Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4613

2026-06-23 Strafrecht 02.137479.23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-06-23
Publicatiedatum
2026-07-22
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
02.137479.23
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting (subsidiair) van de aangeefster, door valse namen aan te nemen, voor te houden dat zijn broertje ziek is en haar te vragen of zij geld van haar moeder kan overhandigen (contant (€15.000,-) en online). De verdachte wordt vrijgesproken van afdreiging (primair), omdat niet is komen vast te staan dat de verdachte heeft gedreigd met het openbaar maken van de eerder gestuurde naaktfoto’s door de aangeefster en zij om die reden geld heeft betaald. De rechtbank ziet geen aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen en veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden en een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren. De rechtbank neemt ook beslissingen op vorderingen van de benadeelde partijen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (51.647 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht



Parketnummer: 02.137479.23
Tegenspraak




Vonnis van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de strafzaak van:






[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] (Iran),
verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
hierna: de verdachte.




1Zitting


De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 2 juni 2026. Het onderzoek is gesloten op 23 juni 2026. Op de zitting waren aanwezig:




de verdachte;


de officier van justitie: mr. G.A. Hoppenbrouwers;


de advocaten van de verdachte: mr. P.P.J. van der Meij en mr. N.M. Delsing (hierna: de advocaten);


de benadeelde partijen: [aangeefster] en [benadeelde partij] ;


de advocaat van de benadeelde partijen: mr. R. van der Leij.





2Tenlastelegging


De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:




primair

in de periode van 24 september 2022 tot en met 30 april 2023 in Brummen en/of Bergen op Zoom samen met een ander [aangeefster] heeft afgedreigd door haar te dwingen geld, dat toebehoorde aan [benadeelde partij] , te betalen, door haar te berichten dat haar naaktfoto’s openbaar gemaakt zouden worden;




subsidiair

in de periode van 24 september 2022 tot en met 30 april 2023 in Brummen en/of Bergen op Zoom samen met een ander [aangeefster] heeft opgelicht door gebruik te maken van valse namen, voor te houden dat zijn broer en/of moeder ziek is, te vragen of [aangeefster] kan zorgen voor geld vanwege de ziektekosten, te verzoeken geld over te boeken naar [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en te verzoeken geld te overhandigen aan een tussenpersoon zijnde ‘ [A] ’;




meer subsidiair

in de periode van 24 september 2022 tot en met 30 april 2023 in Brummen en/of Bergen op Zoom samen met een ander [aangeefster] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, door te dreigen naaktfoto’s van [aangeefster] openbaar te maken.



De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.




3Ontvankelijkheid van de officier van justitie


3.1.


Standpunt van de verdediging

De advocaten vragen met betrekking tot het primaire feit de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de stafvervolging van de verdachte. De advocaten voeren daartoe aan dat voor de vervolging van afdreiging een klacht nodig is van degene die door de afdreiging wordt geraakt. Volgens de advocaten heeft de aangeefster niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden geklaagd. De aangeefster heeft op 5 november 2022 en 30 april 2023 aangifte gedaan en de klacht in het dossier dateert van 9 februari 2026. Uit het dossier blijkt geen wil tot vervolging voorafgaand aan de klacht van 9 februari 2026.




3.2.


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat zij ten aanzien van het primaire feit ontvankelijk is. Uit de aangifte van [aangeefster] van 30 april 2023 blijkt overduidelijk dat zij bij het doen van de aangifte de bedoeling had dat vervolging zou worden ingesteld. Bovendien ging de politie er ten tijde van de aangifte vanuit dat het om een afpersing ging. Voor afpersing geldt niet het klachtvereiste. De gedragingen in de aangifte zijn pas later gekwalificeerd als afdreiging. Daarmee is het niet tijdig indienen van de klacht niet te wijten aan de schuld van de aangeefster. Gelet op het voorgaande is het Openbaar Ministerie ook ontvankelijk in de vervolging van het primaire feit.




3.3.


