Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4700
Inhoudsindicatie
MK. Tussenuitspraak. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over de verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een groot zonnepark in Ockhuizen, onderdeel van Haarzuilens. De rechtbank beoordeelt de uitgebreide beroepsgronden van eisers. De uitkomst van die beoordeling is dat de verleende omgevingsvergunning een aantal motiveringsgebreken bevat. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het zonnepark ruimtelijke aanvaardbaarheid is en in hoeverre de geplande gebiedsontwikkeling in Ockhuizen daarvoor noodzakelijk is. Bovendien oordeelt de rechtbank dat de voorwaarden voor een goede ruimtelijke inpassing van het zonnepark onvoldoende publiekrechtelijk zijn geborgd. Gelet hierop oordeelt de rechtbank nog niet over verdere beroepsgronden van eiser die zijn gericht op de goede ruimtelijke ordening. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende gemotiveerd dat voor het zonnepark geen vormvrij m.e.r.-beoordeling nodig is. Het college wordt in de gelegenheid gesteld om de motiveringsgebreken te herstellen.
Citeert (24)
- ECLI:NL:RVS:2021:786 Raad van State 14-04-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:953 Raad van State 04-05-2021
- ECLI:NL:RVS:2023:606 Raad van State 15-02-2023
- ECLI:NL:RVS:2026:2061 Raad van State 15-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2011:BP2116 Raad van State 26-01-2011
- ECLI:NL:RVS:2025:1835 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2023:6467 Rechtbank Limburg 06-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:425 Raad van State 01-02-2023
- ECLI:NL:RVS:2016:2734 Raad van State 19-10-2016
- ECLI:NL:RVS:2025:3076 Raad van State 09-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4559 Raad van State 24-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:1292 Raad van State 27-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:501 Raad van State 07-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2026:1949 Raad van State 08-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2023:4512 Raad van State 06-12-2023
- ECLI:NL:RVS:2024:5417 Raad van State 24-12-2024
- ECLI:NL:RVS:2018:378 Raad van State 07-02-2018
- ECLI:NL:RVS:2025:4559 Raad van State 24-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2022:387 Raad van State 09-02-2022
- ECLI:NL:RVS:2024:4923 Raad van State 18-12-2024
- ECLI:NL:RVS:2020:2706 Raad van State 11-11-2020
- ECLI:NL:RVS:2021:2173 Raad van State 29-09-2021
- ECLI:NL:RVS:2020:1816 Raad van State 29-07-2020
- ECLI:NL:RVS:2017:354 Raad van State 08-02-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (74.328 tekens)
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6566-T
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen
1. Stichting Behoud Landschap Haarzuilensgevestigd in Haarzuilens,
2. [eisers]
, eisers,
(gemachtigde: mr. J.G.L. van Nus),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college,
(gemachtigde: mr. N.A. van Polanen).
Als derde-partij neemt aan het geding deel [vergunninghoudster] B.V., vergunninghoudster, gevestigd in [vestigingsplaats] .
Partijen worden in deze uitspraak de Stichting, eisers, het college en vergunninghoudster genoemd.
Inleiding
1. In [buurtschap] , onderdeel van Haarzuilens, hebben verschillende agrariërs hun grond beschikbaar gesteld voor het opwekken van duurzame energie. Daarop heeft [vergunninghoudster] het plan ontwikkeld om op deze agrarische percelen een zonnepark aan te leggen. Het college wil groene energie graag combineren met natuurontwikkeling en ruimte voor recreatie. In dat kader heeft het college een plan gemaakt voor de herinrichting van het gebied rondom het zonnepark. Het realiseren van het zonnepark in [buurtschap] maakt onderdeel uit van deze gebiedsontwikkeling. De doelen en voorwaarden van de gebiedsontwikkeling heeft het college vastgelegd in het Integraal Programma van Eisen van 28 juli 2023 (IPvE).
2. Afbeelding 1 maakt inzichtelijk hoe het plangebied van het zonnepark (het zwarte vlak) zich verhoudt tot de voorgenomen gebiedsontwikkeling (het groene vlak).
Afbeelding 1
3. Eisers en de Stichting zijn het niet eens met het realiseren van het zonnepark en met het uitvoeren van de gebiedsontwikkeling. Zij hechten grote waarde aan behoud van de cultuurhistorische waarde van het gebied. Zij willen dan ook graag dat [buurtschap] blijft zoals het is.
4. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het college in redelijkheid een omgevingsvergunning heeft verleend voor het realiseren van het zonnepark. De gebiedsontwikkeling rondom het zonnepark komt daarbij ook aan de orde.
Procesverloop
5. Vergunninghoudster heeft bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van het zonnepark. De ontwerp-omgevingsvergunning lag van 20 juni 2024 tot en met 31 juli 2024 ter inzage. Hiertegen zijn zienswijzen ingediend.
6. Met het besluit van 3 september 2024 (het bestreden besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark met de daarbij behorende trafohuisjes en een inkoopstation aan de Thematerkade in Haarzuilens, voor de duur van 34 jaar met een instandhoudingstermijn van 30 jaar voor het zonnepark. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten “bouwen” en “planologisch strijdig gebruik”. Van de verleende omgevingsvergunning is op 9 september 2024 kennisgegeven in het Gemeenteblad van Utrecht. Op 24 oktober 2024 is van de verleende omgevingsvergunning opnieuw kennisgegeven in verband met het ontbreken van bijlagen.
7. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben op 21 oktober 2024 pro forma beroep ingesteld. Op 7 januari 2025 hebben zij de gronden van hun beroep ingediend.
8. Op 10 april 2026 heeft de gemachtigde van eisers het beroep, voor zover dat is ingediend namens T. Peeters, ingetrokken.
9. Het beroep is behandeld op de zitting van 21 mei 2026. De Stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] , secretaris, en [B] . De Stichting en eisers zijn bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [C] , gebiedscoördinator, en [D] , projectleider. Namens vergunninghoudster zijn [E] , [F] en [G] verschenen.
Toetsingskader
10. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
11. De percelen waarop het zonnepark is voorzien hebben op grond van het bestemmingsplan ‘Haarzuilens’ de bestemming ‘agrarisch’. Het realiseren van zonnepanelen op deze percelen past niet binnen de geldende bestemming. Het verlenen van een omgevingsvergunning is daarom alleen mogelijk als het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de omgevingsvergunning een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Dit is een zogenoemde buitenplanse afwijkingsbevoegdheid.
12. Op deze zaak is ook de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing. Dit heeft onder andere tot gevolg dat beroepsgronden binnen de beroepstermijn moeten worden ingediend. Daarnaast moet de rechtbank in beginsel binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak doen.
Te laat indienen beroepsgronden en overschrijding uitspraaktermijn
13. In deze zaak hebben de Stichting en eisers hun beroepsgronden pas ingediend na afloop van de beroepstermijn. De rechtbank acht dit echter verschoonbaar. Door het college is namelijk in de kennisgeving van de omgevingsvergunning niet vermeld dat de Chw van toepassing is. Vervolgens is door de rechtbank ook niet tijdig onderkend dat de Chw op deze zaak van toepassing is. De Stichting en eisers konden hierdoor redelijkerwijs niet weten dat de Chw van toepassing is en zij hun beroepsgronden voor de beroepstermijn moesten indienen. De rechtbank zal daarom hun beroep inhoudelijk behandelen en daarbij de te laat ingediende beroepsgronden betrekken, mits daarvoor geen andere belemmeringen bestaan.
14. De rechtbank doet in deze zaak niet binnen de door de Chw gestelde termijn uitspraak. Gelet op de belangen van alle partijen bij een spoedige behandeling en een tijdige uitspraak betreurt de rechtbank dit ten zeerste.
Overwegingen over belanghebbendheid en relativiteit
15. Het college heeft zich in deze zaak op het standpunt gesteld dat eisers en de Stichting niet-ontvankelijk zijn in hun beroep omdat zij geen belanghebbenden zijn. Volgens het college ondervinden eisers geen gevolgen van enige betekenis van het zonnepark en heeft de Stichting geen feitelijke werkzaamheden verricht die bijdragen aan de statutaire doelstellingen.
16. Eisers en de Stichting vinden dat zij wel belanghebbenden zijn in deze procedure. In het stuk van 9 januari 2026 hebben eisers uitgebreid uiteengezet dat zij als omwonenden rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van het zonnepark en de gebiedsontwikkeling in hun woon- en leefomgeving. Namens de Stichting is de statutaire doelstelling uiteengezet en is uitgebreid toegelicht welke feitelijke werkzaamheden door de Stichting zijn verricht.
