Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4715
2026-07-17
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
UTR 25/5950
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanvraag voor een WIA-uitkering met een verkorte wachttijd. De rechtbank kan de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gelet op de medische informatie in het dossier, niet volgen. De rechtbank draagt het Uwv op om een nieuw besluit te nemen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2024:840 Centrale Raad van Beroep 01-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.946 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5950
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.H.D. Koppelaar),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. R. van den Brink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt is op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waardoor hij geen recht heeft op een WIA-uitkering met een verkorte wachttijd. De rechtbank beoordeelt het besluit van het Uwv aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft voor het laatst gewerkt als [functie] voor gemiddeld 36,09 uur per week bij Stichting [naam] . Hij heeft zich op 31 oktober 2023 ziekgemeld vanwege belemmerende gezondheidsklachten. Op 2 november 2023 werd eiser gediagnosticeerd met een hersenvliesontsteking. Sinds deze dag kampt eiser met geheugenproblemen. Hij begint iedere dag in de veronderstelling dat het 2 november 2023 is, om vervolgens te ontdekken dat dit niet klopt.
3. Op 7 januari 2025 heeft eiser een aanvraag voor een WIA-uitkering met een verkorte wachttijd ingediend. Naar aanleiding van de aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 21 mei 2025 heeft het Uwv geweigerd aan eiser met ingang van 18 maart 2025 na een verkorte wachttijd een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen. Daartegen heeft eiser bezwaar gemaakt, omdat hij vindt dat hij recht heeft op een IVA-uitkering.
4. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van de duurzame beperkingen opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens geconcludeerd dat eiser zijn eigen werk niet meer kan doen en aan de hand van de FML de functies schadecorrespondent (SBC 516080), administratief medewerker afhandelingen (SBC 515080) en commercieel-administratief medewerker (SBC 516110) geselecteerd en daarmee berekend dat eiser 56,07% arbeidsongeschikt is.
5. Met het besluit van 4 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, omdat eiser op basis van alleen de duurzame beperkingen niet volledig arbeidsongeschikt is. Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door [A] (partner), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv.
Beoordeling door de rechtbank
De Wet WIA
7. Voordat een verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de Wet WIA geldt een wachttijd van 104 weken. Het Uwv stelt op aanvraag van de verzekerde een verkorte wachttijd vast indien de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, tweede lid van de Wet WIA. Het einde van een verkorte wachttijd wordt niet eerder vastgesteld dan tien weken na de dag waarop de aanvraag daartoe is ingediend. De aanvraag van eiser is ingediend op 7 januari 2025. Dat betekent dat het einde van de verkorte wachttijd 18 maart 2025 is. Het gaat dus om de medische situatie van eiser op die datum, de zogenoemde datum in geding.
8. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder duurzaam wordt in artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.
9. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat de wetgever met de regeling van de verkorte wachttijd het oog heeft gehad op die werknemers van wie het al in een eerder stadium dan na twee jaar ziekte duidelijk is dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Alleen die zieke werknemers die in een evident stabiele situatie verkeren en die volledig arbeidsongeschikt zijn, kunnen in aanmerking komen voor een flexibele keuring (met een verkorte wachttijd). Dit betekent dat het Uwv in het kader van een aanvraag om een verkorte wachttijd slechts dient te beoordelen of sprake is van een stabiele of verslechterende medische situatie. Als herstel mogelijk is, kan geen sprake zijn van een toekenning met een verkorte wachttijd. De Raad heeft eerder geoordeeld dat daarbij van belang is dat het niet gaat om de vraag of herstel van de medische aandoening als zodanig is uitgesloten, maar om de vraag of naar medisch oordeel herstel van de belastbaarheid, in de zin dat sprake is van arbeidsmogelijkheden, is uitgesloten.
De beroepsgronden
10. Eiser voert aan dat het Uwv ten onrechte de aanvraag voor een vervroegde IVA-uitkering heeft afgewezen. Eiser is van mening dat hij duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA. Zijn cognitieve beperkingen zijn duurzaam, waardoor eiser niet begrijpt dat in de FML op items 1.3 (herinneren in het dagelijks functioneren) en item 1.6 (zelfstandig handelen in het dagelijks functioneren) geen beperkingen zijn aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt op dat er mogelijk cognitieve beperkingen zijn, maar heeft nagelaten zelf onderzoek te doen. Ter onderbouwing dat de cognitieve beperkingen duurzaam zijn, heeft eiser een verslag van een neuropsychologisch onderzoek dat is uitgevoerd op 17 september, 2 oktober en 23 oktober 2025 bij het Amsterdam Medisch Centrum (AMC) en een brief van zijn neuroloog van 19 juni 2025 overgelegd. Verder voert eiser aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet heeft gemotiveerd waarom de aangenomen urenbeperking in de FML voldoende is, gelet op zijn verhoogde recuperatiebehoefte.
