Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4652

2026-07-24 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht UTR 26/2799
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-24
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/2799
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

AOW. In geschil is of de Svb in de periode in geschil uit mocht gaan van een gezamenlijke huishouding en de AOW mocht herzien en terugvorderen. Beroep ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.456 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Almere



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 26/2799


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.C. Walker),


en


de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank
(gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers).


Inleiding

1. Eiser heeft op 23 juni 2014 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt en ontvangt sinds deze datum een AOW-pensioen. In eerste instantie naar de norm voor een alleenstaande.

2. De Svb heeft met het besluit van 7 augustus 2025 (het primaire besluit) aan eiser laten weten dat het AOW-pensioen wordt herzien naar een gehuwdenpensioen vanaf 1 juli 2022. Eiser zou namelijk vanaf deze datum een gezamenlijke huishouding voeren met mevrouw [naam] (hierna: [naam] ). Dit brengt ook mee dat eiser in de periode van juli 2022 tot en met december 2024 een bedrag van € 14.670,72 te veel heeft ontvangen.

3. Eiser heeft bezwaar gemaakt. De Svb heeft met het besluit van 5 maart 2026 (het bestreden besluit) het bezwaar gegrond verklaard en eiser gedeeltelijk gelijk gegeven. De herziening is beperkt tot de periode juli 2022 tot en met september 2023. In lijn hiermee is de terugvordering lager vastgesteld, op een bedrag van € 6.968,43.

4. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. De Svb heeft gereageerd met een verweerschrift.

5. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Bestreden besluit

6. De Svb stelt dat eiser vanaf zijn AOW-leeftijd op 23 juni 2014 een gezamenlijke huishouding voert met [naam] Er is namelijk sprake van een gedeeld hoofdverblijf en wederzijdse zorg. Eiser en [naam] hebben in ieder geval vanaf 23 juni 2014 het hoofdverblijf op hetzelfde adres. Zij staat al sinds 25 januari 2005 op eisers adres ingeschreven en heeft met de brief van 6 maart 2025 bevestigd dat zij op het adres woont. Mevrouw verblijft alle dagen en nachten van de week op het adres bij eiser.

7. Voor de wederzijdse zorg is van belang dat op 29 april 2025 twee medewerkers van de Svb een huisbezoek hebben afgelegd. Eiser heeft toen verklaard dat de kosten van het huishouden worden gedeeld sinds 2005. Het tv-abonnement staat op naam van [naam] en dit betaalt zij ook. De boodschappen worden om en om betaald door eiser en [naam] Grote gebruiksgoederen die kapot gaan worden door beide betaald. [naam] doet de huishoudelijke werkzaamheden voor u beide en de tuin. Eiser doet klusjes in en om het huis en voor beiden de was. Eiser en [naam] eten ongeveer twee keer per week samen, er wordt om en om gekookt. [naam] eet vijf keer per week op de hobbykamer. Eiser en [naam] zorgen voor elkaar bij ziekte. Ook ondernemen eiser en [naam] regelmatig uitjes, waarvan zij de kosten delen. Er is een periode een geregistreerd partnerschap geweest en inmiddels weer.

8. De Svb stelt zich op het standpunt dat er geen dringende redenen zijn om af te zien van herziening van het AOW-pensioen. Eiser is er namelijk op gewezen dat de hoogte van de AOW afhangt van de leefsituatie, maar hij heeft het samenwonen niet zelf meegedeeld. Wel is het zo dat de administratie van de Svb de onrechtmatigheid eerder had kunnen onderkennen en dat een onjuiste mededeling is gedaan in het besluit van 4 juli 2025 over dat eiser niet te veel AOW-pensioen zou hebben ontvangen. Om deze reden is de volledige terugvordering niet evenredig en verlaagt de Svb deze naar € 6.968,43.



Beroepsgronden

9. Eiser stelt dat de antwoorden die hij heeft gegeven tegenover de controleambtenaar gaan over de leefsituatie in de periode dat nog sprake was van een geregistreerd partnerschap. Het argument van de Svb, dat een eenmaal vastgestelde gezamenlijke huishouding niet ongedaan gemaakt kan worden ook niet bij eventuele latere aanpassingen in wederzijdse zorg, is onjuist. Daarbij is het onduidelijk op welke eerdere datum of periode de gezamenlijke huishouding zou zijn vastgesteld.

10. Het onderzoek tijdens het huisbezoek is niet zorgvuldig uitgevoerd. Eiser betwist dat zijn verklaringen volledig aan hem zijn voorgelezen. Ook heeft eiser geen schriftelijke verklaring ontvangen van de medewerkers die het huisbezoek hebben afgenomen. Dit terwijl er wel een discrepantie is tussen de handhavingsrapportage (blz. 7) waarin staat dat eiser voor zijn gevoel alleen onder één dak woont en alles gescheiden heeft en wat in de checklist gezamenlijke huishouding is vermeld.

11. Op 4 juli 2025 heeft de Svb een besluit genomen waarin staat dat eiser een waarschuwing krijgt, omdat hij niet op tijd de juiste informatie aan de Svb heeft doorgegeven. In de brief staat ook dat eiser hierdoor niet te veel geld heeft ontvangen en hij daarom niets hoeft te betalen. Het is in strijd met het vertrouwensbeginsel dat nu toch een bedrag wordt teruggevorderd.







