Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4621
2026-07-16
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
UTR 25/2787
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Artikel 2 Wet AVV; Toetsingskader AVV. De minister heeft het verzoek om dispensatie van de algemeen verbindend verklaarde cao Particulier Beveiliging 2023-2024 voor VVNL-leden mogen afwijzen. De minister heeft daarbij een juiste uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4372.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2024:4369 Raad van State 30-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4372 Raad van State 30-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4372 Raad van State 30-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2981 Rechtbank Den Haag 18-02-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.142 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2787
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen
1. Vereniging Veiligheidsdomein Nederland (VVNL)te Maastricht,
2. Alternatief voor Vakbond (AvV)te Amsterdam,
eisers
(gemachtigde: mr. J.P.C. Obbink),
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(gemachtigden: mr. A.S.M.J. Bol en mr. R.J. Vixeboxe).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
3. Nederlandse Veiligheidsbranche (NVB)te Den Haag
4. Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) te Utrecht
5. CNV Vakmensen (CNV)te Utrecht
6. Vereniging de Uniete Culemborg
(gemachtigden: mr. M.H.D. Vergouwen en mr. H.J.B. Hilberts).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eisers om dispensatie van het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Particuliere Beveiliging 2023-2024 (cao PB 2023-2024). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van hun verzoek. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het verzoek om dispensatie van de algemeen verbindend verklaarde cao PB heeft mogen afwijzen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. VVNL en NVB zijn werkgeversverenigingen in de beveiligingsbranche. Zij hebben ieder met de betrokken werknemersverenigingen eigen cao’s afgesloten. De NVB e.a hebben de cao PB (2023-2024) afgesloten. Eisers hebben de cao Veiligheidsdomein VD (2022-2024) afgesloten.
2.1.
Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de minister de bepalingen van de cao PB algemeen verbindend verklaard. Deze algemeenverbindendverklaring gold van 1 oktober 2022 tot 30 september 2024. Eisers hebben een dispensatieverzoek ingediend op grond van directe gebondenheid aan hun eigen cao VD. De minister heeft dit dispensatieverzoek met het primaire besluit van eveneens 17 januari 2024 voor een deel van de VBe NL-leden toegewezen.
2.2.
Op 30 oktober 2024 heeft de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) uitspraak gedaan in twee eerdere dispensatieprocedures. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister voor de algemeen verbindend verklaarde cao PB 2019-2020 en de cao PB 2021-2023 en SFPB 2021-2026 ten onrechte aan alle VBe NL-leden dispensatie heeft verleend.
2.3.
Met het bestreden besluit van 7 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024, de gedeeltelijk verleende dispensatie alsnog ingetrokken.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij hebben op 28 mei 2025, op 28 augustus 2025 en op 22 mei 2026 aanvullende gronden ingediend.
2.5.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
NVB e.a. hebben op 20 mei 2026 ook schriftelijk gereageerd.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaken UTR 25/2099 en UTR 22/5660 op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens AvV, dhr. [A] , bestuurder, en [B] , de gemachtigde van VVNL en AvV, de gemachtigden van de minister en de gemachtigden van NVB e.a.
Beoordeling door de rechtbank
3. In het bestreden besluit heeft de minister de gedeeltelijk verleende dispensatie, onder verwijzing naar de uitspraak van 30 oktober 2024 van de Afdeling, alsnog ingetrokken. De minister stelt zich daarbij op het standpunt dat het verrichten van gecombineerde beveiligingswerkzaamheden (reguliere en crowdmanagement) en het inzetten van flexibele arbeidskrachten geen specifieke bedrijfskenmerken zijn waarmee VVNL-leden op essentiële punten verschillen van ondernemingen die tot de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde cao behoren. Daarmee is volgens de minister geen sprake van zwaarwegende argumenten om het dispensatieverzoek toe te wijzen.
4. Eisers vinden dat de minister het dispensatieverzoek in het bestreden besluit ten onrechte heeft afgewezen. Zij voeren aan dat de minister de uitspraak van 30 oktober 2024 van de Afdeling onjuist heeft uitgelegd. Volgens eisers is de conclusie van de minister dat geen sprake (meer) is van zwaarwegende argumenten voor het verlenen van dispensatie onjuist en kan die ook niet uit de uitspraak van de Afdeling worden afgeleid. De Afdeling heeft enkel geoordeeld dat onvoldoende is gemotiveerd dat ieder afzonderlijk VVNL-lid of iedere duidelijk omlijnde categorie VVNL-leden de specifieke bedrijfskenmerken hebben die op essentiële punten verschillen van de ondernemingen die tot de werkingssfeer van de algemeenverbindend verklaarde cao PB behoren en die maken dat van hen niet kan worden gevraagd aan de bepalingen deze cao te voldoen. Eisers voeren aan dat de minister eerst nader onderzoek had moeten doen en VVNL-leden in de gelegenheid had moeten stellen haar dispensatieverzoek nader te onderbouwen. Eisers verwijzen in dat kader naar de beslissing van de minister genomen op het dispensatieverzoek van E-commerce Nederland en de bijbehorende documenten verkregen op grond van de Wet open overheid. Door het niet actief invulling geven aan de onderzoeksplicht, is volgens eisers het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en daarmee in strijd met het Toetsingskader AVV en met artikel 3:2 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) genomen. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit onaanvaardbare financiële en arbeidsrechtelijke gevolgen heeft voor de VVNL-leden en hun werknemers en in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eisers wijzen erop dat de minister sinds 2019 (6 jaar) op basis van de specifieke bedrijfskenmerken van de VVNL-leden geoordeeld heeft dat wel sprake is van zwaarwegende argumenten waardoor toepassing van de algemeenverbindend verklaarde cao PB redelijkerwijs van hen niet kon worden gevergd.
Wat is het toetsingskader?
