Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4718
2026-07-17
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
UTR 25/5831 en UTR 25/4088
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroepen tegen een last onder dwangsom wegens bewoning van een bedrijfswoning door meerdere personen, in dit geval arbeidsmigranten, die samen geen huishouden vormen en de geweigerde omgevingsvergunning voor strijdig gebruik van de bedrijfswoning. Het college kon, gelet op zijn beginselplicht tot handhaving, tot het opleggen van een last onder dwangsom overgaan. De hoogte van de dwangsom staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Ook heeft het college de omgevingsvergunning kunnen weigeren en daarbij meer gewicht aan het planologisch belang mogen toekennen. De beroepen zijn ongegrond.
Citeert (10)
- ECLI:NL:RBMNE:2025:5852 Rechtbank Midden-Nederland 31-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:1796 Raad van State 08-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:678 Raad van State 05-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:1829 Raad van State 01-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2021:2060 Raad van State 15-09-2021
- ECLI:NL:RVS:2023:4153 Raad van State 08-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2020:2908 Raad van State 09-12-2020
- ECLI:NL:RVS:2023:4031 Raad van State 01-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:3954 Raad van State 25-10-2023
- ECLI:NL:RVS:2018:2196 Raad van State 04-07-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.678 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/5831 en UTR 25/4088
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. G.J. Boven),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Krastman).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over een aan eiser opgelegde last onder dwangsom wegens bewoning van zijn bedrijfswoning door meerdere personen, in dit geval arbeidsmigranten, die samen geen huishouden vormen en over de aan eiser geweigerde omgevingsvergunning voor strijdig gebruik van de bedrijfswoning. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser in overtreding is en dat het college, gelet op zijn beginselplicht tot handhaving, tot het opleggen van een last onder dwangsom heeft kunnen overgaan. De hoogte van de dwangsom staat naar het oordeel van de rechtbank in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Ook heeft het college de omgevingsvergunning kunnen weigeren en daarbij meer gewicht aan het planologisch belang dan het belang van eiser mogen toekennen. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond.
Procesverloop
1. Eiser is sinds 2019 eigenaar van het perceel aan de [adres] in [plaats] . Naar aanleiding van een melding van woonfraude hebben twee toezichthouders van de gemeente op 29 april 2024 een controle ter plaatse verricht om het gebruik van de bedrijfswoning vast te stellen. Tijdens de controle is vastgesteld dat vier eenpersoonskamers en twee tweepersoonskamers verhuurd worden, terwijl geen gebruiksmelding is gedaan voor kamerverhuur als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving.
UTR 25/5831
2. Op 27 mei 2024 heeft het college zijn voornemen aan eiser bekendgemaakt om handhavend op te treden, omdat het gebruik van de bedrijfswoning volgens het college in strijd is met het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg (het omgevingsplan). Daartegen heeft eiser een zienswijze ingediend. Die zienswijze was voor het college geen aanleiding om alsnog van handhaving af te zien.
3. Met het besluit van 11 november 2024 is eiser gelast om de overtreding van artikel 5,1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, betreffende het gebruik van de bedrijfswoning op het perceel, ongedaan te maken en ongedaan te houden. Dit kon eiser doen door het gebruik van de bedrijfswoning terug te brengen naar de bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is. Indien eiser de last niet, niet op tijd of niet volledig zou uitvoeren, dan zou hij een dwangsom verbeuren van € 15.000,- ineens. Eiser heeft twee maanden de tijd gekregen om aan de last te voldoen. Zodra eiser een bezwaar zou indienen tegen het besluit van 28 oktober 2024 tot weigering van de omgevingsvergunning, zou de begunstigingstermijn veranderen naar zes weken na de beslissing op bezwaar.
4. Tegen de oplegging van de last onder dwangsom heeft eiser bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 3 september 2025 (het bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de last onder dwangsom in stand gelaten. Daartegen is het beroep met het zaaknummer UTR 25/5831 gericht.
5. Op 25 maart 2026 heeft het college tijdens een controle opnieuw arbeidsmigranten in de bedrijfswoning aangetroffen. Het college heeft toegezegd dat met het nemen van een invorderingsbeschikking voor de verbeurde dwangsom wordt gewacht totdat de rechtbank uitspraak op het beroep van eiser tegen de geweigerde omgevingsvergunning (UTR 25/4088) heeft gedaan, zodat het beroep niet ook tegen de invordering is gericht.
UTR 25/4088
6. Op 20 juli 2024 heeft eiser omgevingsvergunning aangevraagd voor afwijken van het omgevingsplan ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning voor de duur van maximaal 10 jaar. Het college heeft de aanvraag met het besluit van 28 oktober 2024 afgewezen. Omdat eiser daartegen bezwaar heeft gemaakt is de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom van rechtswege verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
7. De afwijzing van de aanvraag heeft het college in het besluit op bezwaar van 27 mei 2025 (het bestreden besluit II) gehandhaafd. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld, welk beroep is geregistreerd met het zaaknummer UTR 25/4088.
De beroepen
8. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft de beroepen op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college, vergezeld door [A] (adviseur ruimtelijke ordening) en [B] .
