweging 5.1 en 5.2 van deze uitspraak geoordeeld dat het college in redelijkheid de aanvraag van eiseres mocht afwijzen wegens het niet voldoen aan de randvoorwaarden voor urgentie. Om deze reden hoefde het college geen onderzoek te doen naar de vraag of de aanvraag van eiseres voldoet aan de criteria voor urgentie op medische gronden, en hoefde het college als onderdeel van die toets dus ook geen onafhankelijk medisch advies in te winnen over de psychische klachten van eiseres. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het college ook in het kader van de toepassing van de hardheidsclausule geen nader onderzoek hoefde te doen naar de psychische klachten van eiseres. Uit de door eiseres overgelegde medische stukken blijkt namelijk niet dat er sprake is van samenhang tussen de psychische klachten van eiseres en haar woonprobleem. Zo vermeldt het behandelplan van GGZ-praktijk [naam] van 25 november 2025 dat eiseres onder behandeling staat voor klachten als gevolg van een langdurige, hoog-conflict scheiding en wordt niks vermeld over enige relatie tussen de psychische klachten en het woonprobleem van eiseres. Om die reden is de situatie van eiseres anders van aard dan de situatie in de door eiseres aangehaalde uitspraak van de ABRvS. Zij kan zich daar dus niet met succes op beroepen.




Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen urgentie krijgt bij de toewijzing van een sociale huurwoning. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Keurentjes, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Huisvestingsverordening Gooi en Vechtstreek 2024





Artikel 4.2 Randvoorwaarden voor urgentie

Voor de toekenning van urgentie op basis van de criteria uit artikel 4.1.2 gelden vooraf de navolgende randvoorwaarden:

1. voor de toekenning van urgentie moet er sprake zijn van een zeer ernstige noodsituatie van aanvrager zelf of een lid van zijn/haar huishouden dat meeverhuist, die rechtstreeks het gevolg is van de woonsituatie en maakt dat er snel, binnen drie maanden, een oplossing moet komen ter voorkoming van ernstige schade aan het welzijn van aanvrager of het lid van zijn/haar huishouden dat meeverhuist en;

2. de aanvrager moet aantonen dat het woonprobleem niet kon worden voorkomen en;

3. (…)

4. de aanvrager heeft aanbiedingen van passende woningen niet geweigerd en;

5. t/m 8 (…)



Artikel 4.3 Aanvraag, behandeling, verlening en afwijzing van urgentie

(…)

2. Behandeling
a. burgemeester en wethouders winnen advies in van de regionale urgentiecommissie en indien van toepassing een medisch advies van een onafhankelijk medisch adviseur;
b. burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag en de behandelkosten.

3. Verlening
a. burgemeester en wethouders besluiten alleen tot toekenning van een urgentie als de woningzoekende ingeschreven staat als woningzoekende in de regio Gooi en Vechtstreek en

voldoet aan:(…)
4.1.2. de regionale urgentiecriteria:

- de eisen uit artikel 2.2 lid.1 en;
- de randvoorwaarden uit artikel 4.2 en;
- één of meer van de criteria en voorwaarden uit de artikelen 4.1.2;
b. burgemeester en wethouders beoordelen de aanvraag op basis van de individuele situatie van de aanvrager;
c. burgemeester en wethouders wegen de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager voor het ontstaan van de problematische woonsituatie en de mate waarin aanvrager getracht heeft zelf het woonprobleem op lossen mee in de besluitvorming;
d. burgemeester en wethouders beperken de urgentie tot een bepaald woningtype dat volstaat om het woonprobleem van de aanvrager op te lossen;
e. burgemeester en wethouders kennen de urgentie in beginsel toe voor de hele regio Gooi en Vechtstreek.


(…)


7. Afwijzen en buiten behandeling stellen

burgemeester en wethouders wijzen de aanvraag af of stellen deze buiten behandeling als:
(…)c. niet wordt voldaan aan één of meer randvoorwaarden uit artikel 4.2;
(…)




Artikel 7.3 Hardheidsclausule

(…)


2. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de regels voor urgentie indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot niet gerechtvaardigde hardheid.



Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind





Artikel 3


1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.
3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.



Rechtbank Amsterdam, 13 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4393.


Zie bijvoorbeeld ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:493.


Zie bijvoorbeeld ABRvS 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:565.


ABRvS 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6373, r.o. 12.3.


Rechtbank Noord-Holland, 2 februari 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:9006.


ABRvS 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2308.