5. Op grond van artikel 2, eerste lid van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Wet AVV) kan de minister toepassing geven aan zijn bevoegdheid tot het verlenen van dispensatie van algemeenverbindendverklaring. Het verlenen van dispensatie geschiedt in lijn met de doelstelling van de Wet AVV. Een verzoek om dispensatie wordt alleen in behandeling genomen wanneer deze is voorzien van een motivering waaruit blijkt dat de beoogde dispensatie aansluit bij deze doelstelling. Dispensatie van algemeenverbindendverklaring wordt alleen verleend indien vanwege zwaarwegende argumenten toepassing van de bedrijfstak-cao door middel van algemeenverbindendverklaring redelijkerwijze niet kan worden gevergd. Van zwaarwegende argumenten is met name sprake als de specifieke bedrijfskenmerken op essentiële punten verschillen van de ondernemingen die tot de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde cao gerekend kunnen worden. Weging van de afzonderlijke arbeidsvoorwaardenpakketten vindt in het kader van een dispensatieverzoek niet plaats.
Heeft de minister de uitspraak van de Afdeling onjuist uitgelegd?
6. In de uitspraak van 30 oktober 2024 heeft de Afdeling, voor zover van belang, geoordeeld dat de minister er ten onrechte van is uitgegaan dat alle VVNL-leden specifieke bedrijfskenmerken hebben (het verrichten van gecombineerde beveiligingswerkzaamheden en het inzetten van flexibele arbeidskrachten) die op essentiële punten verschillen van de ondernemingen die tot de werkingssfeer van de algemeenverbindend verklaarde cao’s gerekend kunnen worden. Daarom mocht de minister niet oordelen dat er voor alle VVNL-leden sprake is van zwaarwegende argumenten waardoor toepassing van de algemeenverbindend verklaarde cao’s redelijkerwijze niet van hen gevergd kan worden. Om te kunnen concluderen dat alle VVNL-leden de hiervoor bedoelde specifieke bedrijfskenmerken hebben, moet aannemelijk gemaakt zijn dat ieder afzonderlijk VVNL-lid, of tenminste iedere duidelijk omlijnde categorie VVNL-leden, die specifieke bedrijfskenmerken heeft. Dispensatieverlening is immers niet bedoeld voor ondernemingen die wel lid zijn van de VVNL, maar die specifieke bedrijfskenmerken niet hebben. De Afdeling heeft verder geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat ieder afzonderlijk VVNL-lid of iedere duidelijk omlijnde categorie VVNL-leden de hiervoor bedoelde specifieke bedrijfskenmerken heeft. De minister is er daarom ten onrechte vanuit gegaan dat alle VVNL-leden die specifieke bedrijfskenmerken hebben en heeft ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van zwaarwegende argumenten waardoor toepassing van de algemeenverbindend verklaarde cao’s redelijkerwijze niet van hen gevergd kan worden.
6.1.
De minister heeft in het bestreden besluit op grond van de uitspraak van de Afdeling, het volgende geconcludeerd:
“ De Afdeling heeft geoordeeld dat het verrichten van gecombineerde beveiligingswerkzaamheden en het inzetten van flexibele arbeidskrachten geen specifieke bedrijfskenmerken zijn waarmee leden van VVNL op essentiële punten verschillen van de ondernemingen die tot de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde cao behoren. Dit kan volgens de Afdeling tevens niet uit de werkingssfeer van de Cao Particuliere Beveiliging worden afgeleid. De Afdeling concludeert in beide zaken dat dit tot afwijzing van de dispensatieverzoeken had moeten leiden.
Gezien het feit dat de Afdeling heeft geoordeeld dat geen sprake is van specifieke bedrijfskenmerken en zwaarwegende argumenten, heeft dit tot gevolg dat ook geen dispensatie verleend had mogen worden van de Cao PB 2023-2024. Deze dispensatie is immers gebaseerd op dezelfde informatie en feitelijke onderbouwing. Ook in deze procedure is de door VVNL en het AVV ingebrachte informatie algemeen van aard en bevat geen feitelijke onderbouwing voor het dispensatieverzoek. Daarbij is het niet aannemelijk dat ieder afzonderlijk lid van VVNL of iedere duidelijk omlijnde categorie VVNL-leden de bedoelde specifieke bedrijfskenmerken heeft.”
6.2.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 niet is af te leiden dat het verrichten van gecombineerde beveiligingswerkzaamheden en het inzetten van flexibele arbeidskrachten geen relevante specifieke bedrijfskenmerken argumenten zijn. Uit deze uitspraak volgt wel dat de minister er ten onrechte van was uitgegaan dat alle VVNL-leden specifieke bedrijfskenmerken hebben die op essentiële punten verschillen van de ondernemingen die tot de werkingssfeer van de algemeenverbindend verklaarde cao’s gerekend kunnen worden. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling dat, om te kunnen concluderen dat alle leden de bedoelde specifieke bedrijfskenmerken hebben, aannemelijk gemaakt moet worden dat ieder afzonderlijk lid, of ten minste iedere duidelijk omlijnde categorie leden, die specifieke bedrijfskenmerken (gecombineerde beveiligingswerkzaamheden en inzet flexibele arbeidskrachten) heeft. Nu dat niet aannemelijk is geworden, heeft de minister volgens de Afdeling ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van zwaarwegende argumenten waardoor toepassing van de algemeenverbindend verklaarde cao’s redelijkerwijze niet van VVNL-leden gevergd kan worden.
6.3.
De kern van de uitspraak van de Afdeling is dus dat niet aannemelijk is gemaakt dat ieder afzonderlijk VVNL-lid, of ten minste iedere duidelijk omlijnde categorie leden, die specifieke bedrijfskenmerken heeft en er daarom geen zwaarwegende argumenten zijn om de gevraagde dispensatie aan alle VVNL-leden te verlenen. Nu vaststaat dat het onderhavige dispensatieverzoek van eisers is gebaseerd op dezelfde motivering en feitelijke informatie als het dispensatieverzoek in de uitspraak van 30 oktober 2024, heeft de minister in het bestreden besluit, in navolging van het oordeel van de Afdeling, terecht aangenomen dat geen sprake is van zwaarwegende argumenten om de gevraagde dispensatie van de algemeen verbindend verklaarde cao PB 2023-2024 voor alle VVNL-leden toe te wijzen. De minister brengt dit op juiste wijze tot uitdrukking in de laatste zin van het hierboven weergegeven citaat uit het bestreden besluit, waarin op aannemelijkheid is getoetst. Van een onjuiste uitleg van de uitspraak van de Afdeling is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
Heeft de minister de onderzoeksplicht geschonden?
7. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 30 oktober 2024 heeft overwogen, moet de minister bij de voorbereiding van een besluit tot dispensatie onderzoek verrichten naar de relevante feiten en af te wegen belangen, om zich daarover zelfstandig een oordeel te kunnen vormen. Dat betekent niet dat de minister zelf moet onderzoeken welke motivering aan een dispensatieverzoek ten grondslag zou kunnen worden gelegd. Het is in beginsel aan de aanvrager om een aanvraag te motiveren en te onderbouwen. Dit is ook het uitgangspunt van het Toetsingskader AVV. De minister mag de door de dispensatieverzoeker gegeven motivering niet zonder meer voor waar of dragend aannemen, zeker niet als, zoals in dit geval, die motivering wordt betwist door de bij de algemeen verbindend verklaarde cao betrokken partijen. De minister moet in zo’n geval ook die betwisting bij zijn onderzoek betrekken en zich over de aan de aanvraag gegeven onderbouwing en de betwisting daarvan een zelfstandig oordeel vormen. Verder kan de minister, naar aanleiding van eventueel bij hem gerezen twijfels over de motivering, de dispensatieverzoeker in de gelegenheid stellen het verzoek nader te onderbouwen of andere belanghebbenden om informatie vragen. Deze mogelijkheden worden in het Toetsingskader AVV vermeld, juist met het oog op die vereiste eigen oordeelsvorming van de minister. Op basis van zijn onderzoek moet de minister een besluit op het dispensatieverzoek nemen waarin hij zijn oordeel geeft over de aan de dispensatieverzoeken ten grondslag gelegde motivering, inclusief de daaraan ten grondslag gelegde onderbouwing en rapporten. Dit besluit moet hij deugdelijk motiveren.
7.1.
Eisers hebben voor de onderbouwing van hun onderhavige dispensatieverzoek verwezen naar dezelfde SEO rapporten die de Afdeling in de uitspraak 30 oktober 2024 bij de beoordeling van het dispensatiebesluit van 5 oktober 2022 heeft betrokken. De Afdeling heeft geoordeeld dat op basis van die algemene informatie van de SEO rapporten, waarin de tussen de betrokken ondernemingen onderling bestaande verschillen zijn uitgemiddeld, niet kan worden aangenomen dat ieder afzonderlijk VVNL-lid of iedere duidelijk omlijnde categorie VVNL-leden de hiervoor bedoelde specifieke bedrijfskenmerken heeft. Hierbij acht de Afdeling van belang dat deze specifieke bedrijfskenmerken berusten op graduele verschillen tussen VVNL-leden en NVB-leden. Ook NVB-leden verrichten immers gecombineerde werkzaamheden en zetten flexibele arbeidskrachten in. Hierdoor en wegens de hiervoor bedoelde uitmiddeling van verschillen kan niet worden uitgesloten dat sommige VVNL-leden in feite in gelijke mate als of in mindere mate dan NVB-leden gecombineerde werkzaamheden verrichten of flexibele arbeidskrachten inzetten. Hierbij is verder van belang dat de VVNL geen specifieke eisen stelt, en stelde, aan de bedrijfskenmerken van haar leden. Lidmaatschap staat, en stond, dus ook open voor ondernemingen zonder de hier bedoelde specifieke bedrijfskenmerken. Ten slotte is van belang dat niet in geschil is dat er daadwerkelijk VVNL-leden zijn die geen gecombineerde beveiligingswerkzaamheden verrichten, aldus de Afdeling.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister bij het bestreden besluit een juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling. Uit deze uitspraak volgt niet dat de minister in dit geval VVNL had moeten vragen om het dispensatieverzoek nader te onderbouwen of zelf nader onderzoek naar die onderbouwing moeten doen. Op grond van het Toetsingskader AVV hoeft de minister alleen bij twijfels over de motivering de dispensatieverzoeker in de gelegenheid stellen het verzoek nader te onderbouwen of andere belanghebbenden om informatie vragen. Van zodanige twijfel is gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 geen sprake meer. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eisers zelf, sinds de genoemde uitspraak van de afdeling, geen concrete actie lijkt te hebben ondernomen om alsnog met gedetailleerde informatie over (een deel van) haar leden aannemelijk te maken dat sprake is van specifieke bedrijfskenmerken. Ook is niet aangevoerd wat eisers in een eventueel nader onderzoek hadden kunnen of willen inbrengen. Eisers hebben met de motivering van hun dispensatieverzoek en de daarbij overgelegde SEO rapporten niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van specifieke bedrijfskenmerken, waarmee ieder afzonderlijk VVNL-lid of iedere duidelijk omlijnde categorie VVNL-leden zich onderscheidt van NVB-leden. Daarmee hebben eisers niet voldaan aan de verplichting van het Toetsingskader AVV om het dispensatieverzoek voldoende te onderbouwen. Reeds op grond daarvan bestaat voor de minister geen grond om de gevraagde dispensatie van de algemeenverbindend verklaarde cao PB 2023-2024 aan alle VVNL-leden te verlenen. De verwijzing van eisers naar de dispensatiebeslissing van E-commerce Nederland maakt dat niet anders, omdat die beslissing ziet op de cao voor het Levensmiddelenbedrijf en daarmee op een andere feitelijk situatie. Dat de minister voor het nemen van die dispensatiebeslissing vooraf vragen heeft gesteld aan de betrokken partijen, betekent niet dat hij dat alleen al daarom hier ook had moeten doen. Van strijd met de onderzoeksplicht is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Gelet op de uitspraak van de Afdeling had voor eisers voldoende duidelijk moeten zijn wat van die zijde verwacht werd om aan de bewijslast te voldoen, maar eisers hebben daaraan geen gevolg gegeven.
Beroep op het evenredigheidsbeginsel.
