Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4666
2026-04-30
Bestuursrecht
UTR 25/4267
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Invordering van een dwangsom wegens overtreding van een terrasvergunning
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2023:1650 Raad van State 26-04-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:1650 Raad van State 26-04-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.744 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4267
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
en
de burgemeester van Amersfoort
(gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de invordering van een dwangsom van € 14.000,-, omdat eiseres na sluitingstijd van het terras bij horecabedrijf [horecabedrijf] (horecabedrijf) aan de [adres] in [plaats] de parasols niet heeft ingeklapt, terwijl dit volgens de terrasvergunning wel moet.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de burgemeester van invordering had moeten afzien. Eiseres krijgt daarin dus geen gelijk. Wel is het beroep gegrond, omdat de burgemeester een te hoge dwangsom heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
2. Eiseres heeft een horecabedrijf met terrasvergunningen voor zomer en winter. Volgens de voorschriften bij de terrasvergunningen moeten de parasols na sluitingstijd van het terras ingeklapt worden. De burgemeester heeft eiseres bij besluit van 4 maart 2024, een last onder dwangsom opgelegd, omdat op meerdere momenten is geconstateerd dat na sluiting van het terras de parasols nog uitgeklapt stonden. De last bestaat uit het inklappen en ingeklapt houden van de parasols na sluitingstijd van het terras. De hoogte van de dwangsom bedraagt € 2.000,- per constatering dat de parasol is uitgeklapt na sluitingstijd van het terras, met een maximum van € 20.000,-. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen de opgelegde last onder dwangsom van 4 maart 2024. Daarmee staat vast dat eiseres de dwangsom moet betalen als hij de last overtreedt.
2.1.
Bij besluit van 12 september 2024 heeft de burgemeester een invorderingsbesluit genomen en aan eiseres een dwangsom opgelegd van € 20.000,-. Volgens de burgemeester heeft eiseres niet aan de last onder dwangsom van 4 maart 2024 voldaan, omdat op 10 momenten is geconstateerd dat de parasols na sluitingstijd van het terras stonden uitgeklapt. Eiseres heeft tegen het invorderingsbesluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het invorderingsbesluit van 2 juli 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres heeft de burgemeester de invordering gehandhaafd en het bedrag van invordering gematigd tot € 14.000,-, omdat eiseres niet aan de last onder dwangsom van 4 maart 2024 heeft voldaan. Er is namelijk op 7 momenten geconstateerd dat de parasols na sluitingstijd van het terras stonden uitgeklapt. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] namens eiseres en de gemachtigde van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
Mocht het college dwangsommen invorderen?
3. Eiseres is het niet eens met de invordering van de dwangsommen en voert daarover aan dat er geen sprake is van een overtreding. Op zitting heeft zij nader toegelicht dat zij meent dat er sprake is van een noodzakelijke overtreding in verband met de openbare orde en veiligheid en om ongelukken te voorkomen.
4. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat een belanghebbende in de procedure tegen het invorderingsbesluit in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is gepleegd of als eiser geen overtreder is.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen de last onder dwangsom van 4 maart 2024. Dit besluit staat daarom in rechte vast. Gelet hierop moet de rechtbank bij haar beoordeling uitgaan van de juistheid van de last onder dwangsom, zowel naar inhoud als voor wat betreft de wijze van totstandkoming.
4.2.
De burgemeester stelt dat eiseres dwangsommen heeft verbeurd, omdat zij na de opgelegde last onder dwangsom overtredingen van de terrasvergunningen heeft begaan. De burgemeester heeft die overtredingen in het bestreden besluit genoemd en onderbouwd met processen-verbaal. Uit de toelichting van eiseres op zitting begrijpt de rechtbank dat eiseres het begaan van die overtredingen eigenlijk niet betwist, maar het er niet mee eens is dat de parasols na sluitingstijd van het terras ingeklapt moeten worden. Dat betekent dat de dwangsommen terecht zijn verbeurd. Dat eiseres het er niet mee eens is dat de parasols moeten worden ingeklapt is immers een grond die zij had moeten en kunnen aanvoeren toen haar een last onder dwangsom werd opgelegd. Zij kan die grond niet met succes in deze procedure aanvoeren.
4.3.
