Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4553
2026-07-21
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
UTR 26/1516
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WHT. Beroep ongegrond. Commissie Werkelijke Schade. Geen causaal verband tussen de gestelde schadeposten en de kinderopvangtoeslagproblematiek.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2024:2045 Raad van State 15-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2040 Raad van State 15-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.442 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1516
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. Smeets),
en
de Minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. A.R. Kandhai).
Inleiding
1. In een besluit van 6 februari 2025 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN) namens verweerder geweigerd een schuld van € 425.600,- van eiseres over te nemen. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
2. In een besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de partner van eiseres [A] die namens eiseres het woord heeft gevoerd en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Het geschil
5. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of verweerder terecht heeft geweigerd om de schuld van € 425.600,- van eiseres en [bedrijf 1] B.V. bij haar partner [A] over te nemen. Dit doet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Schuldovereenkomst
6. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor het overnemen van een geldlening van € 425.600,- die [bedrijf 1] B.V. en eiseres in privé zijn aangegaan bij haar partner [A] . Ter onderbouwing van deze schuld heeft zij een schuldovereenkomst van 27 juni 2024 ingediend. In deze overeenkomst staat dat [bedrijf 1] B.V. samen met eiseres een bedrag van € 425.600,- (€ 380.000,- vermeerderd met rente) van [A] leent, terug te betalen op uiterlijk 31 december 2018.
Informele lening
7. De rechtbank stelt, anders dan verweerder, vast dat sprake is van een informele geldlening. Uit de schuldovereenkomst van 27 juni 2014 blijkt namelijk dat eiseres zich privé aan de lening heeft verbonden.
Beoordelingskader
8. Verweerder neemt op aanvraag de geldschulden over van een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren vóór 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
9. Informele schulden worden overgenomen indien deze zijn vastgelegd in een notariële akte, die is opgesteld in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021, of blijken uit een rechterlijke uitspraak, indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt.
Notariële akte
10. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de geldlening niet is vastgelegd in een notariële akte en ook niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak zoals bedoeld in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
11. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft op 15 mei 2024 een aantal richtinggevende uitspraken gedaan over onder meer het vereiste van een notariële akte. Zo heeft de Afdeling overwogen dat bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer de regering aan de eis van de notariële akte heeft vastgehouden, omdat de notariële akte dient als bewijs voor het bestaan van de lening, en van betalingsafspraken zodat ook de opeisbaarheid kan blijken. Met ander bewijsmateriaal zoals bankafschriften, onderhandse akten, correspondentie of verklaringen is het volgens de regering niet goed mogelijk om hoofdsommen van achterstanden te onderscheiden en dergelijke stukken zijn bovendien moeilijk te verifiëren. In de uitspraken van 15 mei 2024 heeft de Afdeling ook overwogen dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen.
12. De Afdeling heeft verder overwogen dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen.
13. Eiseres voert aan dat het ontbreken van een notariële akte niet zonder meer doorslaggevend mag zijn bij de weigering tot overname van de schuld, omdat gelet op de schuldovereenkomst van 27 juni 2014 en de legalisatieverklaring van 1 juni 2016, aan het bestaan en de omvang van de schuld redelijkerwijs niet valt te twijfelen.
14. De rechtbank volgt eiseres hier niet in en oordeelt dat de onderhandse schuldovereenkomst niet gelijk kan worden gesteld aan een notariële akte. Uit de schuldovereenkomst blijkt niet dat deze is opgesteld met behulp van een notaris. De notariële legalisatieverklaring is slechts een verklaring van een notaris waarin deze bevestigt dat de handtekening van eiseres op de schuldovereenkomst afkomstig is van eiseres. De notaris controleert daarbij de identiteit van de ondertekenaar aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. Dit betekent niet dat de notaris met een legalisatieverklaring instaat voor de inhoud van de schuldovereenkomst.