Beoordeling door de rechtbank
Het wettelijk kader
9. Het perceel van eiser valt onder het bestemmingsplan ‘ [adres] ’ en heeft de bestemming ‘bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – loonwerkersbedrijf’. Het bestemmingsplan ‘ [adres] ’ maakt onderdeel uit van (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg. Volgens het bestemmingsplan mag per bouwvlak één bedrijfswoning, inclusief aan- en uitbouwen, worden gebouwd. Een bedrijfs- of dienstwoning is volgens de definitiebepaling in het bestemmingsplan een woning, krachtens het plan toegestaan binnen een bouwvlak, die kennelijk slechts bedoeld is voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is.
10. Het omgevingsplan bevat geen afwijkingsmogelijkheid. Dat betekent dat het college alleen buitenplans kan afwijken voor gebruik anders dan als bedrijfswoning. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of de weigering van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van de weigering onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening daarvan te dienen doelen.
De omgevingsvergunning (UTR 25/4088)
Is het gebruik van de bedrijfswoning in strijd met het omgevingsplan?
11. De rechtbank stelt vast dat partijen van mening verschillen over de vraag of de huisvesting van in dit geval arbeidsmigranten in strijd is met de regels van het omgevingsplan, waarin een bedrijfswoning is bestemd voor de bewoning van een persoon of diens huishouden. De vraag die ter beoordeling voorligt is of de bewoners van de bedrijfswoning samen een huishouden vormen.
12. Eiser voert aan dat het begrip ‘bedrijfswoning’ in het bestemmingsplan niet eenduidig is geformuleerd. Er wordt volgens eiser in de planregel vermeld dat bewoning in het algemeen door meer dan één afzonderlijk huishouden niet is toegestaan en dat de woning kennelijk slechts bedoeld is voor het huishouden van een persoon. Om vast te stellen wat hiervan de betekenis is, is in de jurisprudentie de Van Dale geraadpleegd, waarin wonen wordt gedefinieerd als ‘zijn woning hebben, verblijf houden of gehuisvest zijn’. Het begrip ‘wonen’ is daarmee, anders dan de definitie van het begrip bedrijfswoning, zoals zou volgen uit de begripsbepaling van het omgevingsplan, niet beperkt tot de huisvesting van één huishouden. Los daarvan, heeft eiser al in zijn bezwaarschrift aangegeven waarom hij van mening is dat de arbeidsmigranten één huishouden vormen. Volgens eiser is sprake van een huishouden met onderlinge verbondenheid, omdat gemeenschappelijk gebruik wordt gemaakt van de woonkamer, de keuken en sanitaire voorzieningen. Ook worden inkopen gemeenschappelijk gedaan en worden samen maaltijden genuttigd. Bovendien is eiser van mening dat aangesloten moet worden bij moderne vormen van samenleven en dat samenwonende arbeidsmigranten ook onder het begrip ‘huishouden’ moeten vallen. Met de arbeidsmigranten zijn langdurige arbeids- en huurcontracten afgesloten, zodat hiermee ook wordt voldaan aan het duurzaamheidsvereiste.
13. Naar de rechtbank begrijpt vindt eiser dat het college niet anders had kunnen besluiten dan dat eiser voor de verhuur van kamers in de bedrijfswoning geen omgevingsvergunning nodig heeft, omdat geen sprake is van strijd met het omgevingsplan (een positieve weigering).
14. De rechtbank stelt vast dat het begrip ‘huishouden’ niet is gedefinieerd in het omgevingsplan. Ook kan niet uit de systematiek van het plan, dan wel de plantoelichting, een definitie worden afgeleid. Het college kon daarom voor de invulling van dit begrip aansluiten bij het normaal spraakgebruik en de in de Van Dale gegeven definitie. Deze stelt het vaste samenlevingsverband voorop. De huurders vormen volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) één huishouden wanneer deze in vast verband samenleven en er sprake is van continuïteit in de samenstelling en van onderlinge verbondenheid.
15. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de huurders niet als één huishouden zijn aan te merken en dat de bedrijfswoning dus in strijd met het omgevingsplan wordt gebruikt. Uit het controlerapport, welke ten grondslag ligt aan de opgelegde last onder dwangsom, blijkt namelijk niet dat bij de huurders sprake is van een dusdanige verbondenheid en zodanige continuïteit in hun samenstelling dat de samenlevingsvorm gelijk kan worden gesteld met die van een huishouden. Zo heeft één van de bewoners tijdens de controle aan de toezichthouder verklaard dat er op dat moment acht bewoners in de bedrijfswoning verbleven die niet stonden ingeschreven op het adres in de Basisregistratie Personen, dat in twee van de acht kamers stellen verbleven en dat er regelmatig wisselingen plaatsvinden van de personen die in de bedrijfswoning verblijven. Gelet op de inhoud van het controlerapport, is de rechtbank niet gebleken dat de bewoners een huishouden vormen en eiser heeft dat ook niet met andere stukken aannemelijk gemaakt. Dat er samen wordt gegeten en dat er gezamenlijke voorzieningen zijn, is niet voldoende voor het aannemen van een huishouden, omdat in dat geval elk samenlevingsverband gelijk zou kunnen worden gesteld aan een huishouden en dat indruist tegen de bedoeling van de planregel. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat ook niet aannemelijk is gemaakt dat de huisvesting van de bewoners van de bedrijfswoning daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevoerde bedrijf noodzakelijk is. Ook daarom is de bewoning in strijd met het omgevingsplan.
Is de belangenafweging van het college om geen buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verlenen deugdelijk?
16. Eiser voert aan dat hij de bedrijfswoning van meet af aan heeft verhuurd om zijn loonbedrijf van de grond te kunnen krijgen en dat dit nooit problemen heeft opgeleverd. De vraag naar huisvesting voor arbeidsmigranten in de omgeving van [plaats] is volgens eiser zeer groot, omdat de gemeente zelf niet voorziet in alternatieve huisvesting. De rechtbank vertaalt de beroepsgrond van eiser aldus, dat hij vindt dat de belangenafweging die het college bij de beoordeling van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit heeft gemaakt, onredelijk is.
17. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan ‘ [adres] ’ recent is vastgesteld door de gemeenteraad en dat daarbij is uitgegaan van de economische uitvoerbaarheid van het toenmalige plan van eiser. De aanvraag van eiser is door het college getoetst aan de ‘Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden’. Die beleidsregels bieden de mogelijkheid om tijdelijk af te wijken van het omgevingsplan, mits de activiteit past binnen de visies en de beleidskaders van de gemeente. Het college stelt dat het gemeentelijk beleid zeer terughoudend is ten opzichte van het toevoegen van een burgerwoning in het buitengebied. Dit om het buitengebied te behouden voor de agrarische sector en de bedrijven die hieraan verwant zijn. Ook dient de bedrijfswoning beschikbaar te zijn voor huisvesting van degene die werkzaam is voor het bedrijf. Daarnaast heeft kamerbewoning ruimtelijk gezien een andere uitstraling naar de omgeving toe dan bewoning door een huishouden, waarvan de bewoners betrokken zijn bij de bedrijfsvoering. Het gemeentelijk woonbeleid is erop gericht om (kamer)bewoning te concentreren in de dorpskern. De bedrijfswoning in het buitengebied is dus geen gewenste locatie om de functie van een burgerwoning toe te staan, aldus het college. Op de zitting heeft het college aan deze onderbouwing toegevoegd dat medewerking aan de aanvraag zou leiden tot ongewenste precedentwerking.
18. De rechtbank kan de motivering van het college, waarom hij geen medewerking aan deze vorm van bewoning in het buitengebied wil verlenen, volgen. Op het standpunt van eiser dat zijn (financiële) belangen hier zwaarder zouden moeten wegen dan de planologische belangen van het college, is het college reeds in het verweerschrift in bezwaar ingegaan. Op de zitting heeft het college zijn standpunt herhaald dat de planologische belangen hier zwaarder wegen dan die van eiser. De rechtbank komt die belangenafweging niet onredelijk voor, omdat de rechtbank het voldoende aannemelijk acht dat bewoning door een huishouden een andere ruimtelijke uitstraling heeft dan bewoning door personen die onderling niet met elkaar verbonden zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
19. Gelet op het voorgaande slagen de beroepsgronden tegen het weigeringsbesluit van het college niet. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.
De last onder dwangsom (UTR 25/5831)
20. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is het gebruik van de bedrijfswoning in strijd met het omgevingsplan. Dat betekent dat eiser in overtreding is. Bij handhaving geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving staat dus voorop. Van deze beginselplicht tot handhaving mag alleen worden afgezien als handhavend optreden onevenredig is. Dat is het geval als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Zo’n bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat handhaving onevenredig is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het tijdsverloop voorafgaand aan een besluit tot handhaving op zichzelf geen bijzondere omstandigheid is op grond waarvan het college van handhaving moet afzien. Dat is ook niet het geval als het college op de hoogte was van de overtreding of dat kon zijn.
De hoogte van de dwangsom
21. Eiser voert aan dat de hoogte van de dwangsom in strijd is met artikel 5:32b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bedrag in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom moeten staan. Het college heeft de keuze voor een dwangsom van € 15.000,- ineens volgens eiser niet deugdelijk gemotiveerd. Eiser stelt dat het college bij illegale kamerbewoning altijd voor dit bedrag kiest, omdat van bewoning door arbeidsmigranten veel overlast wordt ervaren. Daarmee heeft het college echter onvoldoende rekening gehouden met de uitgangspunten voordeel/opbrengst voor de overtreder, omvang van de schade, de aard en ernst van de overtreding, het gedrag van de overtreder en de handhavingshistorie als bedoeld in de ‘Beleidsregel leidraad hoogte van dwangsommen en lengte van begunstigingstermijn gemeente Woudenberg’, en de daarin opgenomen bandbreedte van € 2.500,- tot € 40.000,-. Daarnaast voert eiser aan dat het college niet heeft uitgelegd hoe het uitgangspunt in de beleidsregel dat de hoogte van de dwangsom is afgeleid uit het behaalde economische voordeel bij hem is toegepast. De opgelegde dwangsom van
€ 15.000,- bedraagt ongeveer zes keer de maandelijkse bruto huur. Dit bedrag vindt eiser te hoog, mede gelet op het feit dat hij een startende ondernemer is die de huuropbrengsten nodig heeft voor het uitbreiden van zijn onderneming. Ook is hij niet in staat om dit bedrag te betalen, zoals hij in de zaak UTR 25/4088 heeft aangevoerd. De hoogte van de dwangsom staat volgens eiser in geen enkele verhouding tot de overtreding en zou eerder in de orde van € 2.500,- - €5.000,- moeten liggen. Een dergelijk bedrag is volgens eiser ook een voldoende prikkel om een einde te maken aan de overtreding.
22. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het beroep voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het opleggen van een last onder dwangsom ten doel heeft de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Het is aan het bestuursorgaan om een afweging van de belangen te maken en de hoogte van de dwangsom te bepalen. Het college heeft daarbij in redelijkheid de beleidsregel tot uitgangspunt kunnen nemen. In de beleidsregel zijn bedragen genoemd voor (onder meer) de overtreding waarover het hier over gaat. Voor het gebruik van een woning in strijd met het bestemmingsplan wordt een dwangsom opgelegd van minimaal € 2.500,- en maximaal
€ 40.000,-.
23. Het college motiveert in het primaire besluit dat is gekozen voor een dwangsom van € 15.000,- en niet het maximum bedrag van € 40.000,-, omdat bewoning van de bedrijfswoning volgens het bestemmingsplan wel is toegestaan, maar niet op de wijze zoals nu het geval is. Het college vindt de hoogte van de dwangsom ook in verhouding staan tot de aard en omvang van de overtreding. In zijn reactie op de zienswijze heeft het college ook gemotiveerd dat hij een dwangsom hoger dan het financiële gewin dat gepaard gaat met de illegale situatie mag opleggen om zo een voldoende prikkel te bewerkstelligen. Het financiële gewin bestaat hier uit een huur van € 130,- per persoon per week, dus € 4.160,- per maand in totaal.
24. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid een dwangsom van
€ 15.000,- aan eiser heeft kunnen opleggen, welke hoogte binnen de bandbreedte van de beleidsregel blijft. Daarbij betrekt de rechtbank dat de opbrengsten van de verhuur
€ 4.160 per maand bedragen en dat terwijl de overtreding al sinds 2019 plaatsvindt. Omdat de dwangsom een voldoende prikkel moet zijn om de overtreding ongedaan te maken, acht de rechtbank gelet op de duur en ernst van de overtreding een dwangsom van € 15.000,- redelijk. De stelling van eiser dat hij de dwangsom niet kan betalen, kan de rechtbank bij de beoordeling van de dwangsom niet betrekken. Het argument dat eiser gezien zijn financiële draagkracht evident niet in staat is om de verbeurde dwangsom (volledig) te betalen, zal eiser tegen de nog te nemen invorderingsbeschikking moeten aanvoeren. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat dit het geval is. De beroepsgrond slaagt niet.
De begunstigingstermijn
25. In de zaak UTR 25/4088 heeft eiser aangevoerd dat hij in staat gesteld moet worden om op een juiste wijze de betreffende huurovereenkomsten, waarin een opzegtermijn is opgenomen, met de arbeidsmigranten te kunnen beëindigen, teneinde niet aansprakelijk gesteld te worden voor schade. Naar de rechtbank begrijpt heeft eiser deze beroepsgrond abusievelijk aangevoerd tegen de geweigerde omgevingsvergunning, maar is deze beroepsgrond gericht tegen de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom.
26. In beginsel vormt de contractuele verhouding van eiser met de arbeidsmigranten geen beletsel om de last uit te voeren. Op de zitting heeft het college toegezegd dat hij bereid is om de begunstigingstermijn te verlengen tot aan de opzegtermijn in de huurovereenkomsten (van twee tot drie maanden), om zo aan eiser tegemoet te komen. De rechtbank verkeerde op de zitting, toen deze toezegging werd gedaan, abusievelijk in de veronderstelling dat de begunstigingstermijn was verlengd als gevolg van het ingestelde beroep. De begunstigingstermijn was echter verlengd tot zes weken na het besluit op bezwaar en daarna niet meer. Dat betekent, gelet op de resultaten van de controle op 25 maart 2026, dat eiser na het verstrijken van de begunstigingstermijn de dwangsom heeft verbeurd. Om die reden kan de termijn niet meer verlengd worden. De rechtbank biedt haar excuses aan eiser aan voor de verwachting die bij hem op de zitting is gewekt. Hierna zal de rechtbank beoordelen of de gestelde begunstigingstermijn niet onredelijk kort was voor eiser om de huurovereenkomsten te kunnen beëindigen.
27. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geldt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag ook niet wezenlijk korter worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Omdat eiser vanaf het moment van het opleggen van de last tot aan zes weken na het bestreden besluit bijna een jaar de tijd heeft gehad om de overtreding te beëindigen, heeft het college deze begunstigingstermijn naar het oordeel van de rechtbank mogen vaststellen. Voor zover eiser aanvoert dat de begunstigingstermijn onredelijk kort is, slaagt deze beroepsgrond niet.