8. Eisers hebben deze beroepsgrond pas op de zitting naar voren gebracht. Daarbij hebben eisers gesteld dat sprake is bijzondere omstandigheden die maken dat het besluit van de minister in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, maar zij hebben dat niet nader onderbouwd. Gelet op de goede procesorde laat de rechtbank deze beroepsgrond daarom buiten bespreking. Daarbij merkt de rechtbank op dat eisers sinds de uitspraak van de Afdeling weten dat zij aan de algemeenverbindend verklaarde cao’s PB en SFPB moeten voldoen en zijn ook al langer op de hoogte van de gevolgen van het (moeten) toepassen van die algemeenverbindend verklaarde cao’s.
Toetsing aan Europees recht
9. Eisers voeren aan dat de minister bij toepassing van het Toetsingskader AVV ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het EU-recht, waaronder artikel 28 van het EU-Handvest dat het recht op collectieve onderhandelingen en collectieve actie beschermt. Eisers stellen dat de algemeenverbindendverklaring cao PB ongerechtvaardigd de vrijheid van onderhandelen beperkt voor andere partijen dan cao-partijen PB. Dit is mede het gevolg van het intrekken van de eerder aan eisers verleende dispensaties. Volgens eisers zijn de uitspraken van de Afdeling in strijd met het EU-recht, waaronder de ILO-verdragen, althans had de Afdeling hierover prejudiciële vragen moeten stellen. Nu de EU-rechtsbeginselen, zoals de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting, in dit geval zijn geschonden, zijn de uitspraken volgens eisers (ook) onrechtmatig.
9.1.
In de uitspraak van 26 februari 2026 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat in de kwesties die bij de Afdeling ter beoordeling voorlagen geen voorschrift of rechtsregel van Unierecht aan de orde was. Het ging om de voorwaarden voor dispensatie van een algemeen verbindend verklaarde cao zoals opgenomen in de Wet AVV en het Toetsingskader AVV. Er is geen Unierecht dat de voorwaarden voor dispensatie van een algemeen verbindend verklaarde cao voorschrijft. Ook blijkt niet dat de Wet AVV of het Toetsingskader AVV Unierecht omzet, uitvoert of implementeert of anderszins bij het Unierecht aanknoopt. Ten aanzien van de ILO-verdragen, waar door VVNL c.s. naar is verwezen, geldt dat deze vallen buiten het kader van het Unierecht. Dit betekent dat uit geen enkel concreet element van de uitspraken van de Afdeling kan worden opgemaakt dat er een band bestaat tussen het voorwerp van die procedures en het recht van de Unie. Het enkele beroep dat VVNL c.s. (pas) in deze procedure doen op artikelen 28 en 47 Handvest maakt dat niet anders. Het Unierecht was dus niet van toepassing op de procedures bij de Afdeling. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de stellingen die VVNL c.s. in verband daarmee hebben ingenomen, zoals de stelling dat de Afdeling ten onrechte niet (ambtshalve) heeft getoetst aan artikel 28 en 47 Handvest en de stelling dat de Afdeling ten onrechte heeft nagelaten om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU, aldus het oordeel van de rechtbank Den Haag.
9.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen dan de rechtbank Den Haag. Het Unierecht is daarom evenmin van toepassing op deze dispensatieprocedure. Eisers hebben daartoe ook geen argumenten aangevoerd. De enkele stelling van eisers dat zij tegen de uitspraak van rechtbank Den Haag een hoger beroep voorbereiden, is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Strijd met mededingingsrecht
10. Eisers voeren verder aan dat de cao PB onverenigbaar is met het kartelverbod van artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet (Mw), omdat sprake is van onderling afgestemde gedragingen die ertoe leiden dat mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Volgens eisers brengt de cao PB, vanwege het lagere salarisniveau ten opzichte van de cao VD, geen verbetering van de arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid in de beveiligingsbranche met zich mee en kunnen zij daarom niet profiteren van de in artikel 16 Mw geboden uitzondering op het kartelverbod. Eisers verwijzen voor hun onderbouwing naar het Memorandum van 31 december 2024 van Maverick Advocaten over de schending van het mededingingsrecht door NVB. Daarin is geconcludeerd dat de Cao PB onverenigbaar is met het kartelverbod en NVB maakt misbruik van zijn machtspositie, waardoor VVNL schade lijdt.
10.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat cao-afspraken die direct betrekking hebben op arbeidsvoorwaarden in de regel buiten artikel 6 Mw vallen. De in de cao PB geregelde arbeidsvoorwaarden zijn daarmee ook niet in strijd en vallen daarom onder de cao-exceptie van artikel 16 Mw. Het enkele feit dat de cao VD op onderdelen, zoals de salariëring, betere arbeidsvoorwaarden bevat, doet volgens de minister aan deze conclusie niets af. Daarbij is de cao PB een minimum cao en staat het eisers, ook gedurende de periode van algemeenverbindendverklaring van de cao, vrij om voor hun leden eigen, gunstigere arbeidsvoorwaarden toe te passen.
10.2.
De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat overeenkomsten die in het kader van onderhandelingen tussen de sociale partners worden gesloten en die ertoe strekken de werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden van werknemers te verbeteren, naar hun aard en doel niet vallen onder het kartelverbod van artikel 6 Mw. Op grond van de zogeheten cao-exceptie van artikel 16 Mw, waarin wordt verwezen naar artikel 1 van de Wet op de cao, vallen cao’s daarom buiten het kartelverbod. Dit geldt dus ook voor de cao PB. De vraag of de algemeenverbindendverklaring cao dan wel het gedrag van NVB-leden in strijd is met het mededingingsrecht, ligt in deze procedure ook niet ter boordeling voor. Dat past ook niet in het toetsingskader AVV. Dat het bestreden besluit in strijd is met het mededingingsrecht hebben eisers hebben ook niet aangetoond. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van de minister tot afwijzing van dispensatie van de algemeen verbindend verklaarde cao PB 2023-2024 in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
De griffier is niet in de gelegenheidte ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rechtsopvolger van de Vereniging Beveiligingsorganisaties Nederland (VBe NL).
ECLI:NL:RVS:2024:4369 en ECLI:NL:RVS:2024:4372.
ECLI:NL:RVS:2024:4372.