Oordeel van de rechtbank

De primaire verdenking ziet op afdreiging, wat een klachtdelict is in de zin van artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Het klachtvereiste strekt tot bescherming van het persoonlijk belang van de klager boven het algemeen belang van strafvordering. In artikel 164 Sv zijn de formele eisen vastgesteld waaraan een klacht moet voldoen: een klacht dient binnen drie maanden na de dag waarop de klager kennis heeft genomen van het feit te worden ingediend en in ontvangst te worden genomen door een (hulp)officier van justitie. Een klacht bestaat uit een aangifte en een verzoek tot vervolging.



De rechtbank constateert dat aangeefster [aangeefster] op 5 november 2022 en 30 april 2023 aangifte heeft gedaan. De klacht is opgemaakt op 9 februari 2026, waardoor deze niet binnen de termijn van drie maanden is opgemaakt en de officier van justitie in beginsel niet-ontvankelijk zou zijn in de vervolging. De aangifte van [aangeefster] is echter opgenomen als afpersing, dat is geen klachtdelict. Dit feit is uiteindelijk tenlastegelegd als afdreiging. Het verzuim dat de klacht niet binnen drie maanden is opgemaakt kan daardoor deels worden toegerekend aan de politie. Daarnaast overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het klachtvereiste niet te restrictief moet worden opgevat (zie het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:13). Daarin is overwogen dat indien een als klacht bedoeld stuk wel een aangifte, maar geen verzoek tot vervolging inhoudt, het bestaan van een klacht toch kan worden aangenomen als op grond van het onderzoek ter terechtzitting vast komt te staan dat de klager ten tijde van de aangifte de wens tot vervolging had. Bij het bepalen van deze bedoeling mogen ook feiten en omstandigheden worden betrokken die hebben plaatsgevonden nadat de klager aangifte heeft gedaan. De rechtbank oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat de aangeefster ten tijde van de aangifte de uitdrukkelijke wens tot vervolging had. Ter terechtzitting heeft zij bevestigd dat zij wil dat verdachte wordt vervolgd. Het verweer van de advocaten slaagt niet. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van het primaire feit.





4Bewijs


4.1.


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden - voor zover van belang voor de beoordeling - besproken in paragraaf 4.3.




4.2.


Standpunt van de verdediging

De advocaten verzoeken de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primaire feit.



De advocaten voeren verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 4.3. De advocaten voeren geen verweren over het bewijs ten aanzien van het subsidiaire feit.




4.3.

Oordeel van de rechtbank



4.3.1.


Vrijspraak van het primaire feit

De rechtbank oordeelt dat het primaire feit (afdreiging) niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.



De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afdreiging van de aangeefster, door te dreigen naaktfoto’s van haar te openbaren en te verspreiden tenzij zij hem geld zou betalen. Bij de bespreking van het bewijs verwijst de officier van justitie onder meer naar Telegram gesprekken in de telefoon van de verdachte. Deze bevindingen zijn echter afkomstig uit het dossier in de andere (niet met de onderhavige zaak gevoegde) strafzaak tegen de verdachte, welke strafzaak in een eerder stadium is afgesplitst van de onderhavige zaak.



De advocaten stellen zich op het standpunt dat er geen, althans onvoldoende, oorzakelijk verband kan worden vastgesteld tussen de vermeende bedreigingen om naaktfoto’s te openbaren en de uiteindelijke overboekingen. De verdachte moet om die reden worden vrijgesproken. De advocaten verzoeken de rechtbank geen acht te slaan op de door de officier van justitie voorgehouden bevindingen uit de Telegramgesprekken, omdat die bevindingen afkomstig zijn uit het dossier in de andere strafzaak.



De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier en het onderzoek op de zitting vaststaat dat de aangeefster naaktfoto’s heeft gestuurd en dat de verdachte deze naaktfoto’s heeft ontvangen. Ook blijkt uit het dossier en het onderzoek op de zitting dat de aangeefster angstig is geweest dat die foto’s geopenbaard en verspreid zouden worden. Ondanks het voorgaande kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte, al dan niet samen met een ander, heeft gedreigd met het openbaar maken van de naaktfoto’s van de aangeefster. De rechtbank kan dus ook niet vaststellen dat de aangeefster geld heeft betaald als gevolg van dergelijke dreigementen. Het dossier bevat dus onvoldoende wettige bewijsmiddelen voor het afdreigen van de aangeefster door de verdachte. De rechtbank slaat, anders dan de officier van justitie, alleen acht op het dossier in deze strafzaak en niet op het dossier in de andere strafzaak tegen de verdachte. De verdachte zal worden vrijgesproken van het primaire feit.