Conclusie en gevolgen
28. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom en het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 4.2.2 onder a van het bestemmingsplan.
Artikel 1.14 van het bestemmingsplan.
Artikel 8.0a., tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5852, r.o. 6.
Uitspraak van de Afdeling van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1796, r.o. 5.1.
Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.
Uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1829, r.o. 5.3.
Uitspraken van de Afdeling van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2060, r.o. 11.1 en van
8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4153, r.o. 8.2.
Uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2908, r.o. 5.3.
Uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4031, r.o. 2.
Uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3954, r.o. 5.3.
Uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2196, r.o. 3.5.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/5831 en UTR 25/4088
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. G.J. Boven),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Krastman).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over een aan eiser opgelegde last onder dwangsom wegens bewoning van zijn bedrijfswoning door meerdere personen, in dit geval arbeidsmigranten, die samen geen huishouden vormen en over de aan eiser geweigerde omgevingsvergunning voor strijdig gebruik van de bedrijfswoning. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser in overtreding is en dat het college, gelet op zijn beginselplicht tot handhaving, tot het opleggen van een last onder dwangsom heeft kunnen overgaan. De hoogte van de dwangsom staat naar het oordeel van de rechtbank in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Ook heeft het college de omgevingsvergunning kunnen weigeren en daarbij meer gewicht aan het planologisch belang dan het belang van eiser mogen toekennen. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond.
Procesverloop
1. Eiser is sinds 2019 eigenaar van het perceel aan de [adres] in [plaats] . Naar aanleiding van een melding van woonfraude hebben twee toezichthouders van de gemeente op 29 april 2024 een controle ter plaatse verricht om het gebruik van de bedrijfswoning vast te stellen. Tijdens de controle is vastgesteld dat vier eenpersoonskamers en twee tweepersoonskamers verhuurd worden, terwijl geen gebruiksmelding is gedaan voor kamerverhuur als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving.
UTR 25/5831
2. Op 27 mei 2024 heeft het college zijn voornemen aan eiser bekendgemaakt om handhavend op te treden, omdat het gebruik van de bedrijfswoning volgens het college in strijd is met het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg (het omgevingsplan). Daartegen heeft eiser een zienswijze ingediend. Die zienswijze was voor het college geen aanleiding om alsnog van handhaving af te zien.
3. Met het besluit van 11 november 2024 is eiser gelast om de overtreding van artikel 5,1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, betreffende het gebruik van de bedrijfswoning op het perceel, ongedaan te maken en ongedaan te houden. Dit kon eiser doen door het gebruik van de bedrijfswoning terug te brengen naar de bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is. Indien eiser de last niet, niet op tijd of niet volledig zou uitvoeren, dan zou hij een dwangsom verbeuren van € 15.000,- ineens. Eiser heeft twee maanden de tijd gekregen om aan de last te voldoen. Zodra eiser een bezwaar zou indienen tegen het besluit van 28 oktober 2024 tot weigering van de omgevingsvergunning, zou de begunstigingstermijn veranderen naar zes weken na de beslissing op bezwaar.
4. Tegen de oplegging van de last onder dwangsom heeft eiser bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 3 september 2025 (het bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de last onder dwangsom in stand gelaten. Daartegen is het beroep met het zaaknummer UTR 25/5831 gericht.
5. Op 25 maart 2026 heeft het college tijdens een controle opnieuw arbeidsmigranten in de bedrijfswoning aangetroffen. Het college heeft toegezegd dat met het nemen van een invorderingsbeschikking voor de verbeurde dwangsom wordt gewacht totdat de rechtbank uitspraak op het beroep van eiser tegen de geweigerde omgevingsvergunning (UTR 25/4088) heeft gedaan, zodat het beroep niet ook tegen de invordering is gericht.
UTR 25/4088
6. Op 20 juli 2024 heeft eiser omgevingsvergunning aangevraagd voor afwijken van het omgevingsplan ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning voor de duur van maximaal 10 jaar. Het college heeft de aanvraag met het besluit van 28 oktober 2024 afgewezen. Omdat eiser daartegen bezwaar heeft gemaakt is de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom van rechtswege verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
7. De afwijzing van de aanvraag heeft het college in het besluit op bezwaar van 27 mei 2025 (het bestreden besluit II) gehandhaafd. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld, welk beroep is geregistreerd met het zaaknummer UTR 25/4088.
De beroepen
8. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft de beroepen op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college, vergezeld door [A] (adviseur ruimtelijke ordening) en [B] .
Beoordeling door de rechtbank
Het wettelijk kader
9. Het perceel van eiser valt onder het bestemmingsplan ‘ [adres] ’ en heeft de bestemming ‘bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – loonwerkersbedrijf’. Het bestemmingsplan ‘ [adres] ’ maakt onderdeel uit van (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg. Volgens het bestemmingsplan mag per bouwvlak één bedrijfswoning, inclusief aan- en uitbouwen, worden gebouwd. Een bedrijfs- of dienstwoning is volgens de definitiebepaling in het bestemmingsplan een woning, krachtens het plan toegestaan binnen een bouwvlak, die kennelijk slechts bedoeld is voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is.