Dispensatiebeslissing van 22 september 2025, JAR 2025,274.
Toetsingskader algemeenverbindendverklaring cao-bepalingen (AVV).
Paragraaf 7 van het Toetsingskader AVV.
ECLI:NL:RBDHA:2026:2981.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2787
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen
1. Vereniging Veiligheidsdomein Nederland (VVNL)te Maastricht,
2. Alternatief voor Vakbond (AvV)te Amsterdam,
eisers
(gemachtigde: mr. J.P.C. Obbink),
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(gemachtigden: mr. A.S.M.J. Bol en mr. R.J. Vixeboxe).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
3. Nederlandse Veiligheidsbranche (NVB)te Den Haag
4. Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) te Utrecht
5. CNV Vakmensen (CNV)te Utrecht
6. Vereniging de Uniete Culemborg
(gemachtigden: mr. M.H.D. Vergouwen en mr. H.J.B. Hilberts).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eisers om dispensatie van het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Particuliere Beveiliging 2023-2024 (cao PB 2023-2024). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van hun verzoek. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het verzoek om dispensatie van de algemeen verbindend verklaarde cao PB heeft mogen afwijzen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. VVNL en NVB zijn werkgeversverenigingen in de beveiligingsbranche. Zij hebben ieder met de betrokken werknemersverenigingen eigen cao’s afgesloten. De NVB e.a hebben de cao PB (2023-2024) afgesloten. Eisers hebben de cao Veiligheidsdomein VD (2022-2024) afgesloten.
2.1.
Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de minister de bepalingen van de cao PB algemeen verbindend verklaard. Deze algemeenverbindendverklaring gold van 1 oktober 2022 tot 30 september 2024. Eisers hebben een dispensatieverzoek ingediend op grond van directe gebondenheid aan hun eigen cao VD. De minister heeft dit dispensatieverzoek met het primaire besluit van eveneens 17 januari 2024 voor een deel van de VBe NL-leden toegewezen.
2.2.
Op 30 oktober 2024 heeft de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) uitspraak gedaan in twee eerdere dispensatieprocedures. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister voor de algemeen verbindend verklaarde cao PB 2019-2020 en de cao PB 2021-2023 en SFPB 2021-2026 ten onrechte aan alle VBe NL-leden dispensatie heeft verleend.
2.3.
Met het bestreden besluit van 7 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024, de gedeeltelijk verleende dispensatie alsnog ingetrokken.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij hebben op 28 mei 2025, op 28 augustus 2025 en op 22 mei 2026 aanvullende gronden ingediend.
2.5.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
NVB e.a. hebben op 20 mei 2026 ook schriftelijk gereageerd.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaken UTR 25/2099 en UTR 22/5660 op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens AvV, dhr. [A] , bestuurder, en [B] , de gemachtigde van VVNL en AvV, de gemachtigden van de minister en de gemachtigden van NVB e.a.
Beoordeling door de rechtbank
3. In het bestreden besluit heeft de minister de gedeeltelijk verleende dispensatie, onder verwijzing naar de uitspraak van 30 oktober 2024 van de Afdeling, alsnog ingetrokken. De minister stelt zich daarbij op het standpunt dat het verrichten van gecombineerde beveiligingswerkzaamheden (reguliere en crowdmanagement) en het inzetten van flexibele arbeidskrachten geen specifieke bedrijfskenmerken zijn waarmee VVNL-leden op essentiële punten verschillen van ondernemingen die tot de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde cao behoren. Daarmee is volgens de minister geen sprake van zwaarwegende argumenten om het dispensatieverzoek toe te wijzen.
4. Eisers vinden dat de minister het dispensatieverzoek in het bestreden besluit ten onrechte heeft afgewezen. Zij voeren aan dat de minister de uitspraak van 30 oktober 2024 van de Afdeling onjuist heeft uitgelegd. Volgens eisers is de conclusie van de minister dat geen sprake (meer) is van zwaarwegende argumenten voor het verlenen van dispensatie onjuist en kan die ook niet uit de uitspraak van de Afdeling worden afgeleid. De Afdeling heeft enkel geoordeeld dat onvoldoende is gemotiveerd dat ieder afzonderlijk VVNL-lid of iedere duidelijk omlijnde categorie VVNL-leden de specifieke bedrijfskenmerken hebben die op essentiële punten verschillen van de ondernemingen die tot de werkingssfeer van de algemeenverbindend verklaarde cao PB behoren en die maken dat van hen niet kan worden gevraagd aan de bepalingen deze cao te voldoen. Eisers voeren aan dat de minister eerst nader onderzoek had moeten doen en VVNL-leden in de gelegenheid had moeten stellen haar dispensatieverzoek nader te onderbouwen. Eisers verwijzen in dat kader naar de beslissing van de minister genomen op het dispensatieverzoek van E-commerce Nederland en de bijbehorende documenten verkregen op grond van de Wet open overheid. Door het niet actief invulling geven aan de onderzoeksplicht, is volgens eisers het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en daarmee in strijd met het Toetsingskader AVV en met artikel 3:2 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) genomen. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit onaanvaardbare financiële en arbeidsrechtelijke gevolgen heeft voor de VVNL-leden en hun werknemers en in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eisers wijzen erop dat de minister sinds 2019 (6 jaar) op basis van de specifieke bedrijfskenmerken van de VVNL-leden geoordeeld heeft dat wel sprake is van zwaarwegende argumenten waardoor toepassing van de algemeenverbindend verklaarde cao PB redelijkerwijs van hen niet kon worden gevergd.
Wat is het toetsingskader?
5. Op grond van artikel 2, eerste lid van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Wet AVV) kan de minister toepassing geven aan zijn bevoegdheid tot het verlenen van dispensatie van algemeenverbindendverklaring. Het verlenen van dispensatie geschiedt in lijn met de doelstelling van de Wet AVV. Een verzoek om dispensatie wordt alleen in behandeling genomen wanneer deze is voorzien van een motivering waaruit blijkt dat de beoogde dispensatie aansluit bij deze doelstelling. Dispensatie van algemeenverbindendverklaring wordt alleen verleend indien vanwege zwaarwegende argumenten toepassing van de bedrijfstak-cao door middel van algemeenverbindendverklaring redelijkerwijze niet kan worden gevergd. Van zwaarwegende argumenten is met name sprake als de specifieke bedrijfskenmerken op essentiële punten verschillen van de ondernemingen die tot de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde cao gerekend kunnen worden. Weging van de afzonderlijke arbeidsvoorwaardenpakketten vindt in het kader van een dispensatieverzoek niet plaats.