De rechtbank oordeelt verder dat de burgemeester kon overgaan tot invorderen van de dwangsommen. Aan het belang van invordering moet namelijk veel gewicht worden toegekend. Als de burgemeester handhavend optreedt, dan moet er ook worden doorgepakt als er vervolgens alsnog overtredingen plaatsvinden. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding geven om te oordelen dat het college had moeten afzien van de invordering van de verbeurde dwangsom. Voor zover eiseres meent dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid, omdat zij het niet dichtklappen van de parasols een noodzakelijke overtreding vindt in verband met de openbare orde en veiligheid en om ongelukken te voorkomen, heeft het college dat niet zo hoeven zien. Het ligt namelijk niet op de weg van eiseres om te bepalen dat met het niet dichtklappen van de parasols de veiligheid is gediend en daarmee de vergunningvoorschriften mogen worden overtreden. Bovendien had eiseres deze grond tegen de last onder dwangsom naar voren kunnen brengen, zodat zij die grond om die reden ook niet met succes tegen het bestreden besluit kan aanvoeren. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Is het vonnis van de kantonrechter van invloed op het bestreden besluit?
5. Voor zover eiseres bedoeld heeft om het vonnis van de kantonrechter aan te voeren als bijzondere omstandigheid heeft het college dat ook niet zo hoeven zien. De rechtbank legt dat hierna uit.
6. Eiseres voert onder verwijzing naar een aantekening mondeling vonnis van de kantonrechter van 18 april 2025 aan dat de rechter haar heeft vrijgesproken. Eiseres stelt niet te begrijpen waarom die vrijspraak de burgemeester niet op andere gedachten brengt. Het geen gehoor geven aan de strafbeschikking was immers de reden voor het opleggen van de dwangsommen, twee hoorzittingen, een rechtszaak en een hoger beroep.
7. De rechtbank overweegt het volgende. De vrijspraak waar eiseres op doelt is een vrijspraak van een op 1 mei 2023 aan verdachte [A] opgelegde strafbeschikking in verband met het plegen van het volgende strafbare feit: “zonder vergunning/ontheffing de weg of weggedeelte gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke functie”. De vrijspraak is dus een vrijspraak voor een strafbaar feit van [A] . Het nu voorliggende bestreden besluit gaat daar niet over. Het nu voorliggende bestreden besluit gaat over het invorderen van verbeurde dwangsommen, omdat eiseres (de rechtspersoon [eiseres] B.V.) zich niet heeft gehouden aan vergunningvoorschriften. Dit is een bestuursrechtelijke zaak die los staat van de door eiseres genoemde strafrechtelijke zaak. De uitspraak in die strafzaak staat los van de vergunningvoorschriften en heeft de burgemeester dus ook niet op andere gedachten hoeven brengen. Anders dan eiseres meent, staan de nu en de eerder opgelegde dwangsommen en de daaraan verbonden hoorzittingen, beroepszaak en hoger beroepszaak dus los van de strafzaak. Dat de kantonrechter [A] heeft vrijgesproken van het eerdergenoemde strafbare feit betekent dus niet dat eiseres geen dwangsommen heeft verbeurd. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Wat is de hoogte van de in te vorderen dwangsommen?