17. Bij de beoordeling van de belanghebbendheid stelt de rechtbank voorop dat in deze zaak sprake is van een omgevingsrechtelijk besluit dat is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar aanleiding van Europese rechtspraak over de zaak Varkens in Nood wordt het belanghebbenden door de Nederlandse bestuursrechter, in afwijking van artikel 6:13 van de Awb, niet tegengeworpen wanneer zij geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit hebben ingediend. Voor niet-belanghebbenden geldt dat zij beroep kunnen instellen als zij een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht of als hun niet kan worden verweten dat zij dat hebben nagelaten.
18. De rechtbank zal de belanghebbendheid van de Stichting enerzijds en eisers anderzijds in deze zaak apart beoordelen.
De Stichting
19. De Stichting heeft een zienswijze ingediend. Gelet op de rechtspraak zoals beschreven in overweging 17 van deze uitspraak kan de Stichting daardoor deelnemen aan deze procedure, in beginsel ook wanneer zij als niet-belanghebbende zou moeten worden gezien. Dit laat echter onverlet dat de bestuursrechter een besluit niet kan vernietigen wegens strijd met een rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dit is het relativiteitsvereiste. De rechtbank acht het daarom opportuun om, voordat zij overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van de Stichting, vast te stellen of de rechtsregels waar de Stichting zich op beroept, ook bedoeld zijn voor de bescherming van haar statutaire doelstellingen. De rechtbank beoordeelt met andere woorden of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van de Stichting. Daarbij overweegt de rechtbank dat bij de toepassing van het relativiteitsvereiste aan de procedurele normen over het recht op inspraak een zelfstandige betekenis toekomt.
20. De rechtbank overweegt dat de beroepsgronden van de Stichting voor het overgrote deel zien op de inhoud van de besluitvorming en niet op het recht op inspraak. De rechtbank moet daarom beoordelen welke belangen de Stichting volgens haar statutaire doelstellingen in het bijzonder behartigt. In het kader van het relativiteitsvereiste wordt naast de statutaire doelstelling mede van belang geacht of een belangenorganisatie enige feitelijke werkzaamheden heeft verricht die invulling geven aan één of meer van de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt. Dit betekent dat een belangenorganisatie niet kan opkomen voor de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt als zij in het geheel geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht.
21. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij de beoordeling van de feitelijke werkzaamheden in beginsel moet worden uitgegaan van de feitelijke werkzaamheden die een belangenorganisatie heeft verricht tot uiterlijk de dag voor het einde van de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld. Daarbij geldt dat aan de werkzaamheden verricht in het jaar vóór het instellen van beroep het meeste gewicht toekomt, maar dat ook werkzaamheden langer dan een jaar geleden van belang kunnen zijn.
22. Bij de beoordeling van de feitelijke werkzaamheden is verder van belang dat het enkel voeren van juridische procedures tegen besluiten niet kan worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Ook werkzaamheden die hiermee verband houden, zoals het indienen van zienswijzen, het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures en het via de website informeren van derden over aanhangige of afgeronde procedures, zijn geen feitelijke werkzaamheden.
23. Met inachtneming van het hiervoor beschreven toetsingskader overweegt de rechtbank over de vraag of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van de Stichting, als volgt.
24. De rechtbank stelt allereerst vast dat het opkomen tegen de omgevingsvergunning voor het realiseren van het zonnepark past binnen de doelstellingen van de Stichting. In artikel 2 van de statuten van de Stichting staat namelijk als doelstelling:
“1. De Stichting heeft ten doel in de gemeente Utrecht en/of het direct aangrenzend grondgebied, meer bepaald in [buurtschap] en Haarzuilens, gelegen tussen de Thematerkade en de autosnelweg A2, en de gemeente Stichtse Vecht:
a. het beschermen, behouden en verbeteren van de leefbaarheid, veiligheid, het welzijn en een goed woon- en leefklimaat;
b. het beschermen, behouden en verbeteren van het (leef)milieu voor zowel mens als dier, de natuur en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, waaronder ook begrepen de flora en fauna, de lucht, de bodem, het water, het geluid, de gezondheid van de mensen en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
c. het beschermen en behouden van de ruimtelijke kwaliteit tegen de aantasting daarvan door realisatie van zon en/of wind op land en daarbij behorende bouwwerken, grondwerken en infrastructuur;
d. het verrichten van alle verdere handelingen die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.”
25. De rechtbank moet vervolgens beoordelen welke feitelijke werkzaamheden de Stichting heeft verricht om invulling te geven aan haar statutaire doelstelling. De rechtbank overweegt in dat kader dat zij voor de beoordeling van de feitelijke werkzaamheden van de Stichting de periode zal betrekken tot uiterlijk de dag voor het eindigen van de bij de tweede kennisgeving van de omgevingsvergunning genoemde beroepstermijn. Gelet op de tweede kennisgeving door het college op 24 oktober 2024 eindigt deze periode op 5 december 2024. Het is tussen partijen niet in geschil dat voor beoordeling van de feitelijke werkzaamheden moet worden uitgegaan van de beroepstermijn genoemd bij de tweede kennisgeving. De rechtbank overweegt verder dat de Stichting blijkens haar statuten op 17 oktober 2024 is opgericht. In de periode van december 2020 tot 17 oktober 2024 heeft zij als Stichting in oprichting gefunctioneerd.
26. Door de Stichting is betoogd dat de periode tussen de oprichting en het einde van de termijn voor het indienen van zienswijzen, 5 december 2024, zo kort is, dat ook de werkzaamheden die zijn uitgevoerd tijdens de oprichtingsfase van de Stichting moeten worden betrokken bij de beoordeling. Hierbij heeft de Stichting gewezen op een uitspraak van de Rechtbank Limburg van 16 oktober 2023.
27. De rechtbank volgt de Stichting daarin niet. Afgezien van de uitspraak van de rechtbank Limburg, zijn er in de rechtspraak geen andere aanknopingspunten om werkzaamheden die door een Stichting in oprichting zijn verricht te betrekken bij de beoordeling van de feitelijke werkzaamheden in het kader van het relativiteitsvereiste. Dit betekent dat de rechtbank voor de toetsing aan het relativiteitsvereiste zal kijken naar de feitelijke werkzaamheden die door de Stichting zijn verricht in de periode vanaf haar oprichting op 17 oktober 2024 tot aan het einde van de beroepstermijn op 5 december 2024. Deze periode is niet dusdanig kort dat daarin geen relevante feitelijke werkzaamheden ontplooid hadden kunnen worden.
28. De rechtbank oordeelt dat uit de overgelegde stukken en uit de toelichting ter zitting niet is gebleken van feitelijke werkzaamheden in de periode tussen de formele oprichting van de Stichting en het einde van de beroepstermijn. Overigens is in de periode na 5 december 2024 evenmin sprake is geweest van feitelijke werkzaamheden van de Stichting die geen verband houden met procederen.
29. Uit het voorgaande volgt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de inhoudelijke beoordeling van de materiële beroepsgronden van de Stichting. De Stichting heeft in de relevante periode geen feitelijke werkzaamheden verricht die niet uitsluitend zien op procederen, om op te komen voor de doelstelling die zij volgens haar statuten behartigt. Dit betekent dat de rechtbank de beroepsgronden van de Stichting niet inhoudelijk zal beoordelen, tenzij de beroepsgronden zijn gericht op het recht op inspraak. Als sprake is van een beroepsgrond van de Stichting die ziet op het recht op inspraak, zal de rechtbank dat expliciet in deze uitspraak vermelden.
Eisers
30. Voor de belanghebbendheid van eisers die beroep hebben ingesteld geldt ook de lijn in de rechtspraak zoals beschreven in overweging 17 van deze uitspraak.
31. De rechtbank stelt vast dat namens drie rechtspersonen wel beroep is ingesteld, maar geen zienswijze is ingediend. Het gaat daarbij om [bedrijf 1] , gevestigd in [vestigingsplaats] , de besloten vennootschap [bedrijf 2] , gevestigd in [vestigingsplaats] , en [bedrijf 3] , gevestigd in [vestigingsplaats] . Omdat namens deze drie eisers geen zienswijze is ingediend geldt dat zij uitsluitend ontvankelijk zijn in beroep als zij kunnen worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Dit is het geval als de verleende omgevingsvergunning voor deze rechtspersonen gevolgen van enige betekenis heeft voor hun bedrijfssituatie.
32. De rechtbank oordeelt dat de verleende omgevingsvergunning alleen gevolgen van enige betekenis kan hebben voor [bedrijf 1] . [bedrijf 1] is een [logement] die zich profileert als rustige plek in de weilanden van Haarzuilens. Het is mogelijk dat er vanuit de [logement] , vooral vanaf de tweede verdieping, rechtstreeks zicht zal zijn op het daarachter gelegen zonnepark. [bedrijf 1] kan daarmee naar het oordeel van de rechtbank gevolgen van enige betekenis ondervinden van het zonnepark. [bedrijf 1] is daarmee aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en is ontvankelijk in haar beroep.
33. De besloten vennootschap [bedrijf 2] en [bedrijf 3] zijn in deze procedure geen belanghebbenden. Zij zijn beide op geruime afstand van de planlocatie gevestigd. Bovendien is niet gebleken van andere gevolgen van enige betekenis die het zonnepark voor hun bedrijfssituatie zou kunnen hebben. Dit betekent dat de besloten vennootschap [bedrijf 2] en [bedrijf 3] niet-ontvankelijk zijn in hun beroep.
34. De rechtbank stelt vast dat door alle natuurlijke personen die beroep hebben ingesteld, een zienswijze is ingediend tegen het ontwerpbesluit. Deze natuurlijke personen zijn dus ontvankelijk in hun beroep, ook voor zover zij geen belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
35. De rechtbank overweegt dat aan de natuurlijke personen het relativiteitsvereiste niet kan worden tegengeworpen voor zover zij zich beroepen op normen die gaan over de bescherming van hun directe woon- en leefomgeving. Vanwege de grote groep natuurlijke personen die beroep heeft ingesteld, zal de rechtbank uit proceseconomische redenen niet afzonderlijk voor elke eiser vaststellen of en in welke mate er invloed is op de directe woon- en leefomgeving. Daarbij speelt een rol dat de rechtbank in ieder geval voor een aantal eisers kan vaststellen dat zij op relatief korte afstand van de planlocatie van het zonnepark wonen. Hierdoor is aannemelijk dat het realiseren van het zonnepark invloed zal hebben op hun woon- en leefomgeving en zij zich dus ook kunnen beroepen op de normen die strekken tot de bescherming daarvan. De rechtbank overweegt hierbij wel dat zij ten aanzien van sommige eisers, gelet op de zeer grote afstand van hun adres tot het zonnepark, grote twijfels heeft bij de aantasting van hun woon- en leefomgeving door het zonnepark.
Indien het relativiteitsvereiste wel aan de beoordeling van de beroepsgrond in de weg staat, zal de rechtbank dit expliciet in deze uitspraak vermelden.
Overwegingen over de inhoud
Participatie
36. De rechtbank stelt bij de beoordeling van de beroepsgronden die gaan over participatie voorop dat deze gronden zijn gericht op het recht op inspraak. Dit betekent dat hetgeen de Stichting in het kader van participatie heeft aangevoerd ook bij de beoordeling van deze beroepsgrond wordt betrokken.
37. Eisers en de Stichting voeren aan dat het college in aanloop naar de verleende omgevingsvergunning omwonenden en andere betrokkenen onvoldoende heeft betrokken in zijn besluitvorming. Volgens eisers en de Stichting volgt uit het IPvE dat het college een participatieplan moet opstellen. Dit volgt ook uit artikel 3, tweede lid, van de Participatie- en inspraakverordening van de Gemeente Utrecht. Door het college is geen participatieplan opgesteld. Bovendien volgt ook uit de besluitvorming niet hoe het college en vergunninghoudster de omgeving en andere betrokkenen hebben meegenomen in de aanvraag en de besluitvorming omtrent het zonnepark en de gebiedsontwikkeling.
38. De rechtbank overweegt dat uit de Participatie- en inspraakverordening van de gemeente Utrecht geen verplichting tot participatie volgt. Bovendien is op deze zaak de Wabo en de daarbij behorende regelgeving nog van toepassing. Daaruit volgen, in tegenstelling tot de Omgevingswet, ook geen formele vereisten aan het recht op inspraak. De rechtbank overweegt verder dat uit de stukken, waaronder het IPvE, volgt op welke wijze omwonenden en andere betrokkenen zijn meegenomen bij de gebiedsontwikkeling en het voornemen tot het realiseren van het zonnepark. Onderdeel van de participatie was bovendien de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen tegen het ontwerpbesluit. Eisers en de Stichting hebben van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college onvoldoende aan participatie heeft gedaan.
Toetsing aan de beoordelingscriteria uit de Wabo
39. Eisers voeren aan dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de aanvraag is getoetst aan de relevante artikelen uit de Wabo. Eisers wijzen daarbij op de beoordelingscriteria voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ in artikel 2.10 van de Wabo, en ‘afwijken van het bestemmingsplan’ in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo. Volgens eisers moet het college in zijn besluitvorming expliciet beoordelen of de aanvraag voldoet aan de relevante beoordelingscriteria uit de Wabo.
40. De rechtbank volgt eisers daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de besluitvorming en de daarbij behorende stukken, zoals de ruimtelijke onderbouwing van 6 mei 2024, dat het college de aanvraag heeft getoetst aan het bepaalde in artikel 2.10 en 2.12 van de Wabo. Deze beroepsgrond treft geen doel.
De schakeltuin
41. Eisers voeren aan dat de noodzaak voor het realiseren van een schakeltuin in de omgevingsvergunning onvoldoende is onderbouwd, terwijl deze noodzaak wel uit de toelichting bij de aanvraag volgt. Tijdens de zitting hebben eisers daarover nog aangevoerd dat het realiseren van een schakeltuin ook niet met de omgevingsvergunning is verleend.
42. De rechtbank overweegt dat de omgevingsvergunning ook ziet op de schakeltuin. Uit de bij de aanvraag horende ruimtelijke onderbouwing blijkt namelijk dat ook een schakeltuin wordt gerealiseerd en waarom dat nodig is. Dat de omgevingsvergunning de schakeltuin en de noodzaak daarvan niet expliciet benoemt, betekent niet dat de schakeltuin geen onderdeel uitmaakt van de vergunning of dat sprake is van een gebrekkige motivering. De beroepsgrond slaagt niet.
De verklaring van geen bedenkingen
43. Eisers voeren aan dat ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen (vvgb) door de gemeenteraad van Utrecht is afgegeven. De omgevingsvergunning is daarom verleend in strijd met het bepaalde in artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het besluit tot wijziging van de algemene vvgb dat op 7 november 2023 door het college is gepubliceerd, is bovendien niet op de juiste wijze bekend gemaakt. Eisers wijzen daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2016, waaruit volgt dat een ontwerp-vvgb dezelfde procedure moet doorlopen als een ontwerpbesluit.
44. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een vvgb van de gemeenteraad nodig is als de aanvraag betrekking heeft op de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ en met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Uit het derde lid van artikel 6.5 van het Bor volgt echter dat de gemeenteraad categorieën van gevallen kan aanwijzen waarin een vvgb niet is vereist. De goedkeuring van de gemeenteraad wordt voor deze lijst van gevallen verondersteld te zijn gegeven. De raad van de gemeente Utrecht heeft een Algemene verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor diverse activiteiten. Op 2 november 2023 is aan deze Algemene verklaring van geen bedenkingen toegevoegd ‘het realiseren van een zonnepark project in gebied nabij [buurtschap] zoals aangegeven in de kaart bijlage’. Deze wijziging is op 7 november 2023 gepubliceerd. Nu het realiseren van het zonnepark is toegevoegd aan de Algemene verklaring van geen bedenkingen en deze wijziging ook is gepubliceerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college in strijd heeft gehandeld met de bepalingen uit het Bor. De beroepsgrond slaagt niet.
De grondslag van de aanvraag is verlaten
45. Eisers voeren aan dat het college de grondslag van de aanvraag heeft verlaten door een omgevingsvergunning te verlenen voor een groter zonnepark dan is aangevraagd. Eisers wijzen er daarbij op dat de aanvraag ziet op het realiseren van bouwwerkzaamheden op 35.000 m2, terwijl uit de verleende omgevingsvergunning en de daarbij behorende stukken volgt dat het zonnepark 35 tot 40 hectare zal beslaan. Door de publicatie van de aanvraag en het grote verschil met de verleende omvang van het zonnepark, zijn omwonenden op het verkeerde spoor gezet.