De beoordeling door de rechtbank
11. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na bestudering van het medisch dossier van eiser een aantal duurzame beperkingen in de FML van 29 juli 2025 opgenomen, maar niet voor de cognitieve klachten. Ten aanzien van de cognitieve klachten doet zich volgens de verzekeringsarts bewaar en beroep het probleem voor dat er geen valide testresultaten werden verkregen bij het neuropsychologisch onderzoek verricht op 28 januari 2025 bij het St. Antonius Ziekenhuis. De testresultaten waren moeilijk te interpreteren, omdat eiser een bepaalde strategie hanteerde. Bij trial 1 heeft eiser steeds gekozen voor plaatje B en bij trial 2 voor plaatje A. Hierdoor kunnen cognitieve functiestoornissen niet worden geobjectiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt zich op het standpunt dat met het aannemen van beperkingen op de items 1.8 (specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid) en 2.12 (specifieke voorwaarden voor het sociaal functioneren in arbeid) in de FML voldoende rekening is gehouden met de bijkomende angst, gevoelens van controleverlies en dwangmatige neigingen om geheugenmissers te voorkomen, zoals de neuropsycholoog concludeert, en tot zekere hoogte met de door eiser ervaren cognitieve problemen. Vanwege niet aangeboren hersenletsel en chronische pijnklachten heeft eiser volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel een verminderde energetische belastbaarheid, waardoor hij niet kan werken tussen 20:00-06:00 uur en niet meer dan 6 uur per dag en 30 uur per week.
12. De rechtbank stelt met de verzekeringsarts bezwaar en beroep vast dat de neuroloog heeft geconcludeerd dat op basis van het onderzoek geen uitspraken gedaan kunnen worden over het wel of niet aanwezig zijn van cognitieve stoornissen als gevolg van onderpresteren, maar dat er op basis van intake en observaties sprake lijkt te zijn van cognitieve restklachten van de doorgemaakte hersenvliesontsteking, waarbij de bijkomende angstklachten, gevoelens van controleverlies en een dwangmatige neiging om geheugenmissers te voorkomen een versterkend effect kunnen hebben. Gelet op de conclusie van het neuropsychologisch onderzoek, acht de rechtbank het begrijpelijk dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvankelijk geen aanleiding heeft gezien om cognitieve functiestoornissen aan te nemen en te vertalen naar beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren in de FML.
13. Eiser heeft een nieuw neuropsychologisch onderzoek bij het AMC aangevraagd, waarvan de resultaten op 13 januari 2026 bekend zijn gemaakt. Uit het onderzoeksverslag volgt dat eiser op twee van de drie prestatievaliditeitstest onder de norm heeft gescoord. Dit komt volgens de neuropsycholoog waarschijnlijk doordat deze bij patiënten met ernstige cognitieve stoornissen niet valide kunnen worden afgenomen. De neuropsycholoog concludeert dat het cognitieve profiel van eiser gedeeltelijk passend is bij restklachten na een hersenvliesontsteking. De mate van anterograde amnesie (een vorm van geheugenverlies waarbij iemand geen nieuwe herinneringen kan vormen vanaf het moment dat de aandoening is ontstaan) is echter wel uitgebreider dan gebruikelijk. Gegeven de duur en stabiliteit van de cognitieve problemen is het volgens de neuropsycholoog onwaarschijnlijk dat de geheugenproblemen nog zullen herstellen. Ondanks het geheugen zeer waarschijnlijk niet meer zal verbeteren, kan herhaling van handelingen tot verbetering van die handelingen leiden zonder dat de patiënt zelf weet dat hiermee geoefend is. Hoewel een ergotherapeut eerder heeft meegedacht, zou een ergotherapeut nog eens in de thuissituatie kunnen meekijken. Ook kan een geheugensysteem gebaseerd op herkenning en gevoel nog intact zijn. Mogelijk kan hier nog winst worden behaald door dit systeem te stimuleren. Er zou dan een persoonlijk op eiser toegesneden therapie moeten worden bedacht. Verder zou de neuroloog mogelijk nog kunnen kijken naar medicamenteuze of andere behandelopties.
14. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt zich op het standpunt dat de testresultaten van het in opdracht van eiser uitgevoerde onderzoek overwegend vergelijkbaar zijn met de eerdere testresultaten, zoals in het St. Antonius ziekenhuis zijn afgenomen. Het verslag van het neuropsychologisch onderzoek bij het AMC heeft daarom niet geleid tot een wijziging van het eerder ingenomen standpunt dat eiser geen recht heeft op een IVA-uitkering met een verkorte wachttijd.
15. De rechtbank kan de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gelet op de medische informatie in het dossier, niet volgen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan van de norm op items 1.3 en 1.6 in de FML. Dat betekent volgens het Basisinformatie CBBS (versie 6.0) dat eiser zich doorgaans tijdig zonder ongebruikelijke hulpmiddelen relevante zaken kan herinneren en dat er geen specifieke beperkingen in het zelfstandig handelen in het dagelijks functioneren zijn. Uit de brief van de neuroloog van eiser van 19 juni 2025 volgt dat over het algemeen het herstel van klachten na een hersenvliesontsteking anderhalf jaar duurt en dat de situatie die dan bereikt is als eindpunt gezien moet worden. De datum in geding ligt rond dit eindpunt. Dat geldt ook voor het neuropsychologisch onderzoek dat is uitgevoerd op 28 januari 2025. Hoewel de precieze omvang van de cognitieve klachten niet vastgesteld kon worden, vanwege het ontbreken van validiteit van de testresultaten, volgt uit dit onderzoek dat eiser cognitieve (rest)klachten heeft. Dat eiser cognitieve klachten heeft, blijkt ook uit de conclusie van het latere onderzoek bij het AMC. Ook wanneer met oefening of andere behandeling nog enig resultaat kan worden geboekt, wil dat nog niet zeggen dat er geheel geen cognitieve duurzame beperkingen zijn. Immers is eiser al sinds de hersenvliesontsteking aangewezen op het gebruik van hulpmiddelen, zoals een planningsbord, en is zijn dagverhaal consistent. Daaruit blijkt dat het huis vol briefjes hangt, dat eiser trager handelt en uitleg van zijn vrouw nodig heeft voor alledaagse activiteiten. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij zich een eendagsvlieg voelt, omdat hij elke dag opnieuw moet beginnen en niet weet wat hij gisteren heeft gedaan.
15. De rechtbank zal, gelet op het motiveringsgebrek, het bestreden besluit vernietigen en het Uwv opdragen om een nieuw besluit te nemen, waarin deugdelijk wordt gemotiveerd waarom eiser wel of geen duurzame cognitieve beperkingen heeft, en waarbij alle medische verslagen inzichtelijk zijn betrokken. Omdat de energetische klachten samenhangen met de cognitieve klachten, geeft de rechtbank nog geen oordeel over of de urenbeperking in de FML toereikend is.
Verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige
17. Eiser verzoekt de rechtbank om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
Eiser heeft de gelegenheid gehad om alles naar voren te brengen om tegenover het standpunt van het Uwv te stellen (equality of arms). De rechtbank wijst het verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige daarom af. Het enkele feit dat eiser en het Uwv andere opvattingen over zijn belastbaarheid hebben, maakt niet dat de rechtbank aanleiding ziet om een deskundige te benoemen.
Arbeidskundige beoordeling
18. Tegen de arbeidskundige beoordeling heeft eiser geen gronden ingediend, behalve dat hij de functies vanwege zijn medische situatie niet kan verrichten. Omdat eiser geen nieuwe informatie kan onthouden, kan hij niet deugdelijk ingewerkt worden. Ook is hij niet in staat om voor de functie van schadecorrespondent (SBC 516080) de vereiste interne opleiding te volgen en om adviezen en voorlichting te geven bij de functie van commercieel-administratief medewerker (SBC 51611). Omdat de arbeidskundige beoordeling is gebaseerd op de FML, en eiser de juistheid van de FML betwist, is deze beroepsgrond gericht tegen de medische beoordeling en niet tegen de arbeidskundige beoordeling.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Dit omdat het vaststellen van de belastbaarheid van eiser de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts is. Ook draagt de rechtbank niet aan het Uwv op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat te verwachten is dat het onderzoek dat nodig is om het gebrek te herstellen enige tijd zal duren en te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond. De rechtbank draagt het Uwv daarom op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
20. Omdat het beroep gegrond is moet het Uwv het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 4 september 2025;
- draagt het Uwv op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA.
Artikel 23, zesde lid, eerste volzin, van de Wet WIA.