Heeft de minister de uitspraak van de Afdeling onjuist uitgelegd?
6. In de uitspraak van 30 oktober 2024 heeft de Afdeling, voor zover van belang, geoordeeld dat de minister er ten onrechte van is uitgegaan dat alle VVNL-leden specifieke bedrijfskenmerken hebben (het verrichten van gecombineerde beveiligingswerkzaamheden en het inzetten van flexibele arbeidskrachten) die op essentiële punten verschillen van de ondernemingen die tot de werkingssfeer van de algemeenverbindend verklaarde cao’s gerekend kunnen worden. Daarom mocht de minister niet oordelen dat er voor alle VVNL-leden sprake is van zwaarwegende argumenten waardoor toepassing van de algemeenverbindend verklaarde cao’s redelijkerwijze niet van hen gevergd kan worden. Om te kunnen concluderen dat alle VVNL-leden de hiervoor bedoelde specifieke bedrijfskenmerken hebben, moet aannemelijk gemaakt zijn dat ieder afzonderlijk VVNL-lid, of tenminste iedere duidelijk omlijnde categorie VVNL-leden, die specifieke bedrijfskenmerken heeft. Dispensatieverlening is immers niet bedoeld voor ondernemingen die wel lid zijn van de VVNL, maar die specifieke bedrijfskenmerken niet hebben. De Afdeling heeft verder geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat ieder afzonderlijk VVNL-lid of iedere duidelijk omlijnde categorie VVNL-leden de hiervoor bedoelde specifieke bedrijfskenmerken heeft. De minister is er daarom ten onrechte vanuit gegaan dat alle VVNL-leden die specifieke bedrijfskenmerken hebben en heeft ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van zwaarwegende argumenten waardoor toepassing van de algemeenverbindend verklaarde cao’s redelijkerwijze niet van hen gevergd kan worden.
6.1.
De minister heeft in het bestreden besluit op grond van de uitspraak van de Afdeling, het volgende geconcludeerd:
“ De Afdeling heeft geoordeeld dat het verrichten van gecombineerde beveiligingswerkzaamheden en het inzetten van flexibele arbeidskrachten geen specifieke bedrijfskenmerken zijn waarmee leden van VVNL op essentiële punten verschillen van de ondernemingen die tot de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde cao behoren. Dit kan volgens de Afdeling tevens niet uit de werkingssfeer van de Cao Particuliere Beveiliging worden afgeleid. De Afdeling concludeert in beide zaken dat dit tot afwijzing van de dispensatieverzoeken had moeten leiden.
Gezien het feit dat de Afdeling heeft geoordeeld dat geen sprake is van specifieke bedrijfskenmerken en zwaarwegende argumenten, heeft dit tot gevolg dat ook geen dispensatie verleend had mogen worden van de Cao PB 2023-2024. Deze dispensatie is immers gebaseerd op dezelfde informatie en feitelijke onderbouwing. Ook in deze procedure is de door VVNL en het AVV ingebrachte informatie algemeen van aard en bevat geen feitelijke onderbouwing voor het dispensatieverzoek. Daarbij is het niet aannemelijk dat ieder afzonderlijk lid van VVNL of iedere duidelijk omlijnde categorie VVNL-leden de bedoelde specifieke bedrijfskenmerken heeft.”
6.2.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 niet is af te leiden dat het verrichten van gecombineerde beveiligingswerkzaamheden en het inzetten van flexibele arbeidskrachten geen relevante specifieke bedrijfskenmerken argumenten zijn. Uit deze uitspraak volgt wel dat de minister er ten onrechte van was uitgegaan dat alle VVNL-leden specifieke bedrijfskenmerken hebben die op essentiële punten verschillen van de ondernemingen die tot de werkingssfeer van de algemeenverbindend verklaarde cao’s gerekend kunnen worden. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling dat, om te kunnen concluderen dat alle leden de bedoelde specifieke bedrijfskenmerken hebben, aannemelijk gemaakt moet worden dat ieder afzonderlijk lid, of ten minste iedere duidelijk omlijnde categorie leden, die specifieke bedrijfskenmerken (gecombineerde beveiligingswerkzaamheden en inzet flexibele arbeidskrachten) heeft. Nu dat niet aannemelijk is geworden, heeft de minister volgens de Afdeling ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van zwaarwegende argumenten waardoor toepassing van de algemeenverbindend verklaarde cao’s redelijkerwijze niet van VVNL-leden gevergd kan worden.
6.3.
De kern van de uitspraak van de Afdeling is dus dat niet aannemelijk is gemaakt dat ieder afzonderlijk VVNL-lid, of ten minste iedere duidelijk omlijnde categorie leden, die specifieke bedrijfskenmerken heeft en er daarom geen zwaarwegende argumenten zijn om de gevraagde dispensatie aan alle VVNL-leden te verlenen. Nu vaststaat dat het onderhavige dispensatieverzoek van eisers is gebaseerd op dezelfde motivering en feitelijke informatie als het dispensatieverzoek in de uitspraak van 30 oktober 2024, heeft de minister in het bestreden besluit, in navolging van het oordeel van de Afdeling, terecht aangenomen dat geen sprake is van zwaarwegende argumenten om de gevraagde dispensatie van de algemeen verbindend verklaarde cao PB 2023-2024 voor alle VVNL-leden toe te wijzen. De minister brengt dit op juiste wijze tot uitdrukking in de laatste zin van het hierboven weergegeven citaat uit het bestreden besluit, waarin op aannemelijkheid is getoetst. Van een onjuiste uitleg van de uitspraak van de Afdeling is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
Heeft de minister de onderzoeksplicht geschonden?
7. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 30 oktober 2024 heeft overwogen, moet de minister bij de voorbereiding van een besluit tot dispensatie onderzoek verrichten naar de relevante feiten en af te wegen belangen, om zich daarover zelfstandig een oordeel te kunnen vormen. Dat betekent niet dat de minister zelf moet onderzoeken welke motivering aan een dispensatieverzoek ten grondslag zou kunnen worden gelegd. Het is in beginsel aan de aanvrager om een aanvraag te motiveren en te onderbouwen. Dit is ook het uitgangspunt van het Toetsingskader AVV. De minister mag de door de dispensatieverzoeker gegeven motivering niet zonder meer voor waar of dragend aannemen, zeker niet als, zoals in dit geval, die motivering wordt betwist door de bij de algemeen verbindend verklaarde cao betrokken partijen. De minister moet in zo’n geval ook die betwisting bij zijn onderzoek betrekken en zich over de aan de aanvraag gegeven onderbouwing en de betwisting daarvan een zelfstandig oordeel vormen. Verder kan de minister, naar aanleiding van eventueel bij hem gerezen twijfels over de motivering, de dispensatieverzoeker in de gelegenheid stellen het verzoek nader te onderbouwen of andere belanghebbenden om informatie vragen. Deze mogelijkheden worden in het Toetsingskader AVV vermeld, juist met het oog op die vereiste eigen oordeelsvorming van de minister. Op basis van zijn onderzoek moet de minister een besluit op het dispensatieverzoek nemen waarin hij zijn oordeel geeft over de aan de dispensatieverzoeken ten grondslag gelegde motivering, inclusief de daaraan ten grondslag gelegde onderbouwing en rapporten. Dit besluit moet hij deugdelijk motiveren.
7.1.
Eisers hebben voor de onderbouwing van hun onderhavige dispensatieverzoek verwezen naar dezelfde SEO rapporten die de Afdeling in de uitspraak 30 oktober 2024 bij de beoordeling van het dispensatiebesluit van 5 oktober 2022 heeft betrokken. De Afdeling heeft geoordeeld dat op basis van die algemene informatie van de SEO rapporten, waarin de tussen de betrokken ondernemingen onderling bestaande verschillen zijn uitgemiddeld, niet kan worden aangenomen dat ieder afzonderlijk VVNL-lid of iedere duidelijk omlijnde categorie VVNL-leden de hiervoor bedoelde specifieke bedrijfskenmerken heeft. Hierbij acht de Afdeling van belang dat deze specifieke bedrijfskenmerken berusten op graduele verschillen tussen VVNL-leden en NVB-leden. Ook NVB-leden verrichten immers gecombineerde werkzaamheden en zetten flexibele arbeidskrachten in. Hierdoor en wegens de hiervoor bedoelde uitmiddeling van verschillen kan niet worden uitgesloten dat sommige VVNL-leden in feite in gelijke mate als of in mindere mate dan NVB-leden gecombineerde werkzaamheden verrichten of flexibele arbeidskrachten inzetten. Hierbij is verder van belang dat de VVNL geen specifieke eisen stelt, en stelde, aan de bedrijfskenmerken van haar leden. Lidmaatschap staat, en stond, dus ook open voor ondernemingen zonder de hier bedoelde specifieke bedrijfskenmerken. Ten slotte is van belang dat niet in geschil is dat er daadwerkelijk VVNL-leden zijn die geen gecombineerde beveiligingswerkzaamheden verrichten, aldus de Afdeling.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister bij het bestreden besluit een juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling. Uit deze uitspraak volgt niet dat de minister in dit geval VVNL had moeten vragen om het dispensatieverzoek nader te onderbouwen of zelf nader onderzoek naar die onderbouwing moeten doen. Op grond van het Toetsingskader AVV hoeft de minister alleen bij twijfels over de motivering de dispensatieverzoeker in de gelegenheid stellen het verzoek nader te onderbouwen of andere belanghebbenden om informatie vragen. Van zodanige twijfel is gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 geen sprake meer. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eisers zelf, sinds de genoemde uitspraak van de afdeling, geen concrete actie lijkt te hebben ondernomen om alsnog met gedetailleerde informatie over (een deel van) haar leden aannemelijk te maken dat sprake is van specifieke bedrijfskenmerken. Ook is niet aangevoerd wat eisers in een eventueel nader onderzoek hadden kunnen of willen inbrengen. Eisers hebben met de motivering van hun dispensatieverzoek en de daarbij overgelegde SEO rapporten niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van specifieke bedrijfskenmerken, waarmee ieder afzonderlijk VVNL-lid of iedere duidelijk omlijnde categorie VVNL-leden zich onderscheidt van NVB-leden. Daarmee hebben eisers niet voldaan aan de verplichting van het Toetsingskader AVV om het dispensatieverzoek voldoende te onderbouwen. Reeds op grond daarvan bestaat voor de minister geen grond om de gevraagde dispensatie van de algemeenverbindend verklaarde cao PB 2023-2024 aan alle VVNL-leden te verlenen. De verwijzing van eisers naar de dispensatiebeslissing van E-commerce Nederland maakt dat niet anders, omdat die beslissing ziet op de cao voor het Levensmiddelenbedrijf en daarmee op een andere feitelijk situatie. Dat de minister voor het nemen van die dispensatiebeslissing vooraf vragen heeft gesteld aan de betrokken partijen, betekent niet dat hij dat alleen al daarom hier ook had moeten doen. Van strijd met de onderzoeksplicht is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Gelet op de uitspraak van de Afdeling had voor eisers voldoende duidelijk moeten zijn wat van die zijde verwacht werd om aan de bewijslast te voldoen, maar eisers hebben daaraan geen gevolg gegeven.
Beroep op het evenredigheidsbeginsel.
8. Eisers hebben deze beroepsgrond pas op de zitting naar voren gebracht. Daarbij hebben eisers gesteld dat sprake is bijzondere omstandigheden die maken dat het besluit van de minister in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, maar zij hebben dat niet nader onderbouwd. Gelet op de goede procesorde laat de rechtbank deze beroepsgrond daarom buiten bespreking. Daarbij merkt de rechtbank op dat eisers sinds de uitspraak van de Afdeling weten dat zij aan de algemeenverbindend verklaarde cao’s PB en SFPB moeten voldoen en zijn ook al langer op de hoogte van de gevolgen van het (moeten) toepassen van die algemeenverbindend verklaarde cao’s.