46. De rechtbank volgt eisers daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat niet alleen het aanvraagformulier, maar ook de daarbij behorende bijlagen zoals kaarten en bouwtekeningen, onderdeel uitmaken van de aanvraag. Uit deze stukken volgt steeds een omvang van het zonnepark van 35 tot 40 hectare. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat eisers door het formulier waarmee de omgevingsvergunning is aangevraagd op het verkeerde been zijn gezet. Deze beroepsgrond treft geen doel.
De tijdelijkheid van het zonnepark
47. Eisers voeren aan dat de tijdelijkheid van het zonnepark niet is geborgd in de verleende omgevingsvergunning. Daarmee is ook niet gegarandeerd dat de planlocatie na afloop van de verleende omgevingsvergunning weer natuur wordt. Eisers verzoeken het college om de tijdelijkheid van het zonnepark als voorschrift in de verleende omgevingsvergunning op te nemen.
48. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat de tijdelijkheid onvoldoende in de omgevingsvergunning is geborgd. Uit de omgevingsvergunning volgt duidelijk dat deze wordt verleend voor 34 jaar, waarbinnen voor maximaal 30 jaar een zonnepark in stand mag worden gehouden. Uit de omgevingsvergunning volgt verder dat deze van rechtswege afloopt na het verstrijken van de termijn. Na het verstrijken van de termijn waarvoor de omgevingsvergunning is verleend mag er geen gebruik meer van de omgevingsvergunning gemaakt worden. Naar het oordeel van de rechtbank is de tijdelijkheid van het zonnepark met de hiervoor gegeven beschrijving in voldoende mate in de omgevingsvergunning geborgd. De omgevingsvergunning geeft daarmee bovendien voldoende handvatten om een handhavingsverzoek in te dienen mocht het zonnepark na afloop van de termijn onverhoopt toch in stand worden gelaten. Verder bevat de omgevingsvergunning het algemene voorschrift dat vergunninghoudster na afloop van de omgevingsvergunning de situatie gedeeltelijk moet terugbrengen in de oorspronkelijke staat; de opstelling van de zonnepanelen en de bijbehorende bouwwerken moeten conform een nog op te stellen (en nog door de gemeente te accorderen) beëindigingsplan verwijderd worden. Alle gerealiseerde natuur, boscompensatie, landschappelijke inrichting en afwerking en recreatieve voorzieningen blijven bestaan. De rechtbank stelt vast dat daarmee inderdaad niet wordt geborgd dat het plangebied na afloop van de termijn voor het zonnepark natuur wordt. Nu dit geen onderdeel uitmaakt van de directe plannen voor het plangebied, maar enkel een toekomstvisie van de gemeente voor het gebied is, hoeft dit ook niet. De beroepsgrond treft geen doel.
Goede ruimtelijke ordening en de publiekrechtelijke borging
49. Eisers voeren aan dat het college handelt in strijd met de doorkruisingsleer door eisen voor de gebiedsontwikkeling op te nemen in privaatrechtelijke overeenkomsten, terwijl de publiekrechtelijke weg hiervoor openstaat door het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning. Eisers wijzen in dat kader op het IPvE dat eisen stelt aan de gebiedsontwikkeling van [buurtschap] . Deze eisen gaan met name over de groencompensatie en het realiseren van recreatiemogelijkheden en zien bijvoorbeeld op het realiseren van een ecologische corridor van minimaal 5 hectare, het realiseren van nieuwe fiets- en wandelmogelijkheden met minimaal 3 hectare toegankelijke natuur en het aanbrengen van gebiedseigen boomgroepen. Deze eisen waren als voorschriften aan de ontwerp- omgevingsvergunning verbonden, maar zijn na de zienswijzeprocedure uit de omgevingsvergunning geschrapt. De eisen die door het college worden gesteld aan de gebiedsontwikkeling zijn daardoor nu niet meer publiekrechtelijk geborgd in de omgevingsvergunning, maar alleen nog in het IPvE. Weliswaar is in de omgevingsvergunning opgenomen dat moet worden voldaan aan de voorwaarden uit het IPvE, maar de nadere voorwaarden voor gebiedsontwikkeling uit het IPvE worden alleen privaatrechtelijk geborgd in samenwerkingsovereenkomsten. Op deze manier is het naleven van de voorwaarden uit het IPvE onvoldoende gegarandeerd via de omgevingsvergunning en is dat ook niet publiekrechtelijk af te dwingen. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025.
50. In aansluiting op deze beroepsgrond hebben eisers gewezen op de verschillen tussen het IPvE, dat ziet op de gebiedsontwikkeling in [buurtschap] , en de ruimtelijke onderbouwing die uitsluitend ziet op het zonnepark. Niet alle voorwaarden en eisen over het zonnepark die in het IPvE zijn opgenomen, maken ook onderdeel uit van de ruimtelijke onderbouwing. Bovendien is het gelet op de verschillen tussen het IPvE en de ruimtelijke onderbouwing onduidelijk welke voorwaarden volgens het college noodzakelijk zijn in het kader van de goede ruimtelijke ordening bij realisering van het zonnepark.
51. Het college stelt zich op het standpunt dat alle voorwaarden die nodig zijn voor een goede ruimtelijke ordening publiekrechtelijk zijn geborgd omdat het IPvE onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Bovendien zijn de voorwaarden uit het IPvE volgens het college ruimer dan wat strikt genomen noodzakelijk is voor een goede ruimtelijke ordening. Bepaalde onderdelen en voorwaarden uit het IPvE zijn echter volgens het college wel van belang in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het gaat dan met name om de landschappelijke inpassing en de groencompensatie. Het college heeft deze voorwaarden als gevolg van de zienswijzeprocedure juist uit de omgevingsvergunning geschrapt omdat een aantal voorwaarden uit het IPvE niet via de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster kan worden opgelegd.
52. De rechtbank oordeelt dat de omgevingsvergunning op dit punt een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
53. Uit het IPvE volgt dat de gebiedsontwikkeling [buurtschap] ziet op een groter gebied met meer ontwikkelingen dan uitsluitend het realiseren van het zonnepark. Het plangebied van het zonnepark valt binnen de gebiedsontwikkeling [buurtschap] . De omgevingsvergunning die in deze zaak ter beoordeling voorligt ziet uitsluitend op het zonnepark. Het college moet gelet op het toetsingskader in de omgevingsvergunning en de daarbij behorende stukken onderbouwen dat het zonnepark ruimtelijk aanvaardbaar is. In dat kader is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Daarin is onder andere beschreven hoe het zonnepark landschappelijk kan worden ingepast, bijvoorbeeld door het zonnepark te omranden met watergangen met natuurvriendelijke oevers. De ruimtelijke onderbouwing maakt echter niet expliciet onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Daarentegen maakt het IPvE wel rechtstreeks onderdeel uit van de omgevingsvergunning door in de voorschriften van de omgevingsvergunning op te nemen dat, op onderdelen, moet worden voldaan aan het IPvE.
54. Naar het oordeel van de rechtbank is het college er onvoldoende in geslaagd om te motiveren dat het zonnepark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Doordat het IPvE onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning wordt geïmpliceerd dat de gebiedsontwikkeling [buurtschap] nodig is voor een goede ruimtelijke inpassing van het zonnepark. Het college heeft op de zitting toegelicht dat sommige onderdelen van het IPvE wel, en sommige onderdelen niet van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft echter niet kunnen specificeren welke onderdelen uit het IPvE het van belang acht voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het zonnepark. Daarmee heeft het college onvoldoende deugdelijk gemotiveerd of het realiseren van het zonnepark ook op zichzelf ruimtelijk aanvaardbaar is en welke voorwaarden het college aan het zonnepark stelt om te kunnen voldoen aan de goede ruimtelijke ordening.