15. De toelichting van de partner van eiseres op de zitting maakt dat niet anders. Op de zitting heeft hij toegelicht dat eiseres de lening is aangegaan omdat hij het intellectuele eigendom van het windmolenbedrijf [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) heeft overgenomen met de bedoeling dat eiseres dit windmolenbedrijf zou gaan leiden. Volgens de partner van eiseres is er een betaalbewijs van de overname van het intellectuele eigendom van [bedrijf 2] , maar dit stuk zit niet in het dossier. De gemachtigde van eiseres heeft hiervan ook geen bewijs gezien. Vervolgens zou de naam van het bedrijf [bedrijf 2] zijn gewijzigd in [bedrijf 1] B.V., een bedrijf dat andere partijen inhuurt om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Eiseres is met deze laatste vennootschap de lening bij haar partner aangegaan. Eiseres zou dus met een bedrijf dat zich met het inhuren van beveiliging bezighoudt een lening bij haar partner zijn aangegaan om een windmolenbedrijf te gaan leiden. Het opzetten van de onderneming door eiseres is mislukt en [bedrijf 1] B.V. is ontbonden. Met deze toelichting van de partner van eiseres – die zelf als partij bij de overeenkomst betrokken was en waarvan daarom mag worden verwacht dat hij goed op de hoogte is – zijn het bestaan, de strekking en de bedoeling van de lening niet duidelijker geworden.
16. Het gevolg hiervan is dat geen sprake is van een bijzondere situatie waarin aan het bestaan van de informele schuld niet valt te twijfelen. Het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken is daarom ook niet zodanig onbillijk dat de hardheidsclausule kan worden toegepast.
17. De beroepsgrond slaagt niet.
Geen opeisbare vordering
18. Verder is niet gebleken dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. De partner van eiseres heeft op de zitting toegelicht dat eiseres de lening is aangegaan om het bedrijf [bedrijf 2] te runnen, maar dat dit een mislukte investering is gebleken. Volgens de schuldovereenkomst moest de schuld op 31 december 2018 worden voldaan, maar dat is niet gebeurd. Er is geen geld opgeëist, aldus de partner van eiseres.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. De weigering van SBN om de schuld van eiseres bij haar partner over te nemen blijft in stand, omdat de schuld niet is vastgelegd in een notariële akte of is gebleken uit een rechterlijke uitspraak en omdat deze schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar is. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
Op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2024:2045.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2024:2040.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1516
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. Smeets),
en
de Minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. A.R. Kandhai).
Inleiding
1. In een besluit van 6 februari 2025 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN) namens verweerder geweigerd een schuld van € 425.600,- van eiseres over te nemen. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
2. In een besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de partner van eiseres [A] die namens eiseres het woord heeft gevoerd en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Het geschil
5. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of verweerder terecht heeft geweigerd om de schuld van € 425.600,- van eiseres en [bedrijf 1] B.V. bij haar partner [A] over te nemen. Dit doet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Schuldovereenkomst
6. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor het overnemen van een geldlening van € 425.600,- die [bedrijf 1] B.V. en eiseres in privé zijn aangegaan bij haar partner [A] . Ter onderbouwing van deze schuld heeft zij een schuldovereenkomst van 27 juni 2024 ingediend. In deze overeenkomst staat dat [bedrijf 1] B.V. samen met eiseres een bedrag van € 425.600,- (€ 380.000,- vermeerderd met rente) van [A] leent, terug te betalen op uiterlijk 31 december 2018.
Informele lening
7. De rechtbank stelt, anders dan verweerder, vast dat sprake is van een informele geldlening. Uit de schuldovereenkomst van 27 juni 2014 blijkt namelijk dat eiseres zich privé aan de lening heeft verbonden.
Beoordelingskader
8. Verweerder neemt op aanvraag de geldschulden over van een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren vóór 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
9. Informele schulden worden overgenomen indien deze zijn vastgelegd in een notariële akte, die is opgesteld in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021, of blijken uit een rechterlijke uitspraak, indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt.