8. Op zitting is besproken dat de burgemeester alleen dwangsommen mag opleggen voor overtredingen die hebben plaatsgevonden ná het opleggen van de last onder dwangsom op 4 maart 2024. De overtreding van 16 februari 2024 vond daarvoor plaats en kan daarom niet leiden tot het verbeuren van een dwangsom. Hierdoor blijven er zes overtredingen van de vergunningvoorschriften over en zal de rechtbank het in te vorderen bedrag vaststellen op € 12.000,-.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op wat is overwogen onder 8. is het beroep gegrond voor zover het ziet op de hoogte van de dwangsom. Dat betekent dat het bestreden besluit op dit punt wordt vernietigd. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing. De rechtbank bepaalt de hoogte van door eiseres te betalen dwangsom op € 12.000,- ( 6 overtredingen x € 2.000,-). Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
10. Omdat het beroep in zoverre gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de hoogte van de in te vorderen dwangsommen;
- herroept het primaire besluit in zoverre;
- voorziet zelf in de zaak en bepaalt de hoogte van de dwangsommen op € 12.000,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
De griffier is buiten staat deze
uitspraak mede te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023 met vindplaats: ECLI:NL:RVS:2023:1650, onder 3.2
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2023 met vindplaats: ECLI:NL:RVS:2023:1650, onder3.1
Parketnummer 96-288292-24 (niet gepubliceerd)
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4267
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
en
de burgemeester van Amersfoort
(gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de invordering van een dwangsom van € 14.000,-, omdat eiseres na sluitingstijd van het terras bij horecabedrijf [horecabedrijf] (horecabedrijf) aan de [adres] in [plaats] de parasols niet heeft ingeklapt, terwijl dit volgens de terrasvergunning wel moet.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de burgemeester van invordering had moeten afzien. Eiseres krijgt daarin dus geen gelijk. Wel is het beroep gegrond, omdat de burgemeester een te hoge dwangsom heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
2. Eiseres heeft een horecabedrijf met terrasvergunningen voor zomer en winter. Volgens de voorschriften bij de terrasvergunningen moeten de parasols na sluitingstijd van het terras ingeklapt worden. De burgemeester heeft eiseres bij besluit van 4 maart 2024, een last onder dwangsom opgelegd, omdat op meerdere momenten is geconstateerd dat na sluiting van het terras de parasols nog uitgeklapt stonden. De last bestaat uit het inklappen en ingeklapt houden van de parasols na sluitingstijd van het terras. De hoogte van de dwangsom bedraagt € 2.000,- per constatering dat de parasol is uitgeklapt na sluitingstijd van het terras, met een maximum van € 20.000,-. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen de opgelegde last onder dwangsom van 4 maart 2024. Daarmee staat vast dat eiseres de dwangsom moet betalen als hij de last overtreedt.
2.1.
Bij besluit van 12 september 2024 heeft de burgemeester een invorderingsbesluit genomen en aan eiseres een dwangsom opgelegd van € 20.000,-. Volgens de burgemeester heeft eiseres niet aan de last onder dwangsom van 4 maart 2024 voldaan, omdat op 10 momenten is geconstateerd dat de parasols na sluitingstijd van het terras stonden uitgeklapt. Eiseres heeft tegen het invorderingsbesluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het invorderingsbesluit van 2 juli 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres heeft de burgemeester de invordering gehandhaafd en het bedrag van invordering gematigd tot € 14.000,-, omdat eiseres niet aan de last onder dwangsom van 4 maart 2024 heeft voldaan. Er is namelijk op 7 momenten geconstateerd dat de parasols na sluitingstijd van het terras stonden uitgeklapt. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] namens eiseres en de gemachtigde van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
Mocht het college dwangsommen invorderen?
3. Eiseres is het niet eens met de invordering van de dwangsommen en voert daarover aan dat er geen sprake is van een overtreding. Op zitting heeft zij nader toegelicht dat zij meent dat er sprake is van een noodzakelijke overtreding in verband met de openbare orde en veiligheid en om ongelukken te voorkomen.
4. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat een belanghebbende in de procedure tegen het invorderingsbesluit in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is gepleegd of als eiser geen overtreder is.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen de last onder dwangsom van 4 maart 2024. Dit besluit staat daarom in rechte vast. Gelet hierop moet de rechtbank bij haar beoordeling uitgaan van de juistheid van de last onder dwangsom, zowel naar inhoud als voor wat betreft de wijze van totstandkoming.
4.2.
De burgemeester stelt dat eiseres dwangsommen heeft verbeurd, omdat zij na de opgelegde last onder dwangsom overtredingen van de terrasvergunningen heeft begaan. De burgemeester heeft die overtredingen in het bestreden besluit genoemd en onderbouwd met processen-verbaal. Uit de toelichting van eiseres op zitting begrijpt de rechtbank dat eiseres het begaan van die overtredingen eigenlijk niet betwist, maar het er niet mee eens is dat de parasols na sluitingstijd van het terras ingeklapt moeten worden. Dat betekent dat de dwangsommen terecht zijn verbeurd. Dat eiseres het er niet mee eens is dat de parasols moeten worden ingeklapt is immers een grond die zij had moeten en kunnen aanvoeren toen haar een last onder dwangsom werd opgelegd. Zij kan die grond niet met succes in deze procedure aanvoeren.
4.3.