Beoordeling door de rechtbank

12. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser en [naam] het hoofdverblijf deelden in de periode in geding. De Svb heeft in het bestreden besluit concreet genoemd welke omstandigheden allemaal maken dat sprake is van wederzijdse zorg. Eiser heeft niet betwist dat hier sprake van was, maar benadrukt dat zijn verklaringen hierover betrekking hebben op een andere periode en niet op de periode die hier van belang is. Ook vindt eiser dat het onderzoek tijdens het huisbezoek niet zorgvuldig is uitgevoerd en dat hij een gerechtvaardigd vertrouwen aan het besluit van 4 juli 2025 kon ontlenen dat niet zou worden teruggevorderd.



Verklaringen van eiser tegenover controleambtenaar



13. De rechtbank overweegt dat er op grond van vaste rechtspraak in het algemeen vanuit gegaan mag worden dat een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde verklaring juist is. In het dossier is een ‘checklist gezamenlijke huishouding’ aanwezig die op 29 april 2025 zowel door eiser als door de twee medewerkers van de Svb is ondertekend. Hierop is onder meer weergegeven dat eiser heeft geantwoord: “Sinds 2005 leven wij als stel, als partners samen. Wij brengen en brachten eigenlijk alle tijd samen door op ons adres. Wij eten samen etc. Daarnaast ondernemen wij gezamenlijk uitjes etc.” Ook heeft eiser meegedeeld: “Ik heb eerder een geregistreerd partnerschap gehad met mevrouw …, periode 27-01-2009 t/m 15-03-2011. Destijds raakte ik in de schuldsanering, toen kwamen zij ook aan haar inkomsten. Dat was de reden dat wij toen gescheiden zijn. Wij zijn feitelijk nooit uit elkaar gegaan. Zij is ook na de scheiding op mijn adres blijven wonen. Het was enkel iets wat we op papier moesten regelen om financiële redenen.”

14. De rechtbank overweegt verder dat bij eisers verklaringen in de checklist regelmatig is weergegeven dat deze gaan over de periode “sinds 2005”. Ook heeft eiser met zoveel woorden verklaard dat er na beëindiging van het geregistreerd partnerschap feitelijk geen wijziging is geweest in de manier van samenleven. Tijdens de zitting is aangevoerd dat er bij eiser twijfel bestaat over de checklist, omdat vaak afsluitend is weergegeven: “dit is al zo sinds 2005.” Dit terwijl er op dat moment volgens eiser niet naar gevraagd is. Namens de Svb is toegelicht dat intern aanwijzingen zijn gegeven dat het belangrijk is te vragen naar wanneer bepaalde omstandigheden zich voordeden. Om deze reden is steeds vermeld sinds wanneer een bepaalde situatie zich voordeed. Dat de gestelde vraag niet letterlijk steeds is weergegeven doet hier niet aan af, aldus de Svb. De rechtbank kan de Svb op dit punt volgen. Daar komt bij dat de medewerker van de Svb in een reactie (zie blz 109/ 110 gedingstukken) heeft meegedeeld dat beide formulieren volledig aan eiser zijn voorgelezen en dat is uitgelegd dat eiser het tijdens het voorlezen kon meedelen als iets niet klopte zodat het aangepast kon worden. Na het voorlezen is volgens deze medewerker nogmaals aan eiser gevraagd of alles klopte en of hij aanvullingen of een toelichting had, pas daarna is gevraagd een handtekening te zetten. Ook heeft eiser een kopie ontvangen en kon hij het naderhand lezen.

15. De rechtbank ziet gezien het voorgaande geen aanleiding aan te nemen dat eisers verklaringen op de checklist niet zouden kloppen of dat het huisbezoek onzorgvuldig zou hebben plaatsgevonden. Eisers verklaringen hebben op een lange periode betrekking, al ruim voor de periode in geschil en blijkens het woordje “sinds” ook nog tijdens de periode in geschil. De beroepsgronden slagen niet.



Vertrouwensbeginsel



16. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat eiser aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

17. De rechtbank overweegt dat in het besluit van 4 juli 2025 waar eiser naar verwijst een onjuiste feitelijke mededeling staat, namelijk dat eiser geen geld te veel heeft ontvangen door het niet op tijd geven van de juiste informatie. Het argument van de Svb dat het besluit van 4 juli 2025 nog niet rechtens onaantastbaar was op het moment dat het bestreden besluit werd genomen en dat eiser om die reden aan dat besluit van 4 juli 2025 geen rechtens te honoreren verwachtingen mocht ontlenen snijdt geen hout. Wel geldt naar het oordeel van de rechtbank het volgende. Het besluit van 4 juli 2025 is gericht op een ander rechtsgevolg dan waar het in deze procedure om gaat. Het gaat er in dat besluit namelijk om dat een waarschuwing wordt opgelegd (en niet een boete). Hoewel het ongelukkig is dat de Svb in het besluit van 4 juli 2025 een onjuiste feitelijke mededeling heeft gedaan heeft de Svb in dat besluit niet meegedeeld dat het AOW-pensioen niet zou worden herzien of teruggevorderd. Eiser kon hier daarom aan het besluit van 4 juli 2025 niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat zou worden afgezien van een herziening en terugvordering. De beroepsgrond slaagt niet.



Conclusie en gevolgen


18. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, om deze reden krijgt hij het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




















Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.













griffier


rechter









Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:






Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Algemene Ouderdomswet.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:726 r.o. 5.6.2.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1272 r.o. 4.7.1.