4.3.2.


Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat het subsidiaire feit, oplichting, is bewezen. De verdachte bekent dat hij dit feit heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:


- het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] van 5 november 2022;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] van 21 december 2023;
- het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [aangeefster] van 21 december 2023;
- het proces-verbaal van bevindingen van 20 juni 2024 (inhoudende het onderzoek aan de telefoon van de verdachte);
- de verklaring van de verdachte op de zitting van 2 juni 2026;



4.3.3.

Bewijsoverwegingen




Medeplegen

De rechtbank ziet in de verklaring van de verdachte op de zitting en de bevindingen in de telefoon van de verdachte voldoende bewijs voor medeplegen. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Op de zitting heeft de verdachte verklaart dat hij samenwerkte met iemand die hij “ [B] .” noemt. De verdachte en “ [B] .” hadden samen het account, hebben samen de aangeefster benaderd, zich voorgedaan als [B] , [A] , [B] . en [A] . en afwisselend contact met haar gehad. Uit de telefoon van de verdachte blijkt dat hij gesprekken had met iemand genaamd “ [C] ” waarin wordt gesproken over een gezamenlijk plan om in te breken in de kluis van de moeder van de aangeefster. De rechtbank oordeelt dat, gelet op deze omstandigheden, sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een andere persoon, die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering van het delict.









4.4.


Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:




subsidiair

in de periode van 24 september 2022 tot en met 30 april 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door een samenweefsel van verdichtsels [aangeefster] heeft bewogen tot afgifte van enig goed, te weten geld, door

- gebruik te maken van valse namen, te weten [B] , [B] ., [A] en/ [A] .,
- voor te houden dat zijn broer en moeder ziek is,
- te vragen of zij kan zorgen voor geld vanwege de ziektekosten,
- te verzoeken geld over te boeken via [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en
- te verzoeken geld te overhandigen aan een tussenpersoon zijnde ‘ [A] ’.


De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.





5Kwalificatie en strafbaarheid


5.1.


Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: oplichting.




5.2.


Strafbaarheid feit en de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.





6Straf


6.1.


Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 weken, waarvan een gedeelte van 6 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.




6.2.


Standpunt van de verdediging

De advocaten verzoeken aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op de persoonlijke omstandigheden die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het feit en zijn huidige persoonlijke omstandigheden. De verdachte heeft een belast verleden. Uit de verklaring van de verdachte volgt dat hij, mede hierdoor, ten tijde van de feiten beperkte keuzevrijheid had. Inmiddels zijn de feiten ruim vier jaar geleden en heeft de verdachte zich in de tussentijd niet schuldig gemaakt aan vergelijkbaar handelen. Het gaat nu een stuk beter met hem, hij denkt na over zijn toekomst, wil gaan studeren en heeft weer werk. De verdachte heeft openheid van zaken gegeven en verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.



De verdachte was bovendien ten tijde van de feiten nog maar 19 jaar oud, woonde bij zijn ouders, was depressief en had een vorm van begeleiding. De advocaten verzoeken de rechtbank sterk rekening te houden met de nog mogelijke pedagogische beïnvloeding en verzoeken het jeugdstrafrecht toe te passen.




6.3.


Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.




Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan oplichting van het slachtoffer, door valse namen aan te nemen, haar te vertellen dat zijn broertje en moeder ziek zijn en dat hij daar dringend geld voor nodig heeft. De verdachte heeft het slachtoffer verzocht om aanzienlijke geldbedragen, afkomstig van haar moeder, over te boeken naar [bedrijf 1] (webwinkel) en [bedrijf 2] (handelsplatform voor cryptovaluta) en om een groot contant geldbedrag uit de kluis van haar moeder te halen. De verdachte is volledig voorbijgegaan aan de gevoelens van het slachtoffer en heeft een forse inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte kende het slachtoffer, hij wist dat het om een jong en kwetsbaar slachtoffer ging en heeft misbruik gemaakt van haar gevoelens en emotionele afhankelijkheid. Dit wordt de verdachte zeer aangerekend.