De rechtbank oordeelt verder dat de burgemeester kon overgaan tot invorderen van de dwangsommen. Aan het belang van invordering moet namelijk veel gewicht worden toegekend. Als de burgemeester handhavend optreedt, dan moet er ook worden doorgepakt als er vervolgens alsnog overtredingen plaatsvinden. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding geven om te oordelen dat het college had moeten afzien van de invordering van de verbeurde dwangsom. Voor zover eiseres meent dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid, omdat zij het niet dichtklappen van de parasols een noodzakelijke overtreding vindt in verband met de openbare orde en veiligheid en om ongelukken te voorkomen, heeft het college dat niet zo hoeven zien. Het ligt namelijk niet op de weg van eiseres om te bepalen dat met het niet dichtklappen van de parasols de veiligheid is gediend en daarmee de vergunningvoorschriften mogen worden overtreden. Bovendien had eiseres deze grond tegen de last onder dwangsom naar voren kunnen brengen, zodat zij die grond om die reden ook niet met succes tegen het bestreden besluit kan aanvoeren. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Is het vonnis van de kantonrechter van invloed op het bestreden besluit?
5. Voor zover eiseres bedoeld heeft om het vonnis van de kantonrechter aan te voeren als bijzondere omstandigheid heeft het college dat ook niet zo hoeven zien. De rechtbank legt dat hierna uit.
6. Eiseres voert onder verwijzing naar een aantekening mondeling vonnis van de kantonrechter van 18 april 2025 aan dat de rechter haar heeft vrijgesproken. Eiseres stelt niet te begrijpen waarom die vrijspraak de burgemeester niet op andere gedachten brengt. Het geen gehoor geven aan de strafbeschikking was immers de reden voor het opleggen van de dwangsommen, twee hoorzittingen, een rechtszaak en een hoger beroep.
7. De rechtbank overweegt het volgende. De vrijspraak waar eiseres op doelt is een vrijspraak van een op 1 mei 2023 aan verdachte [A] opgelegde strafbeschikking in verband met het plegen van het volgende strafbare feit: “zonder vergunning/ontheffing de weg of weggedeelte gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke functie”. De vrijspraak is dus een vrijspraak voor een strafbaar feit van [A] . Het nu voorliggende bestreden besluit gaat daar niet over. Het nu voorliggende bestreden besluit gaat over het invorderen van verbeurde dwangsommen, omdat eiseres (de rechtspersoon [eiseres] B.V.) zich niet heeft gehouden aan vergunningvoorschriften. Dit is een bestuursrechtelijke zaak die los staat van de door eiseres genoemde strafrechtelijke zaak. De uitspraak in die strafzaak staat los van de vergunningvoorschriften en heeft de burgemeester dus ook niet op andere gedachten hoeven brengen. Anders dan eiseres meent, staan de nu en de eerder opgelegde dwangsommen en de daaraan verbonden hoorzittingen, beroepszaak en hoger beroepszaak dus los van de strafzaak. Dat de kantonrechter [A] heeft vrijgesproken van het eerdergenoemde strafbare feit betekent dus niet dat eiseres geen dwangsommen heeft verbeurd. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Wat is de hoogte van de in te vorderen dwangsommen?
8. Op zitting is besproken dat de burgemeester alleen dwangsommen mag opleggen voor overtredingen die hebben plaatsgevonden ná het opleggen van de last onder dwangsom op 4 maart 2024. De overtreding van 16 februari 2024 vond daarvoor plaats en kan daarom niet leiden tot het verbeuren van een dwangsom. Hierdoor blijven er zes overtredingen van de vergunningvoorschriften over en zal de rechtbank het in te vorderen bedrag vaststellen op € 12.000,-.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op wat is overwogen onder 8. is het beroep gegrond voor zover het ziet op de hoogte van de dwangsom. Dat betekent dat het bestreden besluit op dit punt wordt vernietigd. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing. De rechtbank bepaalt de hoogte van door eiseres te betalen dwangsom op € 12.000,- ( 6 overtredingen x € 2.000,-). Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
10. Omdat het beroep in zoverre gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de hoogte van de in te vorderen dwangsommen;
- herroept het primaire besluit in zoverre;
- voorziet zelf in de zaak en bepaalt de hoogte van de dwangsommen op € 12.000,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
De griffier is buiten staat deze
uitspraak mede te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023 met vindplaats: ECLI:NL:RVS:2023:1650, onder 3.2
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2023 met vindplaats: ECLI:NL:RVS:2023:1650, onder3.1
Parketnummer 96-288292-24 (niet gepubliceerd)