Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4626

2026-07-09 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht 12061009 UM VERZ 26-376
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-09
Publicatiedatum
2026-07-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Proces-verbaal
Zaaknummer
12061009 UM VERZ 26-376
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wahv, verlaging boete uit 2025 vanwege strijd met het evenredigheidsbeginsel. De kantonrechter toetst in deze zaak ambtshalve aan het evenredigheidsbeginsel. De kantonrechter sluit aan bij de uitspraken van een andere kantonrechter van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707 en ECLI:NL:RBMNE:2026:3708) waarin de verhogingen van de boetebedragen uit 2024 en 2025 onverbindend zijn verklaard.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.015 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Strafrecht



zittingsplaats Utrecht



zaaknummer: 12061009 UM VERZ 26-376
CJIB-nummer: 272119071




beslissing van de kantonrechter van 9 juli 2026 en proces-verbaal van de zitting van 25 juni 2026




inzake



[betrokkene] , te [postcode] [plaats] , [adres] ,


hierna te noemen: betrokkene,
gemachtigde: Adviesbureau [gemachtigde] .





Procesverloop


Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van € 310,00. De sanctie is opgelegd voor een gedraging op 19 februari 2025 om 14:44 uur te Utrecht, knooppunt Rijnsweerd (A28) met de personenauto, kenteken [kenteken] . Het gaat om als bestuurder een puntstuk gebruiken.



Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.



Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.



De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 25 juni 2026 hun zienswijze nader toe te lichten. Gemachtigde is verschenen. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.



De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en twee weken later uitspraak gedaan.





Standpunten


Betrokkene heeft in het (aanvullend) beroepschrift samengevat het volgende aangevoerd:

- de gedraging is niet verricht;
- er wordt om proceskostenvergoeding verzocht.


De gemachtigde persisteert bij wat in het (aanvullend) beroepschrift is aangevoerd.



De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter ongegrond is en dat de gedraging kan worden vastgesteld op basis van de verklaring van de verbalisant.





Beoordeling


De kantonrechter stelt vast dat de gedraging is verricht en overweegt daartoe als volgt.



In zaken op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.



De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd, geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht. Daarbij wordt overwogen dat betrokkene betwist de gedraging te hebben verricht maar de enkele ontkenning is onvoldoende. Daarbij wordt overwogen dat verbalisanten getraind zijn om dit soort waarnemingen te doen. Ook uit het dossier blijken geen feiten of omstandigheden die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Het beroep is dan ook ongegrond.



De kantonrechter overweegt verder het volgende.



Met ingang van 1 maart 2024 zijn de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd, verhoogd met (ruim) 10%. Met ingang van 1 februari 2025 zijn de boetebedragen verder verhoogd met (afgerond) 3,2%. De algemene maatregelen van bestuur die aan deze verhogingen ten grondslag liggen, zijn door een andere kantonrechter van deze rechtbank getoetst in de uitspraken van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707 en ECLI:NL:RBMNE:2026:3708). In deze uitspraken is geoordeeld dat de verhogingen onverbindend zijn, omdat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.



Deze kantonrechter sluit zich aan bij het oordeel uit de uitspraken van 30 juni 2026 en verwijst naar de overwegingen uit die uitspraken. Dat heeft tot gevolg dat de betrokkene een boete had mogen krijgen ter hoogte van het bedrag dat voor deze overtreding gold vóór 1 maart 2024. Het beroep is in zoverre gegrond en de kantonrechter zal de boete vaststellen op € 280,-.



De kantonrechter ziet aanleiding om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten van de betrokkene. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand in de fase van administratief beroep wordt geen vergoeding toegekend, omdat de onrechtmatigheid in het boetebedrag niet te wijten is aan de ambtenaar die de boete heeft opgelegd. Voor de rechtsbijstand in de fase van beroep bij de kantonrechter krijgt de betrokkene € 934,- per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en de zitting bijgewoond. Vanwege de aard van de zaak hanteert de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (licht). De hoogte van de vergoeding wordt op grond van artikel 13a, tweede lid onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met 0,25, omdat de sanctie wordt gewijzigd en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden. De vergoeding bedraagt 2 x € 934,- x 0,5 x 0,25 = € 233,50.
Gelet op de grond tot wijziging van de beslissing van de officier van justitie, ziet de kantonrechter aanleiding om samenhang, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb aan te nemen in de twee zaken met CJIB-nummers:




CJIB-nummer 272119071, Zaaknummer 12061009 UM VERZ 26-376


CJIB-nummer 272859016, Zaaknummer 12006078 UM VERZ 25-8446




De hoogte van de door de officier van justitie te vergoeden proceskostenvergoeding per zaak wordt daarom bepaald door het toe te kennen bedrag te delen door het aantal samenhangende zaken. Omdat er sprake is van twee samenhangende zaken, zal wegingsfactor 1 worden gehanteerd. Aldus bedraagt de proceskostenvergoeding per zaak € 116,75 (€ 233,50/2 x 1). De officier van justitie mag de proceskosten uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van betrokkene.





Beslissing


De kantonrechter:


- verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
- wijzigt de beslissing van de officier van justitie;
- stelt het bedrag van de administratieve sanctie vast op € 280,- (exclusief
administratiekosten);
- bepaalt dat de officier van justitie aan betrokkene het te veel betaalde teruggeeft;
- veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de
betrokkene, ter hoogte van € 116,75.


Deze beslissing is genomen door mr. D. Verduijn, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.



de griffier, de kantonrechter,






mr. M.A.L. Hagenouw mr. D. Verduijn



Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:



de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of


uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.



Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.



Datum toezending proces-verbaal: