Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4648

2026-07-23 Bestuursrecht; Omgevingsrecht UTR 26/5764 en UTR 26/5765
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/5764 en UTR 26/5765
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Omgevingswet. Omgevingsvergunningen voor de omgevingsplanactiviteiten het uitvoeren van werkzaamheden en het kappen van bomen. Over de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden hebben eisers geen gronden aangevoerd die zien op het beoordelingskader voor het verlenen van deze vergunning. Voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen mocht het college afgaan op het advies van de boomtechnisch adviseur. Wat eisers aanvoeren geeft geen concrete aanknopingspunten om aan de zorgvuldigheid en de juistheid van dit advies te twijfelen. De beroepen zijn ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.372 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummers: UTR 26/5764 en UTR 26/5765


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaken tussen



[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater
(gemachtigde: mr. S. de Rijke).


Als derde-partij neemt aan de zaken deel:

de gemeente Oudewater, vergunninghouder
(gemachtigde: L. Hazeleger).



Partijen worden hierna aangeduid als: eisers, het college en de gemeente.





Inleiding


1.1.
De gemeente heeft het voornemen om De Markt in Oudewater en de omliggende straten te herinrichten. Eén van die omliggende straten is de [straat] . Het voornemen tot de herinrichting komt voort uit de noodzaak van groot onderhoud van de wegen en de wens van de gemeente om de straten te herprofileren, zodat ze beter aansluiten bij het gebruik en het karakter van de stad. Om de herinrichting te kunnen realiseren heeft de gemeente omgevingsvergunningen aangevraagd bij het college. Het college heeft voor de volgende twee activiteiten omgevingsvergunningen aan de gemeente verleend:


de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van werkzaamheden (de aanlegvergunning);


de omgevingsplanactiviteit het kappen van 32 winterlindes aan de [straat] en Kromme Haven (de kapvergunning).





1.2.
Eisers wonen aan de [straat] [nummeraanduiding 1] en de [straat] [nummeraanduiding 2] in [woonplaats] . Zij zijn het niet eens met de omgevingsvergunningen en hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Met twee besluiten van 28 april 2026 heeft het college de bezwaren van eisers tegen allebei de omgevingsvergunningen ongegrond verklaard en beide omgevingsvergunningen in stand gelaten. Ook met deze besluiten zijn eisers het niet eens. Zij hebben hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
Eisers hadden voor beide bestreden besluiten ook verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend. Maar nadat de gemeente had toegezegd dat de werkzaamheden voor de herinrichting pas in september starten en de zitting bij de rechtbank in juli was gepland, hebben zij deze verzoeken weer ingetrokken.


1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college, zij werd vergezeld door [A] , en de gemachtigde van de gemeente, hij werd vergezeld door [B] .





Beoordeling door de rechtbank



Ontvankelijkheid van het beroep


2. De rechtbank moet voordat zij de beroepen in behandeling neemt eerst ambtshalve beoordelen of die beroepen ontvankelijk zijn.

3. In het verweerschrift voert het college aan dat uit de stukken die hij van de rechtbank heeft ontvangen niet blijkt dat eisers tijdig beroep hebben ingesteld. Hij heeft een kopie van het beroepschrift ontvangen met daarop een datum van ontvangst van 23 juni 2026. Deze datum valt buiten de beroepstermijn. Als de beroepen te laat zijn ingesteld, moeten deze niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop de besluiten op bezwaar aan eisers zijn verzonden. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.

5. Zoals op de zitting met partijen besproken, hebben eisers op 5 juni 2026 tegen beide besluiten op bezwaar één beroepschrift ingediend. Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank stelt ook vast, dat dit binnen de beroepstermijn van zes weken na het toezenden van de bestreden besluiten aan eisers is. Dit beroepschrift was niet ondertekend door eisers en voldeed daarmee niet aan de eisen die daar op grond van de Awb aan worden gesteld. De rechtbank heeft eisers in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Dit hebben eisers binnen de daarvoor gestelde termijn – namelijk op 23 juni 2026 – gedaan.

6. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beroepen van eisers dus ontvankelijk. Zij zal de beroepen hierna inhoudelijke beoordelen.



Namens wie zijn de beroepen ingesteld?


7. Het beroepschrift is ondertekend door eisers. Zij schrijven aan het begin van het beroepschrift dat de beroepen ook mede worden ingesteld namens bewoners van de [straat] en de Kromme Haven in Oudewater. Bij het beroepschrift werden door eisers verder geen stukken overgelegd waaruit blijkt wie deze bewoners zijn en zij hebben ook geen machtigingen van deze personen overgelegd.

8. De rechtbank heeft eisers in de gelegenheid gesteld om machtigingen van de andere bewoners van de [straat] en de Kromme Haven over te leggen. Eisers hebben geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid. Ook bij de verzoeken om een voorlopige voorziening zijn geen machtigingen van andere bewoners overgelegd. En ook bij de op de zaak betrekking hebbende stukken die door het college zijn aangeleverd, zijn geen gegevens van andere bewoners en/of machtigingen gevoegd.

9. De rechtbank merkt de beroepen daarom aan als beroepen die zijn ingesteld eisers. En dus niet als beroepen die ook zijn ingediend namens andere bewoners. Voor de inhoudelijke beoordeling van de beroepen maakt dit overigens geen verschil.



Inhoudelijke beoordeling van de beroepen


10. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers geen gelijk krijgen. De beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

11. De rechtbank beoordeelt hierna eerst het beroep van eisers tegen de aanlegvergunning en vervolgens het beroep tegen de kapvergunning.



De aanlegvergunning


12. Voor de herinrichting van de Markt en de omliggende straten is een aanlegvergunning vereist, omdat deze wegen onderdeel uitmaken van het beschermd stadsgezicht van Oudewater. Deze straten zijn als onderdeel van het beschermd stadsgezicht mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de met het beschermd stadsgezicht verbonden cultuurhistorische waarden. Dit betekent dat met de herprofilering van de straten de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht niet mogen worden aangetast. Deze cultuurhistorische waarden moeten met de nieuwe inrichting juist worden behouden, hersteld of ontwikkeld. Dit is wat het college bij een aanvraag voor een aanlegvergunning moet beoordelen en in dit geval ook heeft beoordeeld. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van Oudewater heeft hierover op 29 september 2025 een advies uitgebracht aan het college.

13. De rechtbank benadrukt dat de aanlegvergunning dus niet is verleend voor de feitelijke werkzaamheden die in het kader van het groot onderhoud aan de wegen zullen worden uitgevoerd. Zoals het verwijderen van de bestaande bestrating, het onderhoud aan de fundering van de weg en het opnieuw bestraten van de weg. De onderhoudswerkzaamheden aan de wegen zijn feitelijk handelen van de gemeente.

14. De rechtbank stelt vast dat eisers geen gronden aanvoeren die zien op de nieuwe inrichting van de straten in relatie tot het beschermd stadsgezicht. Het enige wat eisers over de aanlegvergunning aanvoeren, is dat het college volgens hen de kapvergunning in samenhang met de aanlegvergunning had moeten beoordelen.


15. Daar is de rechtbank het niet mee eens. De wetgever heeft in de Omgevingswet niet langer bepaald dat bepaalde activiteiten onlosmakelijk met elkaar verbonden zouden zijn. Dit betekent dat de gemeente als initiatiefnemer van de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunningen nodig zijn voor elke activiteit een afzonderlijke aanvraag mag indienen. Het college moet vervolgens aan de hand van het voor die betreffende activiteit geldende beoordelingskader besluiten op de voorliggende aanvraag.
16. De conclusie van het voorgaande is dat het beroep van eisers tegen de aanlegvergunning ongegrond is. Wat dit betekent zal de rechtbank hieronder toelichten onder ‘Conclusie en gevolgen’.




De kapvergunning


17. Op de zitting heeft de rechtbank met het college vastgesteld dat in het bestreden besluit abusievelijk als beoordelingskader voor de heroverweging nog wordt verwezen naar de Algemene plaatselijke verordening gemeente Oudewater 2024 (de APV), die op het moment van het verlenen van de vergunning nog van kracht was. Dit had moeten zijn de Verordening fysieke leefomgeving Oudewater 2025 (verordening fysiek leefomgeving), die vanaf 25 oktober 2025 van kracht is. Inhoudelijk is het beoordelingskader ongewijzigd gebleven. Het college verleent geen omgevingsvergunning voor het kappen van bomen die op de beschermdebomenlijst staan verlenen, tenzij sprake is van een boom die geen reële toekomstverwachting heeft (niet gezond/lage toekomstverwachting/dood).