Artikel 23, zesde lid, derde volzin, van de Wet WIA.
Uitspraak van de Raad van 1 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:840, r.o. 4.1- 4.5.
Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5950
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.H.D. Koppelaar),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. R. van den Brink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt is op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waardoor hij geen recht heeft op een WIA-uitkering met een verkorte wachttijd. De rechtbank beoordeelt het besluit van het Uwv aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft voor het laatst gewerkt als [functie] voor gemiddeld 36,09 uur per week bij Stichting [naam] . Hij heeft zich op 31 oktober 2023 ziekgemeld vanwege belemmerende gezondheidsklachten. Op 2 november 2023 werd eiser gediagnosticeerd met een hersenvliesontsteking. Sinds deze dag kampt eiser met geheugenproblemen. Hij begint iedere dag in de veronderstelling dat het 2 november 2023 is, om vervolgens te ontdekken dat dit niet klopt.
3. Op 7 januari 2025 heeft eiser een aanvraag voor een WIA-uitkering met een verkorte wachttijd ingediend. Naar aanleiding van de aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 21 mei 2025 heeft het Uwv geweigerd aan eiser met ingang van 18 maart 2025 na een verkorte wachttijd een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen. Daartegen heeft eiser bezwaar gemaakt, omdat hij vindt dat hij recht heeft op een IVA-uitkering.
4. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van de duurzame beperkingen opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens geconcludeerd dat eiser zijn eigen werk niet meer kan doen en aan de hand van de FML de functies schadecorrespondent (SBC 516080), administratief medewerker afhandelingen (SBC 515080) en commercieel-administratief medewerker (SBC 516110) geselecteerd en daarmee berekend dat eiser 56,07% arbeidsongeschikt is.
5. Met het besluit van 4 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, omdat eiser op basis van alleen de duurzame beperkingen niet volledig arbeidsongeschikt is. Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door [A] (partner), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv.
Beoordeling door de rechtbank
De Wet WIA
7. Voordat een verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de Wet WIA geldt een wachttijd van 104 weken. Het Uwv stelt op aanvraag van de verzekerde een verkorte wachttijd vast indien de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, tweede lid van de Wet WIA. Het einde van een verkorte wachttijd wordt niet eerder vastgesteld dan tien weken na de dag waarop de aanvraag daartoe is ingediend. De aanvraag van eiser is ingediend op 7 januari 2025. Dat betekent dat het einde van de verkorte wachttijd 18 maart 2025 is. Het gaat dus om de medische situatie van eiser op die datum, de zogenoemde datum in geding.
8. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder duurzaam wordt in artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.
9. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat de wetgever met de regeling van de verkorte wachttijd het oog heeft gehad op die werknemers van wie het al in een eerder stadium dan na twee jaar ziekte duidelijk is dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Alleen die zieke werknemers die in een evident stabiele situatie verkeren en die volledig arbeidsongeschikt zijn, kunnen in aanmerking komen voor een flexibele keuring (met een verkorte wachttijd). Dit betekent dat het Uwv in het kader van een aanvraag om een verkorte wachttijd slechts dient te beoordelen of sprake is van een stabiele of verslechterende medische situatie. Als herstel mogelijk is, kan geen sprake zijn van een toekenning met een verkorte wachttijd. De Raad heeft eerder geoordeeld dat daarbij van belang is dat het niet gaat om de vraag of herstel van de medische aandoening als zodanig is uitgesloten, maar om de vraag of naar medisch oordeel herstel van de belastbaarheid, in de zin dat sprake is van arbeidsmogelijkheden, is uitgesloten.
De beroepsgronden
10. Eiser voert aan dat het Uwv ten onrechte de aanvraag voor een vervroegde IVA-uitkering heeft afgewezen. Eiser is van mening dat hij duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA. Zijn cognitieve beperkingen zijn duurzaam, waardoor eiser niet begrijpt dat in de FML op items 1.3 (herinneren in het dagelijks functioneren) en item 1.6 (zelfstandig handelen in het dagelijks functioneren) geen beperkingen zijn aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt op dat er mogelijk cognitieve beperkingen zijn, maar heeft nagelaten zelf onderzoek te doen. Ter onderbouwing dat de cognitieve beperkingen duurzaam zijn, heeft eiser een verslag van een neuropsychologisch onderzoek dat is uitgevoerd op 17 september, 2 oktober en 23 oktober 2025 bij het Amsterdam Medisch Centrum (AMC) en een brief van zijn neuroloog van 19 juni 2025 overgelegd. Verder voert eiser aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet heeft gemotiveerd waarom de aangenomen urenbeperking in de FML voldoende is, gelet op zijn verhoogde recuperatiebehoefte.