55. De rechtbank oordeelt verder dat het college de voorwaarden die worden gesteld aan de ruimtelijke inpassing van het zonnepark, onvoldoende publiekrechtelijk heeft geborgd. Doordat het IPvE onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning worden aan vergunninghoudster voorwaarden opgelegd over de gebiedsontwikkeling [buurtschap] die zij niet kan uitvoeren. Het IPvE ziet immers ook op het realiseren van nieuwe natuur en recreatiemogelijkheden. Deze ontwikkelingen zijn voorgenomen in een gebied dat niet in eigendom is van vergunninghoudster en die bovendien niet door haar kunnen worden uitgevoerd. Tijdens de zitting is gebleken dat de gronden rondom het zonnepark in eigendom zijn bij Vereniging Natuurmonumenten (hierna: Natuurmonumenten) en dat dit gedeeltelijk openbaar gebied is. Het college, en niet vergunninghoudster, is verantwoordelijk voor de openbare ruimte en het voorzien in recreatiemogelijkheden en natuur. De uit het IPvE volgende voorwaarden worden vervolgens nader uitgewerkt in privaatrechtelijke overeenkomsten met de grondeigenaren. Dit heeft tot gevolg dat niet alle voorwaarden die in de omgevingsvergunning worden gesteld in het kader van een goede ruimtelijke inpassing van het zonnepark ook publiekrechtelijk zijn geborgd.
56. De conclusie is dat het college in de omgevingsvergunning en de daarbij behorende stukken onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd welke voorwaarden zij in het kader van een goede ruimtelijke ordening aan het zonnepark stelt. Daarnaast heeft het college de voorwaarden die worden gesteld aan de ruimtelijke inpassing van het zonnepark onvoldoende in de omgevingsvergunning geborgd. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en in zoverre is genomen in strijd artikel 3:46 van de Awb. Deze gebreken in de omgevingsvergunning zijn te herstellen. Het college zal daarvoor alsnog de bestuurlijke afweging moeten maken die de besluitvorming nu ontbeert. De rechtbank zal het college daarvoor de gelegenheid geven. Hoe dat verder gaat wordt in de conclusie van deze uitspraak uitgelegd.
57. Gelet op het geconstateerde gebrek in de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning zal de rechtbank de beroepsgronden die verband houden met de ruimtelijke onderbouwing nu niet bespreken. Om aan partijen zo veel mogelijk duidelijkheid te bieden, zal de rechtbank de overige beroepsgronden wel bespreken.
De locatiekeuze
58. Eisers voeren aan dat het college de keuze voor de locatie van het zonnepark onvoldoende heeft onderbouwd. Het college verwijst in de ruimtelijke onderbouwing voor de locatiekeuze uitsluitend naar een kaart met geschikte zoekgebieden voor zon- en windenergie, maar hiermee wordt de keuze voor deze locatie niet gerechtvaardigd. In de ruimtelijke onderbouwing ontbreekt een op deze zaak toegesneden afweging waarin de keuze voor het realiseren van een zonnepark op deze locatie wordt afgezet tegen de openheid van het landschap, de landschappelijke structuren en de cultuurhistorische waarden. Bovendien is door het college onvoldoende onderzocht of er alternatieve locaties beschikbaar zijn die minder impact hebben. Dit is vooral van belang omdat het gebied [buurtschap] is aangemerkt als ‘Rijksbeschermd dorpsgezicht’.
59. De rechtbank ziet in deze beroepsgrond geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet in redelijkheid heeft verleend. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Dat betekent onder meer dat, als het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de omgevingsvergunning kan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Bovendien volgt uit deze rechtspraak dat het aan degene is die stelt dat er alternatieven zijn om deze alternatieven te benoemen en aannemelijk te maken dat op voorhand duidelijk is dat verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert. De rechtbank overweegt dat eisers in deze zaak, anders dan een verwijzing naar de kaart met zoekgebieden voor zon- en windenergie, geen alternatieve locaties hebben aangedragen voor het zonnepark en evenmin aannemelijk hebben gemaakt dat deze alternatieve locaties tot een gelijkwaardig resultaat met minder bezwaren leiden. Dit betekent dat het college mocht uitgaan van de locatie zoals deze door vergunninghoudster is aangevraagd. De beroepsgrond slaagt niet.
NOVI
60. Eisers voeren aan dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Volgens eisers volgt uit de NOVI dat bij de plaatsing van zonnepanelen sprake moet zijn van behoud van landschap en ecologische waarden. Bovendien moet er juist voor worden gewaakt dat gebieden met een hoge landschappelijke of natuurlijke waarde worden bebouwd of worden volgelegd met zonnepanelen. Eisers wijzen erop dat in de ruimtelijke onderbouwing is beschreven dat de NOVI geen beperkingen oplegt ten aanzien van het zonnepark. Het college heeft echter nagelaten om te motiveren hoe in dit geval de landschappelijke en natuurlijke waarden van het gebied behouden kunnen blijven.
61. De rechtbank volgt eisers daarin niet en overweegt dat de NOVI een Omgevingsvisie is van het Rijk die de langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving in Nederland beschrijft. De NOVI is zelfbindend. Dit betekent dat de NOVI uitsluitend bindend is voor het bestuursorgaan dat het heeft opgesteld, in dit geval het Rijk. Lagere bestuursorganen, zoals het college, zijn niet gebonden aan de NOVI, maar moeten uitsluitend bij het opstellen van hun gemeentelijke omgevingsvisie rekening houden met de nationale belangen en richtlijnen uit de NOVI. Gelet hierop is het college niet gehouden om de omgevingsvergunning aan de NOVI te toetsen. De beroepsgrond slaagt niet.
De Omgevingsvisie
62. Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning ook in strijd is met de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht. Daaruit volgt het voornemen van de provincie om duurzame energiebronnen te combineren met bosuitbreiding. Daar is in het geval van de verleende omgevingsvergunning in deze zaak helemaal geen sprake van. Uit het IPvE volgt het uitgangspunt van 15,4 hectare boscompensatie voor dit zonnepark. Dit bleek niet haalbaar, waardoor er uiteindelijk slechts 5 hectare wordt gecompenseerd. Daarmee is in het geheel geen sprake van bosuitbreiding, zo stellen eisers.
63. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat in de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht van 10 maart 2021 de voorkeur wordt uitgesproken om duurzame energiebronnen te combineren met andere opgaven zoals het tegengaan van bodemdaling of bosuitbreiding. Daargelaten dat het college ook niet gehouden is om de omgevingsvergunning te toetsen aan de Omgevingsvisie, volgt daaruit dat daarin een voornemen is geformuleerd en geen harde eis. Het combineren van nieuwe duurzame energiebronnen met voldoende ruimte voor natuur is immers een grote opgave. Uit de Omgevingsvisie volgt dat de provincie accepteert dat de uitgesproken voorkeuren niet overal kunnen worden gevolgd. Gelet hierop staat de Omgevingsvisie niet in de weg aan het verlenen van de omgevingsvergunning voor het zonnepark.
De zonneladder
64. Eisers voeren aan dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd op welke wijze de verleende omgevingsvergunning past in de zonneladder. Het college heeft in de omgevingsvergunning en bijbehorende stukken ten eerste onduidelijkheid laten ontstaan over de trede van de zonneladder die op het zonnepark in deze zaak van toepassing is. Verder is het college voorbij gegaan aan de volgtijdelijkheid van de treden van de zonneladder. Pas nadat het gebruik van de eerste en tweede trede is verzadigd is het volgens eisers mogelijk om toe te komen aan het gebruik van de derde trede van de zonneladder. Het college heeft echter nagelaten om te motiveren op welke wijze de eerste en tweede trede van de zonneladder binnen de gemeente worden benut. Dit is volgens eisers in strijd met de zonneladder in de NOVI en artikel 5.5 van de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht (de Omgevingsverordening). Eisers hebben gewezen op een aantal uitspraken van de Afdeling over de zonneladder. Daarnaast hebben zij ter onderbouwing van de volgtijdelijkheid van de zonneladder gewezen op de kamerbrief ‘Aangescherpte voorkeursvolgorde zon’ van 26 oktober 2023 (de kamerbrief). Volgens eisers is geen sprake van een van de daarin genoemde uitzonderingssituaties, waarin trede 4 kan worden toegepast.
65. Het college heeft in de beantwoording van de zienswijzen en in het verweerschrift naar voren gebracht dat het de door de Natuur en Milieufederatie opgestelde constructieve zonneladder van de RES-Regio U16 heeft gevolgd. Daarin staat niet dat de voorkeursvolgorde een volgtijdelijkheid inhoudt en dat eerst alle locaties op trede 1 moeten zijn benut voordat mag worden toegekomen aan de locaties van de volgende trede. Binnen de gemeente Utrecht is beleid vastgesteld en lopen er projecten om alle treden van de constructieve zonneladder mogelijk te maken. Omdat het niet realistisch is dat met trede 1 en 2 binnen korte termijn wordt voldaan aan de doelstellingen van de RES-regio U16 is het juist wenselijk dat tijdelijke projecten zoals dit zonneveld gerealiseerd worden. Ook het college heeft verwezen naar (andere) uitspraken van de Afdeling.
66. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, is het college niet gebonden aan de NOVI. De NOVI gaat overigens expliciet niet uit van volgtijdelijkheid van de daarin opgenomen voorkeursvolgorde. Het college is evenmin gebonden aan de kamerbrief, die gaat over een door het Rijk beoogde aanscherping van de voorkeursvolgorde via de instructieregels in de provinciale omgevingsverordeningen. Het college is wel gebonden aan de instructieregels in de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht. In artikel 5.5 van de Omgevingsverordening, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (en ook nu nog luidt) staat de instructieregel voor zonnevelden. In die instructieregel wordt echter geen melding gemaakt van de zonneladder of een voorkeursvolgorde. Wel is in de toelichting op artikel 5.5 te lezen dat de provincie voor zonne-energie bepaalde voorkeuren heeft. Maar, daargelaten dat de tekst van de Omgevingsverordening in beginsel leidend is en niet de toelichting daarop, volgt uit de toelichting niet dat hierbij sprake is van een verplichte volgtijdelijkheid. In tegendeel, in de toelichting staat juist dat met al deze voorkeurslocaties binnen de provincie Utrecht onvoldoende oppervlak beschikbaar is om de energieambities te behalen en dat het nodig is om zonnevelden onder meer op agrarische grond te plaatsen.
67. Hoewel de NOVI, de Omgevingsverordening en de kamerbrief het college dus niet verplichten tot het volgtijdelijk toepassen van de voorkeursvolgorde van de in de NOVI opgenomen zonneladder, heeft het college wel naar voren gebracht dat het de door de Natuur en Milieufederatie opgestelde constructieve zonneladder van de RES-regio U16 heeft gevolgd. De rechtbank stelt vast dat deze constructieve zonneladder vier treden benoemt, die in essentie overeenkomen met de zonneladder in de NOVI en de kamerbrief. Daarbij wordt echter, anders dan in de kamerbrief, niet uitgegaan van volgtijdelijkheid van de treden. Bij deze zonneladder wordt namelijk uitdrukkelijk vermeld dat de volgorde van de treden niet betekent dat de lagere treden actief worden ontmoedigd of later aan de beurt komen. De rechtbank ziet niet dat het bestreden besluit in strijd met de constructieve zonneladder is genomen. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom de landbouwgrond nodig is voor het opwekken van duurzame energie met het zonnepark.
De rechtbank ziet op grond van hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding om in te gaan op de vraag of sprake is van een uitzonderingssituatie als omschreven in de kamerbrief voor toepassing van trede 4. De beroepsgrond slaagt niet.
Voorwaarden voor natuurinclusieve zonneparken
68. Eisers voeren aan dat er tijdens de ontwerpfase van de omgevingsvergunning voorwaarden voor natuurinclusieve zonneparken zijn gepubliceerd. Het college heeft als gevolg van de zienswijzeprocedure deze voorwaarden als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Deze voorwaarden hebben direct invloed op de wijze waarop het project moet worden uitgevoerd. Er is daarom geen sprake van een wijziging van ondergeschikte aard. Dit betekent dat als gevolg van het wijzigen van de voorwaarden een nieuw ontwerpbesluit ter inzage had moeten worden gelegd.
69. De rechtbank volgt eisers daarin niet. De rechtbank begrijpt dat eisers met deze beroepsgrond verwijzen naar de subsidievoorwaarden die zijn opgenomen in de regeling SDE++ 2024. Dit is een subsidieregeling voor de stimulering van duurzame energieproductie en klimaattransitie. Om voor de subsidieregeling in aanmerking te komen bevat de regeling vier voorwaarden. Deze zijn gericht op het duurzaam combineren van zonneparken met natuur. Eisers stellen zich terecht op het standpunt dat het college de voorwaarden uit de subsidieregeling als gevolg van de zienswijzeprocedure als voorschrift aan de omgevingsvergunning heeft verbonden. Dit betekent dat vergunninghoudster zich aan deze voorwaarden moet houden. De rechtbank oordeelt dat met het toevoegen van deze voorschriften aan de omgevingsvergunning, sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat sprake is van wijzigingen van ondergeschikte aard als redelijkerwijs nog van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. Deze situatie doet zich hier voor, aangezien de uiterlijke verschijningsvorm van het zonnepark en daarmee de ruimtelijke uitstraling, als gevolg van het toevoegen van deze voorschriften niet is gewijzigd. Voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat het bouwplan niet voldoet aan de toegevoegde voorschriften overweegt de rechtbank dat dit een uitvoeringskwestie is waarvoor eisers zich tot het college kunnen wenden. De beroepsgrond slaagt niet.
RES
70. Eisers voeren verder aan dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met de principes uit de RES Gedragscode Zon Op Land 2019 (RES). Eisers wijzen erop dat uit de RES principes volgen waar bij het realiseren van een zonnepark aan moet worden voldaan. Eisers hechten daarbij met name belang aan de principes die gaan over een zorgvuldige locatiekeuze en het participatieproces met stakeholders en omwonenden. Volgens eisers heeft het college geen rekening gehouden met deze principes bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het zonnepark.
71. De rechtbank volgt eisers daarin niet en verwijst naar wat zij heeft overwogen in overweging 38 en 59 van deze uitspraak over participatie en de locatiekeuze voor het zonnepark in deze zaak. De beroepsgrond slaagt niet.
De MER-beoordeling
72. Eisers wijzen erop dat uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het niet nodig is om voor het zonnepark een milieueffectrapportage-beoordeling (m.e.r.-beoordeling) uit te voeren omdat het zonnepark onder de drempelwaarden blijft zoals bedoeld in onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Eisers vinden echter dat het college desondanks moet beoordelen of significante milieueffecten door het zonnepark zijn uitgesloten via een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
73. Het college stelt zich op het standpunt dat in dit geval geen aanleiding bestaat om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het zonnepark een vermogen heeft van minder dan 200 megawatt zodat het niet valt onder categorie D22.1 van het Besluit m.e.r.
74. De rechtbank vult de rechtsgronden aan en heeft tijdens de zitting met partijen gesproken over de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025. Daaruit volgt, voor zover hier van belang, dat een zonnepark, onder omstandigheden, ook aangemerkt kan worden als landinrichtingsproject zoals bedoeld in onderdeel D9 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat het zonnepark geen landinrichtingsproject is omdat het geen oppervlakte heeft van 125 hectare of meer. Het college heeft zich tijdens de zitting aanvullend op het standpunt gesteld dat de ontwikkeling in deze zaak niet te vergelijken is met de situatie die aan de orde was in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling. In die uitspraak was sprake van uitgebreide aanpassingen aan de natuur, daarnaast was sprake van een grote oppervlakte en werd een hekwerk geplaatst en een bosareaal verwijderd. Deze situatie is volgens het college niet vergelijkbaar met de omvang van het zonnepark in deze zaak.
75. De rechtbank stelt in lijn met de hiervoor besproken rechtspraak van de Afdeling vast dat een zonnepark, onder omstandigheden, kan worden aangemerkt als een landinrichtingsproject zoals bedoeld in onderdeel D9 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De rechtbank kan bij de huidige stand van zaken nog geen oordeel geven of de door het college gegeven motivering deugdelijk is. Daarbij speelt een belangrijke rol dat het college bij zijn motivering niet heeft betrokken dat het zonnepark in deze zaak onderdeel uitmaakt van de gebiedsontwikkeling [buurtschap] met omvangrijke plannen voor de ontwikkeling van natuur en recreatie in dit gebied. Daarover heeft de rechtbank in overweging 54 van deze uitspraak geoordeeld dat onvoldoende duidelijk is of alleen het zonnepark of ook de gebiedsontwikkeling [buurtschap] nodig is om het zonnepark ruimtelijk aanvaardbaar te achten. De rechtbank stelt vast dat het college bij beoordeling van de vraag of hier sprake is van een landinrichtingsproject, uitsluitend de omvang en uitstraling van het zonnepark heeft beetrokken. De rechtbank stelt het college in de gelegenheid om het geconstateerde gebrek in zijn motivering dat voor het zonnepark geen vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is, te herstellen. Afhankelijk van de nadere motivering van het college over de ruimtelijke inpassing, speelt ook de vraag of in deze zaak al dan niet sprake is van een landinrichtingsproject opnieuw een rol. Gelet hierop stelt de rechtbank het college in de gelegenheid om in zijn nadere motivering te betrekken of volgens het college, afhankelijk van de omvang van het project, al dan niet sprake is van een landinrichtingsproject.