18. Bij de beoordeling van de kapvergunning stelt de rechtbank voorop dat op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat:

 de toekomstverwachting van de 32 winterlindes (de bomen) zoals deze is opgenomen in tabel 2 in de Boom Effect Analyse (BEA) van 6 juni 2025 van [onderneming] B.V. als uitgangspunt moet worden genomen;
 de toekomstverwachting die in deze tabel staat vermeld, is bepaald bij gelijkblijvende omstandigheden. Dus is gebaseerd op de huidige conditie, de door de boomtechnisch adviseur geconstateerde boomtechnische gebreken en de huidige groeiplaatsomstandigheden. In deze tabel is voor de toekomstverwachting van de bomen geen rekening gehouden met de uit te voeren werkzaamheden in het kader van de herinrichting;
 zonder de uit te voeren werkzaamheden er nu geen reden is voor de gemeente om een kapvergunning voor alle bomen tegelijk aan te vragen;
 met de vormgeving van het herinrichtingsproject zoals die nu voorligt de bomen niet gespaard kunnen blijven.


19. Eisers betwisten ook de door de boomdeskundige in de BEA toegepaste methode voor het vaststellen van de toekomstverwachting van de bomen niet. Zij stellen daar wel een andere methode die tot een andere uitkomst zou leiden tegenover. Volgens hen hebben de bomen nog wel degelijk een reële toekomstverwachting en had het college de kapvergunning daarom niet mogen verlenen.

20. Op grond van vaste rechtspraak mag het college afgaan op het advies van een deskundige, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De rechtbank is met het college van oordeel dat wat eisers aanvoeren geen concrete aanknopingspunten geeft voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van de boomtechnisch adviseur, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. De door eisers zelf opgestelde ‘second opinion’ en de daarin toegepaste methode zijn daarvoor onvoldoende. Op de zitting hebben eisers toegelicht dat ze voor het opstellen van het stuk ruggespraak hebben gehouden met deskundigen en zelf onderzoek hebben gedaan. Maar zij hebben ook erkend zelf geen bomendeskundigen te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college dus afgaan op het advies van de boomtechnisch adviseur.

21. De conclusie van de boomtechnisch adviseur is dat de bomen bij gelijkblijvende omstandigheden een beperkte toekomstverwachting hebben en weinig regeneratief zijn. Dat wil zeggen dat de bomen weinig herstellend vermogen hebben en dus niet zo goed meer tegen een stootje kunnen. Het uitvoeren van de werkzaamheden voor de herinrichting zal het afsterven van de bomen tot gevolg hebben. De bomen hebben dus geen reële toekomstverwachting en dus mocht het college naar het oordeel van de rechtbank met toepassing van de uitzonderingsgrond voor het verlenen van een kapvergunning de kapvergunning verlenen.

22. Wat eisers aanvoeren over de mogelijkheden om de werkzaamheden voor het groot onderhoud aan de weg op een andere wijze uit te voeren, maakt dit oordeel niet anders. Het college moet beslissen op de aanvraag zoals deze door de aanvrager wordt ingediend. Bij het maken van die beslissing hoeft het college geen alternatieve werkwijzen voor het uitvoeren van de onderhoudswerkzaamheden te betrekken. Ook de vraag of de gemeente de beschermde bomen tot op heden met extra zorg zoals bedoeld in het Aangescherpt bomenreglement 2017 heeft behandeld, maakt geen onderdeel uit van het beoordelingskader voor het nemen van een beslissing op de aanvraag voor de kapvergunning.

23. Op de zitting hebben eisers nog een nieuwe beroepsgrond naar voren gebracht. Zij voerden daarin aan dat het verlenen van de kapvergunning in strijd is met de Europese Natuurherstelverordening. Omdat eisers deze beroepsgrond pas voor het eerst op de zitting naar voren hebben gebracht, heeft het college hierop niet adequaat kunnen reageren. Gelet op de goede procesorde laat de rechtbank deze beroepsgrond daarom buiten de boordeling van het geschil. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat grond 10.3 uit het beroepschrift waarin staat dat een analyse van het kroonoppervlak ontbreekt – waarnaar eisers op de zitting verwezen – niet hetzelfde is als een beroep op de Europese Natuurherstelverordening. De brief aan het college en de gemeenteraad van 22 juni 2026 hebben eisers met een e-mail van 23 juni 2026 slechts ter informatie aan de rechtbank overgelegd. Zij hebben hierbij geen aanvullende beroepsgrond ingediend.




Conclusie en gevolgen

24. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunningen in stand blijven en de gemeente daar gebruik van mag maken. En dus mogen de bomen worden gekapt.

25. Omdat de beroepen ongegrond zijn krijgen eisers het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb in combinatie met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.


Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.


Artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.


Met toepassing van artikel 6:6 van de Awb.


Artikel 28 van het bestemmingsplan ‘Binnenstad’, dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Oudewater.


Artikel 3.17, derde lid, aanhef en onder a, van de verordening fysieke leefomgeving.


De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:780 en 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4168.


Artikel 3:9 van de Awb.