10. Het omgevingsplan bevat geen afwijkingsmogelijkheid. Dat betekent dat het college alleen buitenplans kan afwijken voor gebruik anders dan als bedrijfswoning. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of de weigering van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van de weigering onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening daarvan te dienen doelen.
De omgevingsvergunning (UTR 25/4088)
Is het gebruik van de bedrijfswoning in strijd met het omgevingsplan?
11. De rechtbank stelt vast dat partijen van mening verschillen over de vraag of de huisvesting van in dit geval arbeidsmigranten in strijd is met de regels van het omgevingsplan, waarin een bedrijfswoning is bestemd voor de bewoning van een persoon of diens huishouden. De vraag die ter beoordeling voorligt is of de bewoners van de bedrijfswoning samen een huishouden vormen.
12. Eiser voert aan dat het begrip ‘bedrijfswoning’ in het bestemmingsplan niet eenduidig is geformuleerd. Er wordt volgens eiser in de planregel vermeld dat bewoning in het algemeen door meer dan één afzonderlijk huishouden niet is toegestaan en dat de woning kennelijk slechts bedoeld is voor het huishouden van een persoon. Om vast te stellen wat hiervan de betekenis is, is in de jurisprudentie de Van Dale geraadpleegd, waarin wonen wordt gedefinieerd als ‘zijn woning hebben, verblijf houden of gehuisvest zijn’. Het begrip ‘wonen’ is daarmee, anders dan de definitie van het begrip bedrijfswoning, zoals zou volgen uit de begripsbepaling van het omgevingsplan, niet beperkt tot de huisvesting van één huishouden. Los daarvan, heeft eiser al in zijn bezwaarschrift aangegeven waarom hij van mening is dat de arbeidsmigranten één huishouden vormen. Volgens eiser is sprake van een huishouden met onderlinge verbondenheid, omdat gemeenschappelijk gebruik wordt gemaakt van de woonkamer, de keuken en sanitaire voorzieningen. Ook worden inkopen gemeenschappelijk gedaan en worden samen maaltijden genuttigd. Bovendien is eiser van mening dat aangesloten moet worden bij moderne vormen van samenleven en dat samenwonende arbeidsmigranten ook onder het begrip ‘huishouden’ moeten vallen. Met de arbeidsmigranten zijn langdurige arbeids- en huurcontracten afgesloten, zodat hiermee ook wordt voldaan aan het duurzaamheidsvereiste.
13. Naar de rechtbank begrijpt vindt eiser dat het college niet anders had kunnen besluiten dan dat eiser voor de verhuur van kamers in de bedrijfswoning geen omgevingsvergunning nodig heeft, omdat geen sprake is van strijd met het omgevingsplan (een positieve weigering).
14. De rechtbank stelt vast dat het begrip ‘huishouden’ niet is gedefinieerd in het omgevingsplan. Ook kan niet uit de systematiek van het plan, dan wel de plantoelichting, een definitie worden afgeleid. Het college kon daarom voor de invulling van dit begrip aansluiten bij het normaal spraakgebruik en de in de Van Dale gegeven definitie. Deze stelt het vaste samenlevingsverband voorop. De huurders vormen volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) één huishouden wanneer deze in vast verband samenleven en er sprake is van continuïteit in de samenstelling en van onderlinge verbondenheid.
15. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de huurders niet als één huishouden zijn aan te merken en dat de bedrijfswoning dus in strijd met het omgevingsplan wordt gebruikt. Uit het controlerapport, welke ten grondslag ligt aan de opgelegde last onder dwangsom, blijkt namelijk niet dat bij de huurders sprake is van een dusdanige verbondenheid en zodanige continuïteit in hun samenstelling dat de samenlevingsvorm gelijk kan worden gesteld met die van een huishouden. Zo heeft één van de bewoners tijdens de controle aan de toezichthouder verklaard dat er op dat moment acht bewoners in de bedrijfswoning verbleven die niet stonden ingeschreven op het adres in de Basisregistratie Personen, dat in twee van de acht kamers stellen verbleven en dat er regelmatig wisselingen plaatsvinden van de personen die in de bedrijfswoning verblijven. Gelet op de inhoud van het controlerapport, is de rechtbank niet gebleken dat de bewoners een huishouden vormen en eiser heeft dat ook niet met andere stukken aannemelijk gemaakt. Dat er samen wordt gegeten en dat er gezamenlijke voorzieningen zijn, is niet voldoende voor het aannemen van een huishouden, omdat in dat geval elk samenlevingsverband gelijk zou kunnen worden gesteld aan een huishouden en dat indruist tegen de bedoeling van de planregel. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat ook niet aannemelijk is gemaakt dat de huisvesting van de bewoners van de bedrijfswoning daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevoerde bedrijf noodzakelijk is. Ook daarom is de bewoning in strijd met het omgevingsplan.
Is de belangenafweging van het college om geen buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verlenen deugdelijk?