Notariële akte
10. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de geldlening niet is vastgelegd in een notariële akte en ook niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak zoals bedoeld in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
11. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft op 15 mei 2024 een aantal richtinggevende uitspraken gedaan over onder meer het vereiste van een notariële akte. Zo heeft de Afdeling overwogen dat bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer de regering aan de eis van de notariële akte heeft vastgehouden, omdat de notariële akte dient als bewijs voor het bestaan van de lening, en van betalingsafspraken zodat ook de opeisbaarheid kan blijken. Met ander bewijsmateriaal zoals bankafschriften, onderhandse akten, correspondentie of verklaringen is het volgens de regering niet goed mogelijk om hoofdsommen van achterstanden te onderscheiden en dergelijke stukken zijn bovendien moeilijk te verifiëren. In de uitspraken van 15 mei 2024 heeft de Afdeling ook overwogen dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen.
12. De Afdeling heeft verder overwogen dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen.
13. Eiseres voert aan dat het ontbreken van een notariële akte niet zonder meer doorslaggevend mag zijn bij de weigering tot overname van de schuld, omdat gelet op de schuldovereenkomst van 27 juni 2014 en de legalisatieverklaring van 1 juni 2016, aan het bestaan en de omvang van de schuld redelijkerwijs niet valt te twijfelen.
14. De rechtbank volgt eiseres hier niet in en oordeelt dat de onderhandse schuldovereenkomst niet gelijk kan worden gesteld aan een notariële akte. Uit de schuldovereenkomst blijkt niet dat deze is opgesteld met behulp van een notaris. De notariële legalisatieverklaring is slechts een verklaring van een notaris waarin deze bevestigt dat de handtekening van eiseres op de schuldovereenkomst afkomstig is van eiseres. De notaris controleert daarbij de identiteit van de ondertekenaar aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. Dit betekent niet dat de notaris met een legalisatieverklaring instaat voor de inhoud van de schuldovereenkomst.
15. De toelichting van de partner van eiseres op de zitting maakt dat niet anders. Op de zitting heeft hij toegelicht dat eiseres de lening is aangegaan omdat hij het intellectuele eigendom van het windmolenbedrijf [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) heeft overgenomen met de bedoeling dat eiseres dit windmolenbedrijf zou gaan leiden. Volgens de partner van eiseres is er een betaalbewijs van de overname van het intellectuele eigendom van [bedrijf 2] , maar dit stuk zit niet in het dossier. De gemachtigde van eiseres heeft hiervan ook geen bewijs gezien. Vervolgens zou de naam van het bedrijf [bedrijf 2] zijn gewijzigd in [bedrijf 1] B.V., een bedrijf dat andere partijen inhuurt om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Eiseres is met deze laatste vennootschap de lening bij haar partner aangegaan. Eiseres zou dus met een bedrijf dat zich met het inhuren van beveiliging bezighoudt een lening bij haar partner zijn aangegaan om een windmolenbedrijf te gaan leiden. Het opzetten van de onderneming door eiseres is mislukt en [bedrijf 1] B.V. is ontbonden. Met deze toelichting van de partner van eiseres – die zelf als partij bij de overeenkomst betrokken was en waarvan daarom mag worden verwacht dat hij goed op de hoogte is – zijn het bestaan, de strekking en de bedoeling van de lening niet duidelijker geworden.
16. Het gevolg hiervan is dat geen sprake is van een bijzondere situatie waarin aan het bestaan van de informele schuld niet valt te twijfelen. Het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken is daarom ook niet zodanig onbillijk dat de hardheidsclausule kan worden toegepast.
17. De beroepsgrond slaagt niet.
Geen opeisbare vordering
18. Verder is niet gebleken dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. De partner van eiseres heeft op de zitting toegelicht dat eiseres de lening is aangegaan om het bedrijf [bedrijf 2] te runnen, maar dat dit een mislukte investering is gebleken. Volgens de schuldovereenkomst moest de schuld op 31 december 2018 worden voldaan, maar dat is niet gebeurd. Er is geen geld opgeëist, aldus de partner van eiseres.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. De weigering van SBN om de schuld van eiseres bij haar partner over te nemen blijft in stand, omdat de schuld niet is vastgelegd in een notariële akte of is gebleken uit een rechterlijke uitspraak en omdat deze schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar is. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
Op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2024:2045.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2024:2040.