Toetsing aan Europees recht
9. Eisers voeren aan dat de minister bij toepassing van het Toetsingskader AVV ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het EU-recht, waaronder artikel 28 van het EU-Handvest dat het recht op collectieve onderhandelingen en collectieve actie beschermt. Eisers stellen dat de algemeenverbindendverklaring cao PB ongerechtvaardigd de vrijheid van onderhandelen beperkt voor andere partijen dan cao-partijen PB. Dit is mede het gevolg van het intrekken van de eerder aan eisers verleende dispensaties. Volgens eisers zijn de uitspraken van de Afdeling in strijd met het EU-recht, waaronder de ILO-verdragen, althans had de Afdeling hierover prejudiciële vragen moeten stellen. Nu de EU-rechtsbeginselen, zoals de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting, in dit geval zijn geschonden, zijn de uitspraken volgens eisers (ook) onrechtmatig.
9.1.
In de uitspraak van 26 februari 2026 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat in de kwesties die bij de Afdeling ter beoordeling voorlagen geen voorschrift of rechtsregel van Unierecht aan de orde was. Het ging om de voorwaarden voor dispensatie van een algemeen verbindend verklaarde cao zoals opgenomen in de Wet AVV en het Toetsingskader AVV. Er is geen Unierecht dat de voorwaarden voor dispensatie van een algemeen verbindend verklaarde cao voorschrijft. Ook blijkt niet dat de Wet AVV of het Toetsingskader AVV Unierecht omzet, uitvoert of implementeert of anderszins bij het Unierecht aanknoopt. Ten aanzien van de ILO-verdragen, waar door VVNL c.s. naar is verwezen, geldt dat deze vallen buiten het kader van het Unierecht. Dit betekent dat uit geen enkel concreet element van de uitspraken van de Afdeling kan worden opgemaakt dat er een band bestaat tussen het voorwerp van die procedures en het recht van de Unie. Het enkele beroep dat VVNL c.s. (pas) in deze procedure doen op artikelen 28 en 47 Handvest maakt dat niet anders. Het Unierecht was dus niet van toepassing op de procedures bij de Afdeling. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de stellingen die VVNL c.s. in verband daarmee hebben ingenomen, zoals de stelling dat de Afdeling ten onrechte niet (ambtshalve) heeft getoetst aan artikel 28 en 47 Handvest en de stelling dat de Afdeling ten onrechte heeft nagelaten om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU, aldus het oordeel van de rechtbank Den Haag.
9.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen dan de rechtbank Den Haag. Het Unierecht is daarom evenmin van toepassing op deze dispensatieprocedure. Eisers hebben daartoe ook geen argumenten aangevoerd. De enkele stelling van eisers dat zij tegen de uitspraak van rechtbank Den Haag een hoger beroep voorbereiden, is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Strijd met mededingingsrecht
10. Eisers voeren verder aan dat de cao PB onverenigbaar is met het kartelverbod van artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet (Mw), omdat sprake is van onderling afgestemde gedragingen die ertoe leiden dat mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Volgens eisers brengt de cao PB, vanwege het lagere salarisniveau ten opzichte van de cao VD, geen verbetering van de arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid in de beveiligingsbranche met zich mee en kunnen zij daarom niet profiteren van de in artikel 16 Mw geboden uitzondering op het kartelverbod. Eisers verwijzen voor hun onderbouwing naar het Memorandum van 31 december 2024 van Maverick Advocaten over de schending van het mededingingsrecht door NVB. Daarin is geconcludeerd dat de Cao PB onverenigbaar is met het kartelverbod en NVB maakt misbruik van zijn machtspositie, waardoor VVNL schade lijdt.
10.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat cao-afspraken die direct betrekking hebben op arbeidsvoorwaarden in de regel buiten artikel 6 Mw vallen. De in de cao PB geregelde arbeidsvoorwaarden zijn daarmee ook niet in strijd en vallen daarom onder de cao-exceptie van artikel 16 Mw. Het enkele feit dat de cao VD op onderdelen, zoals de salariëring, betere arbeidsvoorwaarden bevat, doet volgens de minister aan deze conclusie niets af. Daarbij is de cao PB een minimum cao en staat het eisers, ook gedurende de periode van algemeenverbindendverklaring van de cao, vrij om voor hun leden eigen, gunstigere arbeidsvoorwaarden toe te passen.
10.2.
De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat overeenkomsten die in het kader van onderhandelingen tussen de sociale partners worden gesloten en die ertoe strekken de werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden van werknemers te verbeteren, naar hun aard en doel niet vallen onder het kartelverbod van artikel 6 Mw. Op grond van de zogeheten cao-exceptie van artikel 16 Mw, waarin wordt verwezen naar artikel 1 van de Wet op de cao, vallen cao’s daarom buiten het kartelverbod. Dit geldt dus ook voor de cao PB. De vraag of de algemeenverbindendverklaring cao dan wel het gedrag van NVB-leden in strijd is met het mededingingsrecht, ligt in deze procedure ook niet ter boordeling voor. Dat past ook niet in het toetsingskader AVV. Dat het bestreden besluit in strijd is met het mededingingsrecht hebben eisers hebben ook niet aangetoond. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van de minister tot afwijzing van dispensatie van de algemeen verbindend verklaarde cao PB 2023-2024 in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
De griffier is niet in de gelegenheidte ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rechtsopvolger van de Vereniging Beveiligingsorganisaties Nederland (VBe NL).
ECLI:NL:RVS:2024:4369 en ECLI:NL:RVS:2024:4372.
ECLI:NL:RVS:2024:4372.
Dispensatiebeslissing van 22 september 2025, JAR 2025,274.
Toetsingskader algemeenverbindendverklaring cao-bepalingen (AVV).
Paragraaf 7 van het Toetsingskader AVV.
ECLI:NL:RBDHA:2026:2981.