Geluid
76. Eisers voeren aan dat het akoestisch onderzoek dat aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd, niet representatief is. In het akoestisch onderzoek wordt verwezen naar vergelijkbare onderzoeken, maar daarbij gaat het om zonneparken van een andere omvang en ontbreekt informatie over de geluidsbelasting door omvormers en transformatoren. Eisers hebben er verder op gewezen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatieve geluidseffecten van de omgeving en de reflectie van geluid van de snelweg A2 door de zonnepanelen.
77. De rechtbank overweegt dat in het akoestisch onderzoek van [deskundige] van 13 december 2023 voor het vaststellen van de bronvermogens van de transformatoren en omvormers van het zonnepark is aangesloten bij geluidsonderzoeken van andere zonneparken. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek onzorgvuldig zou zijn. Eisers hebben bovendien niet met een akoestisch rapport aannemelijk gemaakt dat de gebruikte uitgangspunten voor de bronvermogens in het akoestisch onderzoek van [deskundige] onjuist zouden zijn. De rechtbank overweegt verder dat vergunninghoudster in beroep een aanvullend geluidsonderzoek heeft ingebracht waarin expliciet de geluidsbelasting door wegverkeer als gevolg van het zonnepark kwantitatief is onderbouwd. De rechtbank betrekt dit aanvullend geluidsonderzoek van [deskundige] van 30 april 2026 bij haar beoordeling. Daaruit volgt dat de geluidsbelasting door de A2 op de woningen ten westen van het zonnepark met 0,5 dB kan toenemen als gevolg van de realisatie van het zonnepark. Een toename in geluidsbelasting van zo een beperkte omvang is voor het menselijk oor niet hoorbaar. De rechtbank kan deze toelichting volgen en oordeelt dat met het akoestisch onderzoek en het aanvullend akoestisch onderzoek voldoende deugdelijk en zorgvuldig is gemotiveerd dat de geluidsbelasting door het zonnepark niet in de weg staat aan de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. De beroepsgrond slaagt niet.
De natuurtoets
78. Eisers voeren aan dat de natuurtoets onvoldoende deugdelijk en zorgvuldig is en daarom niet aan de ruimtelijke onderbouwing en de omgevingsvergunning ten grondslag kan worden gelegd. Eisers wijzen erop dat het onderzoek verouderd is en daarom niet meer bruikbaar is. De oplegnotitie herstelt de gebrekkige onderbouwing van de natuurtoets volgens eisers niet. Uit de oplegnotitie volgt dat binnen de begrenzing van het beoogde zonnepark de wezel, de bunzing en de haas zijn aangetroffen. Voor deze soorten gold tot 1 september 2024 een vrijstelling binnen de provincie Utrecht, maar deze datum is inmiddels ongebruikt verstreken. Gelet op de beschermde status van deze soorten en het wegvallen van de vrijstelling is voor het verstoren of doden van deze soorten inmiddels een ontheffing nodig. Eisers wijzen er verder op dat in de uitgevoerde natuurtoets ten onrechte geen rekening is gehouden met de aanwezigheid van heikikkers.
79. De rechtbank oordeelt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de beoordeling van deze beroepsgrond. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Eisers beroepen zich in het kader van deze beroepsgrond op bepalingen uit de Wet natuurbescherming (Wnb) waaruit een beschermingsregime volgt voor bepaalde beschermde diersoorten, waaronder de wezel en de bunzing. Als een natuurlijk persoon zich beroept op de belangen van de Wnb die strekken tot de bescherming van diersoorten beroept hij zich op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat dit anders kan zijn als de belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving zo verweven zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot de bescherming van hun belangen. Bij de beoordeling van die verwevenheid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de afstand tussen de woning en het plangebied waarop de activiteiten zijn voorzien. Daarbij geldt als uitgangspunt in de rechtspraak dat een afstand tot 100 meter tussen de directe woon- en leefomgeving van de eisers en het woon- en leefgebied van de betrokken soort kort genoeg is om die verwevenheid aan te nemen.
80. De rechtbank overweegt dat de afstand tussen het plangebied, waar de wezel en de bunzing zijn aangetroffen, en de percelen van eisers ruimschoots meer dan 100 meter bedraagt. De rechtbank gaat daarbij uit van de eisers die het dichtst bij het plangebied wonen. Gelet op het hiervoor beschreven toetsingskader is er in dit geval geen sprake van zo een verwevenheid tussen de woon- en leefomgeving van eisers en dat van de beschermde soorten dat eisers zich in deze procedure kunnen beroepen op de bescherming van normen uit de Wnb. Dit betekent dat de beroepsgrond niet inhoudelijk wordt beoordeeld.
De Vogelrichtlijn
81. Eisers voeren aan dat de verleende omgevingsvergunning ook in strijd is met de Vogelrichtlijn. Uit de natuurtoets volgt dat in het plangebied de kieviet, scholekster en tureluur voorkomen. Dit zijn beschermde soorten op grond van de Vogelrichtlijn.
82. De rechtbank oordeelt dat het relativiteitsvereiste ook in de weg staat aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden van eisers over de strijd met de Vogelrichtlijn. De rechtbank verwijst hiervoor naar het toetsingskader en de uitgangspunten in overweging 79. van deze uitspraak. De rechtbank overweegt dat ook de afstand tussen het woon- en leefgebied van eisers en het plangebied waar de beschermde vogelsoorten zijn gesignaleerd te groot is om verwevenheid aan te nemen. Eisers kunnen zich daarom niet beroepen op de normen uit de Vogelrichtlijn. De rechtbank beoordeelt deze beroepsgrond niet.
Stikstof
83. Eisers voeren aan dat het stikstofdepositie onderzoek is verouderd omdat daarin is uitgegaan van het uitvoeren van de werkzaamheden in 2025 en het in gebruik nemen van het zonnepark in 2026. Dit is inmiddels niet meer haalbaar. De in het stikstofdepositieonderzoek gebruikte gegevens zijn daarom achterhaald. Eisers voeren verder aan dat uit het stikstofdepositieonderzoek volgt dat intern wordt gesaldeerd, terwijl intern salderen niet meer in de voortoets mag worden betrokken. Ter onderbouwing wijzen eisers op de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024.
84. De rechtbank beoordeelt deze beroepsgrond niet inhoudelijk en overweegt daarover het volgende. In de Wnb en de daarop gebaseerde regelgeving staan regels om het behoud van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden te beschermen (gebiedsbescherming). Die natuurwaarden kunnen geraakt worden door de uitstoot van stikstof. De Wnb beschermt daarmee algemene en niet individuele belangen. Soms kan het echter toch zo zijn dat de Wnb met de gebiedsbescherming ook bescherming geeft aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van iemands directe woon-, leef- en bedrijfsomgeving. Dat is het geval als dat belang verweven is met het algemene belang dat wordt beschermd door de regels van de Wnb. Voor de vraag of dat zo is wordt gekeken naar de situering van de woning (of bedrijfsgebouw) van eisers, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van eisers en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied. Als geen sprake is van verwevenheid zal het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb worden tegengeworpen.
85. Gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader oordeelt de rechtbank dat de relativiteit in de weg staat aan de inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond van eisers. De rechtbank overweegt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Oostelijke Vechtplassen is. Dit Natura 2000-gebied bevindt zich aan de andere kant van Maarssen en ligt daarmee op (zeer) ruime afstand van de woon- en leefomgeving van eisers. Het Natura 2000-gebied maakt daarmee geen onderdeel uit van de woon- en leefomgeving van eisers. Eisers hebben ook niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat dit wel zo zou zijn. Omdat het Natura 2000-gebied geen onderdeel uitmaakt van de woon- en leefomgeving van eisers is er geen aanleiding om verwevenheid aan te nemen tussen de belangen van eisers en het algemene belang van gebiedsbescherming. Eisers kunnen zich daarmee niet beroepen op de algemene normen over gebiedsbescherming uit de Wnb. Dit betekent dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit vanwege deze beroepsgrond.