16. Eiser voert aan dat hij de bedrijfswoning van meet af aan heeft verhuurd om zijn loonbedrijf van de grond te kunnen krijgen en dat dit nooit problemen heeft opgeleverd. De vraag naar huisvesting voor arbeidsmigranten in de omgeving van [plaats] is volgens eiser zeer groot, omdat de gemeente zelf niet voorziet in alternatieve huisvesting. De rechtbank vertaalt de beroepsgrond van eiser aldus, dat hij vindt dat de belangenafweging die het college bij de beoordeling van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit heeft gemaakt, onredelijk is.
17. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan ‘ [adres] ’ recent is vastgesteld door de gemeenteraad en dat daarbij is uitgegaan van de economische uitvoerbaarheid van het toenmalige plan van eiser. De aanvraag van eiser is door het college getoetst aan de ‘Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden’. Die beleidsregels bieden de mogelijkheid om tijdelijk af te wijken van het omgevingsplan, mits de activiteit past binnen de visies en de beleidskaders van de gemeente. Het college stelt dat het gemeentelijk beleid zeer terughoudend is ten opzichte van het toevoegen van een burgerwoning in het buitengebied. Dit om het buitengebied te behouden voor de agrarische sector en de bedrijven die hieraan verwant zijn. Ook dient de bedrijfswoning beschikbaar te zijn voor huisvesting van degene die werkzaam is voor het bedrijf. Daarnaast heeft kamerbewoning ruimtelijk gezien een andere uitstraling naar de omgeving toe dan bewoning door een huishouden, waarvan de bewoners betrokken zijn bij de bedrijfsvoering. Het gemeentelijk woonbeleid is erop gericht om (kamer)bewoning te concentreren in de dorpskern. De bedrijfswoning in het buitengebied is dus geen gewenste locatie om de functie van een burgerwoning toe te staan, aldus het college. Op de zitting heeft het college aan deze onderbouwing toegevoegd dat medewerking aan de aanvraag zou leiden tot ongewenste precedentwerking.
18. De rechtbank kan de motivering van het college, waarom hij geen medewerking aan deze vorm van bewoning in het buitengebied wil verlenen, volgen. Op het standpunt van eiser dat zijn (financiële) belangen hier zwaarder zouden moeten wegen dan de planologische belangen van het college, is het college reeds in het verweerschrift in bezwaar ingegaan. Op de zitting heeft het college zijn standpunt herhaald dat de planologische belangen hier zwaarder wegen dan die van eiser. De rechtbank komt die belangenafweging niet onredelijk voor, omdat de rechtbank het voldoende aannemelijk acht dat bewoning door een huishouden een andere ruimtelijke uitstraling heeft dan bewoning door personen die onderling niet met elkaar verbonden zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
19. Gelet op het voorgaande slagen de beroepsgronden tegen het weigeringsbesluit van het college niet. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.
De last onder dwangsom (UTR 25/5831)
20. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is het gebruik van de bedrijfswoning in strijd met het omgevingsplan. Dat betekent dat eiser in overtreding is. Bij handhaving geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving staat dus voorop. Van deze beginselplicht tot handhaving mag alleen worden afgezien als handhavend optreden onevenredig is. Dat is het geval als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Zo’n bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat handhaving onevenredig is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het tijdsverloop voorafgaand aan een besluit tot handhaving op zichzelf geen bijzondere omstandigheid is op grond waarvan het college van handhaving moet afzien. Dat is ook niet het geval als het college op de hoogte was van de overtreding of dat kon zijn.
De hoogte van de dwangsom
21. Eiser voert aan dat de hoogte van de dwangsom in strijd is met artikel 5:32b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bedrag in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom moeten staan. Het college heeft de keuze voor een dwangsom van € 15.000,- ineens volgens eiser niet deugdelijk gemotiveerd. Eiser stelt dat het college bij illegale kamerbewoning altijd voor dit bedrag kiest, omdat van bewoning door arbeidsmigranten veel overlast wordt ervaren. Daarmee heeft het college echter onvoldoende rekening gehouden met de uitgangspunten voordeel/opbrengst voor de overtreder, omvang van de schade, de aard en ernst van de overtreding, het gedrag van de overtreder en de handhavingshistorie als bedoeld in de ‘Beleidsregel leidraad hoogte van dwangsommen en lengte van begunstigingstermijn gemeente Woudenberg’, en de daarin opgenomen bandbreedte van € 2.500,- tot € 40.000,-. Daarnaast voert eiser aan dat het college niet heeft uitgelegd hoe het uitgangspunt in de beleidsregel dat de hoogte van de dwangsom is afgeleid uit het behaalde economische voordeel bij hem is toegepast. De opgelegde dwangsom van
€ 15.000,- bedraagt ongeveer zes keer de maandelijkse bruto huur. Dit bedrag vindt eiser te hoog, mede gelet op het feit dat hij een startende ondernemer is die de huuropbrengsten nodig heeft voor het uitbreiden van zijn onderneming. Ook is hij niet in staat om dit bedrag te betalen, zoals hij in de zaak UTR 25/4088 heeft aangevoerd. De hoogte van de dwangsom staat volgens eiser in geen enkele verhouding tot de overtreding en zou eerder in de orde van € 2.500,- - €5.000,- moeten liggen. Een dergelijk bedrag is volgens eiser ook een voldoende prikkel om een einde te maken aan de overtreding.
22. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het beroep voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het opleggen van een last onder dwangsom ten doel heeft de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Het is aan het bestuursorgaan om een afweging van de belangen te maken en de hoogte van de dwangsom te bepalen. Het college heeft daarbij in redelijkheid de beleidsregel tot uitgangspunt kunnen nemen. In de beleidsregel zijn bedragen genoemd voor (onder meer) de overtreding waarover het hier over gaat. Voor het gebruik van een woning in strijd met het bestemmingsplan wordt een dwangsom opgelegd van minimaal € 2.500,- en maximaal
€ 40.000,-.
23. Het college motiveert in het primaire besluit dat is gekozen voor een dwangsom van € 15.000,- en niet het maximum bedrag van € 40.000,-, omdat bewoning van de bedrijfswoning volgens het bestemmingsplan wel is toegestaan, maar niet op de wijze zoals nu het geval is. Het college vindt de hoogte van de dwangsom ook in verhouding staan tot de aard en omvang van de overtreding. In zijn reactie op de zienswijze heeft het college ook gemotiveerd dat hij een dwangsom hoger dan het financiële gewin dat gepaard gaat met de illegale situatie mag opleggen om zo een voldoende prikkel te bewerkstelligen. Het financiële gewin bestaat hier uit een huur van € 130,- per persoon per week, dus € 4.160,- per maand in totaal.
24. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid een dwangsom van
€ 15.000,- aan eiser heeft kunnen opleggen, welke hoogte binnen de bandbreedte van de beleidsregel blijft. Daarbij betrekt de rechtbank dat de opbrengsten van de verhuur
€ 4.160 per maand bedragen en dat terwijl de overtreding al sinds 2019 plaatsvindt. Omdat de dwangsom een voldoende prikkel moet zijn om de overtreding ongedaan te maken, acht de rechtbank gelet op de duur en ernst van de overtreding een dwangsom van € 15.000,- redelijk. De stelling van eiser dat hij de dwangsom niet kan betalen, kan de rechtbank bij de beoordeling van de dwangsom niet betrekken. Het argument dat eiser gezien zijn financiële draagkracht evident niet in staat is om de verbeurde dwangsom (volledig) te betalen, zal eiser tegen de nog te nemen invorderingsbeschikking moeten aanvoeren. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat dit het geval is. De beroepsgrond slaagt niet.
De begunstigingstermijn
25. In de zaak UTR 25/4088 heeft eiser aangevoerd dat hij in staat gesteld moet worden om op een juiste wijze de betreffende huurovereenkomsten, waarin een opzegtermijn is opgenomen, met de arbeidsmigranten te kunnen beëindigen, teneinde niet aansprakelijk gesteld te worden voor schade. Naar de rechtbank begrijpt heeft eiser deze beroepsgrond abusievelijk aangevoerd tegen de geweigerde omgevingsvergunning, maar is deze beroepsgrond gericht tegen de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom.
26. In beginsel vormt de contractuele verhouding van eiser met de arbeidsmigranten geen beletsel om de last uit te voeren. Op de zitting heeft het college toegezegd dat hij bereid is om de begunstigingstermijn te verlengen tot aan de opzegtermijn in de huurovereenkomsten (van twee tot drie maanden), om zo aan eiser tegemoet te komen. De rechtbank verkeerde op de zitting, toen deze toezegging werd gedaan, abusievelijk in de veronderstelling dat de begunstigingstermijn was verlengd als gevolg van het ingestelde beroep. De begunstigingstermijn was echter verlengd tot zes weken na het besluit op bezwaar en daarna niet meer. Dat betekent, gelet op de resultaten van de controle op 25 maart 2026, dat eiser na het verstrijken van de begunstigingstermijn de dwangsom heeft verbeurd. Om die reden kan de termijn niet meer verlengd worden. De rechtbank biedt haar excuses aan eiser aan voor de verwachting die bij hem op de zitting is gewekt. Hierna zal de rechtbank beoordelen of de gestelde begunstigingstermijn niet onredelijk kort was voor eiser om de huurovereenkomsten te kunnen beëindigen.
27. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geldt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag ook niet wezenlijk korter worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Omdat eiser vanaf het moment van het opleggen van de last tot aan zes weken na het bestreden besluit bijna een jaar de tijd heeft gehad om de overtreding te beëindigen, heeft het college deze begunstigingstermijn naar het oordeel van de rechtbank mogen vaststellen. Voor zover eiser aanvoert dat de begunstigingstermijn onredelijk kort is, slaagt deze beroepsgrond niet.
Conclusie en gevolgen
28. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom en het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 4.2.2 onder a van het bestemmingsplan.
Artikel 1.14 van het bestemmingsplan.
Artikel 8.0a., tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5852, r.o. 6.
Uitspraak van de Afdeling van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1796, r.o. 5.1.
Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.
Uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1829, r.o. 5.3.
Uitspraken van de Afdeling van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2060, r.o. 11.1 en van
8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4153, r.o. 8.2.
Uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2908, r.o. 5.3.
Uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4031, r.o. 2.
Uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3954, r.o. 5.3.
Uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2196, r.o. 3.5.