Dat de oplichting veel schade heeft aangericht, blijkt wel uit de aangifte, de verklaringen van het slachtoffer en de schriftelijke slachtofferverklaringen van het slachtoffer en haar moeder. Het slachtoffer is diep geraakt door het handelen van de verdachte en leeft nog steeds met de gevolgen. Haar vertrouwen is zwaar beschadigd, zij ervaart paniek en heeft het afgelopen jaar intensieve GGZ-behandelingen gehad. Het handelen van de verdachte heeft blijvende geestelijke littekens achtergelaten. Het geld dat het slachtoffer ten gevolge van de oplichting door de verdachte heeft overgemaakt naar, en heeft overhandigd aan de verdachte, was afkomstig van de moeder van het slachtoffer. Mede daardoor ontstond spanning en onderling wantrouwen en is de band tussen het slachtoffer en haar moeder beschadigd.




Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De verdachte is een (inmiddels) 23-jarige man die op 14-jarige leeftijd uit Iran is gevlucht en sindsdien met zijn gezin in Nederland woont. De verdachte vond het lastig om zich plotseling te moeten aanpassen in Nederland en had een moeilijke tijd in het AZC. De verdachte hoopte in danslessen afleiding te vinden, maar werd door de dansleraar voor langere tijd seksueel misbruikt. Dit stopte pas na een verhuizing van het gezin naar een ander AZC. De verdachte durfde niet over het misbruik te praten en had veel ruzie met zijn ouders. Hij was eenzaam, depressief en leed aan PTSS als gevolg van het misbruik. In die tijd is de verdachte in contact gekomen met het slachtoffer en met de jongen die hij “ [B] .” noemt. De verdachte zat destijds in een slechte periode, waardoor hij niet inzag dat hij veel schade aanrichtte met zijn handelen. Hij wil nu verantwoordelijkheid nemen voor zijn daden.



Uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Het strafblad zal dan ook niet in strafverzwarende zin worden meegewogen.



Uit een rapport van de reclassering van 10 november 2025 blijkt dat de verdachte niet op de
beschuldiging heeft willen ingaan, waardoor de reclassering geen mogelijkheden ziet om tot een plan van aanpak te komen. Bij een bekennende verklaring acht de reclassering behandeling bij Kairos, of een soortgelijke instelling, geïndiceerd. De reclassering adviseert dan als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen.




Jeugdstrafrecht of volwassenenstrafrecht

De verdachte was tijdens het plegen van de feiten 19 jaar oud. In beginsel is daarom het volwassenenstrafrecht van toepassing.



De rechtbank ziet geen aanleiding om in de zaak van de verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte wekt de indruk een intelligente jongvolwassene te zijn, die zijn leven inmiddels op meerdere onderdelen op de rit lijkt te hebben. De verdachte is een jongvolwassene zonder cognitieve beperking, die thuis woont maar ook een zelfstandig leven leidt waarin hij een studie volgt, vrienden heeft, gaat sporten en een bijbaan heeft. Ook wordt er door de reclassering geen aanleiding gezien om het jeugdstrafrecht toe te passen en er wordt geen specifieke maatregel of behandeling uit het jeugdstrafrecht geadviseerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat het volwassenenstrafrecht van toepassing is. Het verzoek van de advocaten om het jeugdstrafrecht toe te passen wordt afgewezen.




Strafkader

Bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. De rechtbank weegt de lange pleegperiode van meerdere maanden, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de hoogte van het geldbedrag waarvoor het slachtoffer is opgelicht in strafverzwarende zin mee.



De jonge leeftijd van de verdachte en het tijdsverloop - het betreft een feit uit eind 2022 tot begin 2023 - worden in strafverminderende zin meegewogen, evenals de gewijzigde proceshouding van de verdachte. De verdachte heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en inzicht gegeven in zijn handelen. Door deze openheid van zaken kan de rechtbank rekening houden met de persoonlijke omstandigheden in de straftoemeting. De rechtbank weegt ook mee dat het nu beter gaat met de verdachte en hij zijn leven op meerdere onderdelen op de rit lijkt te hebben.