Milieuhygiënisch vooronderzoek
86. Eisers wijzen erop dat in het kader van de ruimtelijke onderbouwing een milieuhygiënisch vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN-norm 5725. Daaruit volgt de aanbeveling om een verkennend bodemonderzoek conform de NEN-norm 5740 uit te voeren. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd zal worden ná het verlenen van de omgevingsvergunning en voor aanvang van de werkzaamheden. Volgens eisers is dit in strijd met het toetsingskader van het college voor het verlenen van de omgevingsvergunning. De verplichting voor een verkennend bodemonderzoek volgt uit artikel 2.1.5, eerste lid, van de Bouwverordening Utrecht en maakt daarmee via artikel 2.1, eerste lid onder a, en artikel 2.10 van de Wabo onderdeel uit van het beoordelingskader van het college voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
87. De rechtbank volgt eisers daarin niet. Uit artikel 2.1.5., vierde lid, van de Bouwverordening van de gemeente Utrecht volgt dat voor bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. Daarvan is in dit geval sprake nu de omgevingsvergunning voor het zonnepark is verleend voor een periode van 30 jaar. In het verweerschrift heeft het college er bovendien op gewezen dat van deze uitzonderingsmogelijkheid voor het indienen van een onderzoeksrapport gebruik is gemaakt. Het college kon daarom gelet op het bepaalde in de Bouwverordening afzien van de verplichting om een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning te betrekken. Ten slotte overweegt de rechtbank dat niet volledig wordt afgezien van een bodemonderzoek conform de NEN 5740, maar dat dit onderzoek nog wordt uitgevoerd voor aanvang van de bouw. Dit volgt ook zo uit de ruimtelijke onderbouwing. De beroepsgrond slaagt niet.
Evidente privaatrechtelijke belemmeringen
88. Eisers voeren aan dat er evidente privaatrechtelijke belemmeringen zijn die in de weg staan aan het gebruik van de omgevingsvergunning. Eisers wijzen er daarbij op dat Natuurmonumenten geen toestemming heeft gegeven voor het gebruik van haar gronden voor dit project. Eisers hebben ter onderbouwing gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2021. In die zaak waren er geen evidente privaatrechtelijke belemmeringen omdat de gemeente zelf vergunninghoudster was en ook kon overgaan tot onteigening als geen overeenstemming werd verkregen over het grondgebruik. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Volgens eisers is het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd met goede ruimtelijke ordening vanwege het bestaan van evidente privaatrechtelijke belemmeringen.
89. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat slechts aanleiding bestaat voor het oordeel dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering als deze een evident karakter heeft. De rechtbank overweegt dat uit de door Natuurmonumenten ingediende zienswijze en de door partijen op zitting gegeven toelichting volgt dat er mogelijk privaatrechtelijke belemmeringen zijn of zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze privaatrechtelijke belemmeringen echter niet evident. Daarbij speelt een rol dat het college op zitting heeft toegelicht dat Natuurmonumenten weer deelneemt aan het gesprek over de gebiedsontwikkeling en het gebruik van de gronden. Bovendien heeft Natuurmonumenten zelf geen beroep ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank ziet in deze beroepsgrond van eisers daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet kon verlenen. De beroepsgrond slaagt niet.
Financiële haalbaarheid en uitvoerbaarheid
90. Eisers voeren ten slotte aan dat de financiële haalbaarheid van het project onzeker is omdat niet vaststaat of de subsidie in het kader van de SDE++ regeling zal worden verstrekt. De realisatie van het zonnepark is verder financieel afhankelijk van de middelen van vergunninghoudster. Of de financiële middelen van vergunninghoudster toereikend zijn is eveneens onzeker. Gelet hierop heeft het college onvoldoende aangetoond dat het project financieel uitvoerbaar is zoals vereist op grond van artikel 3.1.6., eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening, gelezen in samenhang met artikel 5.20 van het Bor.
91. De rechtbank overweegt dat in het kader van een procedure tegen een omgevingsvergunning een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van het project, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het project niet kan worden uitgevoerd. De rechtbank overweegt dat het college heeft toegelicht dat vergunninghoudster de SDE++ subsidie heeft aangevraagd en dat daarop is beschikt. Verder geldt dat het zonnepark gefinancierd zal worden door middel van een banklening, aangevuld met eigen vermogen en financiële participatie door de energiecoöperatie. Gelet hierop heeft het college toegelicht dat de realisatie van het zonnepark ook zonder de subsidie financieel haalbaar blijft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden op voorhand geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat het project financieel niet uitvoerbaar is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
92. Uit deze uitspraak volgt dat de verleende omgevingsvergunning voor het zonnepark verschillende motiveringsgebreken bevat. In de overwegingen 52 tot en met 57 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd welke voorwaarden het in het kader van de goede ruimtelijke ordening aan het zonnepark stelt en dat de voorwaarden voor de ruimtelijke inpassing van het zonnepark onvoldoende in de omgevingsvergunning zijn geborgd. De rechtbank heeft verder in de overwegingen 74 en 75 geoordeeld dat het college nader moet motiveren of voor het realiseren van het zonnepark een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. De rechtbank sluit niet uit dat de geconstateerde gebreken door het college kunnen worden hersteld en zal het college daartoe in de gelegenheid stellen. De rechtbank zal hieronder beschrijven op welke wijze het college de geconstateerde gebreken kan herstellen.
93. Het college kan de geconstateerde gebreken herstellen door alsnog toereikend te onderbouwen dat het realiseren van het zonnepark ruimtelijk aanvaardbaar is. Het college moet daarbij inzichtelijk maken welke rol de gebiedsontwikkeling speelt in het kader van de ruimtelijke inpasbaarheid van het zonnepark. Als het college vindt dat de gebiedsontwikkeling een voorwaarde is voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het zonnepark, dan moet het college ook zorgen voor het borgen van de afspraken omtrent de gebiedsontwikkeling in een publiekrechtelijk besluit.
94. Het college kan het geconstateerde gebrek dat ziet op de vormvrije m.e.r.-beoordeling herstellen door aanvullend te motiveren waarom volgens het college in dit geval geen sprake is van een landinrichtingsproject. Het college kan ook tot de conclusie komen dat daarvan wel sprake is. In dat geval is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig en kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Het college moet de uitkomst van deze bestuurlijke afweging over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het zonnepark betrekken bij de vraag of al dan niet een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is voor dit project.
95. Het college moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruik wil maken van de gelegenheid om de geconstateerde gebreken te herstellen. Als het college van die gelegenheid gebruik wil maken, dan krijgt het daar 12 weken de tijd voor. De rechtbank zal eisers en vergunninghoudster vervolgens in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. Daarna zal de rechtbank in een einduitspraak beoordelen of de gebreken zijn hersteld en welke gevolgen dat heeft.
96. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat betekent dat de rechtbank over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, en mr. M.W.A. Schimmel en mr. R.S. Wertheim, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Een volledig overzicht van de eisers is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd.
artikel 2.1, lid 1, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
artikel 2.1, lid 1, onder c, Wabo, met toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3, Wabo.
Dit volgt uit artikel 2.1, eerste lid, onder c, en artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 3, van de Wabo.
Gelet op het bepaalde in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw in combinatie met artikel 1.1 van Bijlage I bij de Chw en afdeling 2 van de Chw.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, overweging 4.8.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, overweging 4.7.
Dit volgt uit artikel 8:69a van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606.
Zie de uitspraak van de Afdeling 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2061.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2116.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1835.
ECLI:NL:RBLIM:2023:6467, overweging 8.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:425.
Met uitzondering van de rechtspersonen; hierna wordt de aanduiding eisers gebruikt voor de natuurlijke personen.
ECLI:NL:RVS:2016:2734.
ECLI:NL:RVS:2025:3076.
Zie Afbeelding 1 voor de verhouding tussen de gebiedsontwikkeling en het plangebied.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4559.
ECLI:NL:RVS:2024:1292, ECLI:NL:2023:3624, ECLI:NL:RVS:2024:501 en ECLI:NL:RVS:2026:1949.
kenmerk: 2023-0000629635
ECLI:NL:RVS:2023:4512 en ECLI:NL:RVS:2024:5417.
SDE++2024 van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van juli 2024.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:378.
Regionale Energietransitie.
ECLI:NL:RVS:2025:4559.
Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:387.
ECLI:NL:RVS:2024:4923.
Zie de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, overweging 10.52.
ECLI:NL:RVS:2021:2173.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1816.
Uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:354,overweging 5.2.