De beoordeling door de rechtbank
11. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na bestudering van het medisch dossier van eiser een aantal duurzame beperkingen in de FML van 29 juli 2025 opgenomen, maar niet voor de cognitieve klachten. Ten aanzien van de cognitieve klachten doet zich volgens de verzekeringsarts bewaar en beroep het probleem voor dat er geen valide testresultaten werden verkregen bij het neuropsychologisch onderzoek verricht op 28 januari 2025 bij het St. Antonius Ziekenhuis. De testresultaten waren moeilijk te interpreteren, omdat eiser een bepaalde strategie hanteerde. Bij trial 1 heeft eiser steeds gekozen voor plaatje B en bij trial 2 voor plaatje A. Hierdoor kunnen cognitieve functiestoornissen niet worden geobjectiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt zich op het standpunt dat met het aannemen van beperkingen op de items 1.8 (specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid) en 2.12 (specifieke voorwaarden voor het sociaal functioneren in arbeid) in de FML voldoende rekening is gehouden met de bijkomende angst, gevoelens van controleverlies en dwangmatige neigingen om geheugenmissers te voorkomen, zoals de neuropsycholoog concludeert, en tot zekere hoogte met de door eiser ervaren cognitieve problemen. Vanwege niet aangeboren hersenletsel en chronische pijnklachten heeft eiser volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel een verminderde energetische belastbaarheid, waardoor hij niet kan werken tussen 20:00-06:00 uur en niet meer dan 6 uur per dag en 30 uur per week.
12. De rechtbank stelt met de verzekeringsarts bezwaar en beroep vast dat de neuroloog heeft geconcludeerd dat op basis van het onderzoek geen uitspraken gedaan kunnen worden over het wel of niet aanwezig zijn van cognitieve stoornissen als gevolg van onderpresteren, maar dat er op basis van intake en observaties sprake lijkt te zijn van cognitieve restklachten van de doorgemaakte hersenvliesontsteking, waarbij de bijkomende angstklachten, gevoelens van controleverlies en een dwangmatige neiging om geheugenmissers te voorkomen een versterkend effect kunnen hebben. Gelet op de conclusie van het neuropsychologisch onderzoek, acht de rechtbank het begrijpelijk dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvankelijk geen aanleiding heeft gezien om cognitieve functiestoornissen aan te nemen en te vertalen naar beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren in de FML.
13. Eiser heeft een nieuw neuropsychologisch onderzoek bij het AMC aangevraagd, waarvan de resultaten op 13 januari 2026 bekend zijn gemaakt. Uit het onderzoeksverslag volgt dat eiser op twee van de drie prestatievaliditeitstest onder de norm heeft gescoord. Dit komt volgens de neuropsycholoog waarschijnlijk doordat deze bij patiënten met ernstige cognitieve stoornissen niet valide kunnen worden afgenomen. De neuropsycholoog concludeert dat het cognitieve profiel van eiser gedeeltelijk passend is bij restklachten na een hersenvliesontsteking. De mate van anterograde amnesie (een vorm van geheugenverlies waarbij iemand geen nieuwe herinneringen kan vormen vanaf het moment dat de aandoening is ontstaan) is echter wel uitgebreider dan gebruikelijk. Gegeven de duur en stabiliteit van de cognitieve problemen is het volgens de neuropsycholoog onwaarschijnlijk dat de geheugenproblemen nog zullen herstellen. Ondanks het geheugen zeer waarschijnlijk niet meer zal verbeteren, kan herhaling van handelingen tot verbetering van die handelingen leiden zonder dat de patiënt zelf weet dat hiermee geoefend is. Hoewel een ergotherapeut eerder heeft meegedacht, zou een ergotherapeut nog eens in de thuissituatie kunnen meekijken. Ook kan een geheugensysteem gebaseerd op herkenning en gevoel nog intact zijn. Mogelijk kan hier nog winst worden behaald door dit systeem te stimuleren. Er zou dan een persoonlijk op eiser toegesneden therapie moeten worden bedacht. Verder zou de neuroloog mogelijk nog kunnen kijken naar medicamenteuze of andere behandelopties.
14. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt zich op het standpunt dat de testresultaten van het in opdracht van eiser uitgevoerde onderzoek overwegend vergelijkbaar zijn met de eerdere testresultaten, zoals in het St. Antonius ziekenhuis zijn afgenomen. Het verslag van het neuropsychologisch onderzoek bij het AMC heeft daarom niet geleid tot een wijziging van het eerder ingenomen standpunt dat eiser geen recht heeft op een IVA-uitkering met een verkorte wachttijd.
15. De rechtbank kan de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gelet op de medische informatie in het dossier, niet volgen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan van de norm op items 1.3 en 1.6 in de FML. Dat betekent volgens het Basisinformatie CBBS (versie 6.0) dat eiser zich doorgaans tijdig zonder ongebruikelijke hulpmiddelen relevante zaken kan herinneren en dat er geen specifieke beperkingen in het zelfstandig handelen in het dagelijks functioneren zijn. Uit de brief van de neuroloog van eiser van 19 juni 2025 volgt dat over het algemeen het herstel van klachten na een hersenvliesontsteking anderhalf jaar duurt en dat de situatie die dan bereikt is als eindpunt gezien moet worden. De datum in geding ligt rond dit eindpunt. Dat geldt ook voor het neuropsychologisch onderzoek dat is uitgevoerd op 28 januari 2025. Hoewel de precieze omvang van de cognitieve klachten niet vastgesteld kon worden, vanwege het ontbreken van validiteit van de testresultaten, volgt uit dit onderzoek dat eiser cognitieve (rest)klachten heeft. Dat eiser cognitieve klachten heeft, blijkt ook uit de conclusie van het latere onderzoek bij het AMC. Ook wanneer met oefening of andere behandeling nog enig resultaat kan worden geboekt, wil dat nog niet zeggen dat er geheel geen cognitieve duurzame beperkingen zijn. Immers is eiser al sinds de hersenvliesontsteking aangewezen op het gebruik van hulpmiddelen, zoals een planningsbord, en is zijn dagverhaal consistent. Daaruit blijkt dat het huis vol briefjes hangt, dat eiser trager handelt en uitleg van zijn vrouw nodig heeft voor alledaagse activiteiten. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij zich een eendagsvlieg voelt, omdat hij elke dag opnieuw moet beginnen en niet weet wat hij gisteren heeft gedaan.
15. De rechtbank zal, gelet op het motiveringsgebrek, het bestreden besluit vernietigen en het Uwv opdragen om een nieuw besluit te nemen, waarin deugdelijk wordt gemotiveerd waarom eiser wel of geen duurzame cognitieve beperkingen heeft, en waarbij alle medische verslagen inzichtelijk zijn betrokken. Omdat de energetische klachten samenhangen met de cognitieve klachten, geeft de rechtbank nog geen oordeel over of de urenbeperking in de FML toereikend is.
Verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige
17. Eiser verzoekt de rechtbank om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
Eiser heeft de gelegenheid gehad om alles naar voren te brengen om tegenover het standpunt van het Uwv te stellen (equality of arms). De rechtbank wijst het verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige daarom af. Het enkele feit dat eiser en het Uwv andere opvattingen over zijn belastbaarheid hebben, maakt niet dat de rechtbank aanleiding ziet om een deskundige te benoemen.
Arbeidskundige beoordeling
18. Tegen de arbeidskundige beoordeling heeft eiser geen gronden ingediend, behalve dat hij de functies vanwege zijn medische situatie niet kan verrichten. Omdat eiser geen nieuwe informatie kan onthouden, kan hij niet deugdelijk ingewerkt worden. Ook is hij niet in staat om voor de functie van schadecorrespondent (SBC 516080) de vereiste interne opleiding te volgen en om adviezen en voorlichting te geven bij de functie van commercieel-administratief medewerker (SBC 51611). Omdat de arbeidskundige beoordeling is gebaseerd op de FML, en eiser de juistheid van de FML betwist, is deze beroepsgrond gericht tegen de medische beoordeling en niet tegen de arbeidskundige beoordeling.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Dit omdat het vaststellen van de belastbaarheid van eiser de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts is. Ook draagt de rechtbank niet aan het Uwv op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat te verwachten is dat het onderzoek dat nodig is om het gebrek te herstellen enige tijd zal duren en te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond. De rechtbank draagt het Uwv daarom op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
20. Omdat het beroep gegrond is moet het Uwv het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 4 september 2025;
- draagt het Uwv op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA.
Artikel 23, zesde lid, eerste volzin, van de Wet WIA.
Artikel 23, zesde lid, derde volzin, van de Wet WIA.
Uitspraak van de Raad van 1 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:840, r.o. 4.1- 4.5.
Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.