Ook al komt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, tot een bewezenverklaring van het subsidiaire feit, kan, gelet op de aard en de ernst van het feit, niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals op de zitting zijn gebleken zal de rechtbank de na te noemen vrijheidsbenemende straf geheel voorwaardelijk opleggen, zodat de verdachte nu niet naar de gevangenis hoeft. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen algemene en de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de reclassering adviseert. De rechtbank oordeelt dat de verdachte de consequenties van zijn handelen wel moet ervaren. De rechtbank legt daarom aan de verdachte tevens een onvoorwaardelijke taakstraf op.



Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op van 6 weken, met algemene en bijzondere voorwaarden zoals in de beslissing genoemd en met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast is een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren op zijn plaats, subsidiair 60 dagen hechtenis in het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht.



De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt, en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overige hiervoor genoemde strafverminderende omstandigheden.





Contactverbod

Namens de aangeefster is in de vordering tot schadevergoeding verzocht om een contactverbod op te leggen. De aangeefster wil geen contact meer met de verdachte. De rechtbank ziet voldoende aanleiding om een contactverbod op te leggen, gelet op de ernst en de omstandigheden van het feit en gevolgen daarvan voor de aangeefster. De rechtbank zal een contactverbod met de aangeefster opleggen in de vorm van een bijzondere voorwaarde.





7Vordering benadeelde partij


7.1.


Vorderingen van de benadeelde partijen


[aangeefster] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 31.095,16, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 18.095,16 voor vergoeding van materiële schade en € 13.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:



Opname HIC - GGZ Westelijk Noord-Brabant: € 72,00;


Reiskosten behandelende sector: € 100,00;


Medische kosten: € 423,16;


Begeleiding: € 2.500,00;


Gedwongen afgifte contant geld uit kluis moeder: € 15.000,00.





[benadeelde partij] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 15.329,49, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade en bestaat uit de volgende onderdelen:



Contant geld uit kluis: € 15.000,00;


Aanvraag nieuw rijbewijs: € 44,85;



[bedrijf 2] - transacties minus retourboeking: € 34,64;


Eigen bijdrage rechtsbijstandsverzekering: € 250,00.




Voor de vordering ten aanzien van het contante geld uit de kluis (post v. van [aangeefster] en post i. van [benadeelde partij] ) geldt dat beide benadeelden deze post voorwaardelijk hebben gevorderd, in die zin dat de vordering enkel geldt voor zover die bij de andere benadeelde wordt afgewezen.



Verder verzoeken beide benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.




7.2.


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] geheel kan worden toegewezen. Er is aansluiting gezocht bij de Rotterdame Schaal en de bedragen zijn helder onderbouwd. Indien de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] volledig toewijst, kan de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover de vordering ziet op de in beide vorderingen opgevoerde post ‘contant geld uit kluis’ met een bedrag van € 15.000,00. Voor het overige kan de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] worden toegewezen. Beide vorderingen dienen te worden toegewezen inclusief de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.




7.3.


Standpunt van de verdediging

De advocaten stellen zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] op het standpunt dat de posten i., ii., iii. en iv. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.
Ten aanzien van de post v. verzoeken de advocaten de rechtbank gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid bij het bepalen van de hoogte van het bedrag, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het om een bedrag van € 15.000,00 ging. De hoogte van de immateriële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van € 2.000,00.



De advocaten stellen zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] op het standpunt dat de posten i., ii. en iv. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De advocaten hebben geen opmerkingen over post iii.



De standpunten van de advocaten worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 7.4.




7.4.

Oordeel van de rechtbank




Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]


Materiële schade

Het gedeelte van de vordering dat ziet op de medische kosten (post iii.) is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet inhoudelijk betwist. De advocaten hebben aangevoerd dat de opgevoerde posten onleesbaar zijn. De rechtbank kan op grond van de bijgevoegde nota’s van het eigen risico en eigen bijdrage in de vordering genoegzaam vaststellen wat kosten zijn geweest. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.



De rechtbank verklaart de benadeelde partij in de overige posten van de vordering niet-ontvankelijk. Deze posten van de vordering zijn door de advocaten betwist.



Ten aanzien van de opname HIC - GGZ Westelijk Noord-Brabant (post i.) hebben de advocaten aangevoerd dat de aangeefster ziekenhuisdaggeldvergoeding en de revalidatiedaggeldvergoeding vraagt, maar dat zij in een gesloten kliniek was geplaatst, waardoor geen ruimte is voor toekenning daarvan onder materiële schade. De rechtbank overweegt dat de richtlijn waarnaar wordt verwezen in de vordering ziet op vergoeding voor een verblijf in het ziekenhuis of een revalidatievoorziening. Een gesloten kliniek valt daar niet zonder meer onder. De benadeelde partij heeft dit niet nader onderbouwd en aldus is deze post onvoldoende onderbouwd om te kunnen toewijzen.



De reiskosten behandelende sector (post ii.) zijn volgens de advocaten niet onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat de vordering geen overzicht bevat van de afspraken of de reisafstand vanaf de woning tot aan bijvoorbeeld de huisarts. Gelet op de betwisting van de advocaten is de namens de benadeelde partij gegeven onderbouwing dan ook onvoldoende.



De advocaten stellen zich ten aanzien van de begeleiding (post iv.) op het standpunt dat de post is onderbouwd door te stellen dat de moeder van de benadeelde partij inkomsten is misgelopen. Dat valt niet onder ‘verzorgingskosten’ en de post komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank overweegt dat de vordering geen nadere onderbouwing van de gederfde inkomsten bevat en dat de namens de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende is, mede gelet op de betwisting van de advocaten.




De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om deze posten van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat zou leiden tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.



De rechtbank wijst de post gedwongen afgifte contant geld uit kluis moeder (post v.) af. Deze post is (in voorwaardelijke vorm) zowel opgevoerd in de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] als in de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] . De rechtbank zal deze post toewijzen in de vordering van [benadeelde partij] . De rechtbank oordeelt daarom, in overeenstemming met het standpunt van de advocaat van de benadeelde partij, dat de post niet meer voor toewijzing in aanmerking komt in de vordering van [aangeefster] .




Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.



Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen.



Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade is in de vordering tot schadevergoeding aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor een passende immateriële schadevergoeding voor een bepaald gevalstype. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kan de rechtbank kijken naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen kan de rechtbank vervolgens bij de billijkheidsafweging betrekken. De rechtbank houdt echter ook rekening met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.



De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de vordering blijken de concrete gevolgen: er was sprake van een acute crisisopvang bij de GGZ en daaropvolgend langdurige Intensieve Home Treatment. Er was een hoog risico op suïcidaliteit (inclusief twee pogingen), zelfverminking en decompensatie. Daarna volgde een langdurige GGZ- behandeling. Er was tevens sprake van een ernstige ontwrichting binnen het gezin van de benadeelde partij. De rechtbank overweegt dat het geestelijk letsel uitgebreid is onderbouwd met het medisch dossier van de benadeelde partij.
In de vordering wordt verwezen naar hoofdstuk 14.1 (Geestelijk letsel) van de Rotterdamse schaal, waarbij wordt uitgegaan van de categorie middelzwaar, met een bandbreedte van € 4.000,00 tot € 13.000,00. De rechtbank weegt bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding mee dat zij tot een bewezenverklaring komt van het subsidiaire feit, te weten oplichting. Gelet op de hoogte van de schadevergoeding die wordt toegekend in soortgelijke uitspraken, leidt dat tot een matiging van het toe te kennen bedrag. De rechtbank kijkt ook naar relevante factoren bij het bepalen van de omvang van het bedrag. In de onderhavige zaak kent de rechtbank gewicht toe aan de leeftijd en de kwetsbaarheid van het slachtoffer, de mate van het misbruik maken door de verdachte daarvan en de ernst van de gevolgen. In de vordering van de benadeelde partij wordt ook gewicht toegekend aan de dreiging met de openbaarmaking van intiem beeldmateriaal. De rechtbank komt niet tot een bewezenverklaring van het afdreigen met naaktfoto’s en zal dat in matigende zin meewegen.



Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding billijk is. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schade toe tot een bedrag van € 5.000,00. Voor het meer gevorderde is meer onderbouwing nodig en daar is in dit strafproces geen ruimte meer voor. Daarom verklaart de rechtbank de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.




Wettelijke rente

De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De vergoeding van de medische kosten (post iii.) is opgedeeld in het eigen risico in 2023 en het eigen risico in 2024. Dat betekent dat er twee facturen zijn.
De vergoeding van het bedrag van € 179,72 voor het eigen risico in 2023 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 december 2023, omdat vast is komen te staan dat het bedrag op die datum is betaald.
De vergoeding van het bedrag van € 243,44 voor het eigen risico in 2024 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2024, omdat de factuur van die datum dateert.



De ingangsdatum van de wettelijke rente over de immateriële schade bepaalt de rechtbank op een tijdstip gelegen in het midden van de pleegperiode, te weten 11 januari 2023, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]


Materiële schade

De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.



Ten aanzien van het contant geld uit de kluis (post i.) overweegt de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat het bedrag van € 15.000,00 in de kluis lag en is weggenomen uit de kluis. De benadeelde partij heeft in haar aangifte van 2 mei 2023 en bij de rechter-commissaris op 4 februari 2026 verklaart dat het om een geldbedrag van € 15.000,00 ging. De rechtbank wijst dit bedrag geheel toe.



De advocaten stellen zich ten aanzien van de aanvraag nieuw rijbewijs (post ii.) op het standpunt dat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan tot het feit. Op grond van het dossier staat vast dat het rijbewijs van de benadeelde partij, op verzoek van de verdachte, door de aangeefster is gebruikt bij het aanmaken van het [bedrijf 2] -account waarmee het geld is overgeboekt. De rechtbank oordeelt dat tussen de aanvraag van het nieuwe rijbewijs en de oplichting voldoende causaal verband bestaat.



De post [bedrijf 2] -transacties minus retourboeking (post iii.) is niet betwist.



De advocaten stellen zich op het standpunt dat de eigen bijdrage rechtsbijstandsverzekering (post iv.) onvoldoende is onderbouwd. Uit de stukken blijkt niet dat dit eigen risico is betaald vanwege bijstand voor de onderhavige zaak. Dat is te meer de vraag nu de kosten zijn betaald in april 2026 en de benadeelde partij al in 2023 bekend werd met de feiten. De rechtbank overweegt dat deze post op de zitting door de advocaat van de benadeelde partij duidelijk is onderbouwd. De benadeelde partij is pas later op de hoogte geraakt van de mogelijkheid tot het indienen van een schadevergoeding en heeft op dat moment een advocaat ingeschakeld, hetgeen de officier van justitie op de zitting heeft bevestigd.




Wettelijke rente

De vergoeding van het contant geld uit de kluis (post i.) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 april 2023 en de vergoeding van de [bedrijf 2] -transacties minus retourboeking (post iii.) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 april 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die data is ontstaan.
De vergoeding van de aanvraag nieuw rijbewijs (post ii.) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2023 en de vergoeding van de eigen bijdrage rechtsbijstandsrisicoverzekering (post iv.) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 april 2026, omdat vast is komen te staan dat de kosten op die data zijn betaald.




Proceskosten

De verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen [aangeefster] en [benadeelde partij] hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.




Schadevergoedingsmaatregel

Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat - kort gezegd - de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in de beslissing weergegeven. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.




Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partijen of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partijen of de Staat te betalen.



De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.





8Toegepaste wetsartikelen


De opgelegde straffen en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.




9De beslissing


De rechtbank:




vrijspraak


- verklaart het primaire feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;



bewezenverklaring




verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiaire feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.4 is omschreven;


verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;





strafbaarheid feit


- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;



strafbaarheid verdachte


- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;



straf




veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 weken;


bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;


stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;



- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- zich moet houden aan de aanwijzingen die Reclassering Nederland hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. De verdachte moet zich binnen 3 dagen volgend op het vonnis telefonisch melden bij Reclassering Nederland op het volgende telefoonnummer: 088-8041405, om een afspraak te maken voor een eerste gesprek. Hierna moet hij zich blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zijn medewerking verleent aan nadere diagnostiek en behandeling bij Kairos of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met Derya Nursel [aangeefster] , geboren op 22 juni 2005. De politie ziet toe op dit contactverbod;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;



veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 uren;


beveelt dat als de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;





vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangeefster]




wijst de vordering van [aangeefster] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5.423,16, bestaande uit € 423,16 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade;


veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [aangeefster] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente


- over een bedrag van € 179,72 met ingang van 23 november 2023;
- over een bedrag van € 243,44 met ingang van 5 september 2024;
- over een bedrag van € 5.000,00 met ingang van 11 januari 2023;
telkens tot de dag van volledige betaling;


wijst de vordering van [aangeefster] voor wat betreft post v. af;


verklaart [aangeefster] voor wat betreft het meer gevorderde aan materiële schade en immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;


veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;


legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat € 5.423,16 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente


- over een bedrag van € 179,72 met ingang van 23 november 2023;
- over een bedrag van € 243,44 met ingang van 5 september 2024;
- over een bedrag van € 5.000,00 met ingang van 7 januari 2023;
telkens tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 52 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;



vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde partij]




wijst de vordering van [benadeelde partij] geheel toe tot een bedrag van € 15.329,49, bestaande uit materiële schade;


veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde partij] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente:


- over een bedrag van € 15.000,00 met ingang van 23 april 2023;
- over een bedrag van € 44,85 met ingang van 25 april 2023;
- over een bedrag van € 34,64 met ingang van 16 april 2023;
- over een bedrag van € 250,00 met ingang van 7 april 2026;


veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;


legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 15.329,49 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente


- over een bedrag van € 15.000,00 met ingang van 23 april 2023;
- over een bedrag van € 44,85 met ingang van 25 april 2023;
- over een bedrag van € 34,64 met ingang van 16 april 2023;
- over een bedrag van € 250,00 met ingang van 7 april 2026;
telkens tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 101 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.



Dit vonnis is gewezen door mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter, mr. H. den Haan en mr. G.M.C. Klink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.




De oudste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.





Bijlage I: de tenlastelegging




Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:



hij in of omstreeks de periode van 24 september 2022 tot en met 30 april 2023 te Brummen en/of Bergen op Zoom, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [aangeefster] heeft gedwongen tot afgifte van enig goed, te weten geld, dat geheel of ten dele aan die [aangeefster] , [benadeelde partij] en/of aan een derde toebehoorden, door die [aangeefster] te berichten naaktfoto’s van die [aangeefster] te verspreiden en/of openbaar te maken;




subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:




hij in of omstreeks de periode van 24 september 2022 tot en met 30 april 2023 te Brummen en/of Bergen op Zoom, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels [aangeefster] heeft bewogen tot afgifte van enig goed, te weten geld, door

- gebruik te maken van een of meer valse namen, te weten [B] , [B] ., [A] en/of [A] .,
- voor te houden dat zijn broer en/of moeder ziek is,
- te vragen of zij kan zorgen voor geld vanwege de ziektekosten,
- te verzoeken geld over te boeken via [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of
- te verzoeken geld te overhandigen aan een tussenpersoon zijnde ‘ [A] ’;



meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:




hij in of omstreeks de periode van 24 september 2022 tot en met 30 april 2023 te Brummen en/of Bergen op Zoom, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een ander, te weten [aangeefster] door enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten over te gaan tot afgifte van geld, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangeefster] en/of [benadeelde partij] , door te dreigen naaktfoto’s van die [aangeefster] te verspreiden en/of openbaar te maken.









Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Zeeland-West-Brabant met proces-verbaalnummer PL2000-2023108381, onderzoeksnummer ZB2R023034, onderzoek Hera, doorgenummerd pagina 1 tot en met 148. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.


p. 13-15.


p. 17-19.


p. 113-118.


Proces-verbaal telefoon Jahandoost d.d. 20-06-2024, p. 1 tot en met 5.