Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4544
2026-07-01
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/16/611604 / JE RK 26-719
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bekrachtiging schriftelijke aanwijzing met oplegging dwangsom
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.758 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/611604 / JE RK 26-719
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND,
gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2026;
het verslag van Youke, ontvangen op 1 juni 2026;
de e-mail van de vader van 4 juni 2026.
1.2.
De vader heeft op 4 juni 2026 verzocht om de zitting te verzetten naar een andere datum omdat hij nog geen advocaat had kunnen vinden. De kinderrechter heeft hiermee niet ingestemd omdat er nog voldoende tijd was om een advocaat te zoeken.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- mevrouw [A] , namens de GI.
1.4.
De moeder is niet bij de zitting verschenen. Zij is wel correct opgeroepen.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 mei 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna bij beschikking van 13 mei 2027 verlengd tot 20 mei 2027.
2.4.
De GI heeft op 6 mei 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierin is het volgende opgenomen:
1. Vader houdt zich aan de omgang zoals deze is vastgesteld in de beschikking van 12 maart 2026:
- eenmaal per week begeleide omgang op een neutrale plek voor de duur van een uur;
- geen telefonisch contact.
2) Vader houdt zich aan de gestelde voorwaarden uit de beschikking van 12 maart 2026:
1. Vader bespreekt niets met de kinderen over zijn onvrede over de omgangsregeling.
2. Vader zegt niets tegen de kinderen over moeder of houdt het neutraal.
3. Vader praat met de kinderen over alledaagse dingen zoals school, voetbal, et cetera.
4. Vader houdt zich aan de vastgestelde contactmomenten en zoekt daarbuiten geen contact met de kinderen.
5. Als de kinderen contact zoeken met vader, geeft vader aan dat iedereen zich aan de afspraken moet houden en dat hij ze op maandag weer ziet en spreekt en veel van ze houdt.
Als vader zich tijdens de contactmomenten niet aan de eerste 3 afspraken houdt, dan zal het bezoekmoment gestopt worden door de begeleiding.
3) Vader gaat de hulpverlening aan opgelegd in de beschikking van 12 maart 2026:
Om in de toekomst omgang weer uit te kunnen breiden, is het volgens de GI nodig dat vader gaat meewerken aan hulpverlening:
-Vader gaat naar De Waag om te werken aan het reguleren van emoties. Vader kan in het contact met de kinderen, moeder en de hulpverlening zijn emoties onder controle houden. Hij verwerkt de scheiding. Hij blijft voortaan rustig in het contact met de kinderen, moeder en de hulpverlening. Dus geen schelden, dreigen en onverwacht bij moeder voor de deur staan.
- Vader werkt mee aan Parallel Ouderschap. Vader leert dat hij geen invloed heeft op de moeder en haar opvoedsituatie. Dat er sprake is van twee gescheiden opvoedsituaties. Hij leert wat zijn boodschappen met de kinderen doen en wat een loyaliteitsconflict inhoudt. Hij belast de kinderen niet meer met volwassenzaken en negatieve boodschappen over moeder.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt om bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing.
3.2.
De GI verzoekt ook om een dwangsom op te leggen conform artikel 611a Rv van € 100,00 voor iedere dag dat de schriftelijke aanwijzing niet wordt nagekomen. De kinderrechter begrijpt uit de schriftelijke aanwijzing in relatie het verzoek bekrachtiging schriftelijke aanwijzing dat deze dwangsom alleen betrekking heeft op voorwaarden rondom het contact met zijn zoons in die zin:
- 100 euro per aanwijsbare keer dat vader toch telefonisch contact heeft met één van zijn zoons;
- 100 euro per week dat vader niet op de begeleide omgang komt met zijn kinderen;
- 100 euro per aanwijsbare keer dat vader de kinderen opzoekt buiten de vastgestelde omgangsregeling.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De vader is het niet eens met het verzoek. De vader is het niet eens met de inhoud van de beschikking van 12 maart 2026. Hij wil zich niet aan regels houden die hem beperken in het contact met zijn kinderen. Hij ontkent belastende zaken met zijn zoon [minderjarige 1] te bespreken en hem op te stoken tegen zijn moeder. De vader wil het liefst geen bemoeienis met de GI. Het voelt voor hem alsof de GI en de hulpverlening tegen hem zijn als vader.
4.2.
Het standpunt van de moeder is niet bekend.
5De beoordeling
De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal de schriftelijke aanwijzing van 6 mei 2026 bekrachtigen. Daarnaast zal de kinderrechter aan de vader een dwangsom opleggen van € 100,00 voor iedere dag dat hij de schriftelijke aanwijzing niet nakomt, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt.
De toelichting
5.2.
Op grond van artikel 1:263 lid 1 BW kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de kinderen, wanneer de met het gezag belaste ouder niet instemt met of onvoldoende meewerkt aan de uitvoering van het door de GI opgestelde hulpverleningsplan, indien dit noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen. Op grond van het derde lid kan de GI de kinderrechter verzoeken om een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Hierbij kan ook om oplegging van een door de wet toegelaten dwangmiddel worden verzocht bij niet nakoming van deze aanwijzing, tenzij het belang van het kind zich hiertegen verzet.
5.3.
Een schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de kinderrechter allereerst beoordeelt of het besluit voldoet aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, wat onder meer inhoudt dat het besluit zorgvuldig tot stand moet zijn gekomen en moet berusten op een deugdelijke motivering.
5.4.
Naar het oordeel van de kinderrechter is dat het geval. De schriftelijke aanwijzing van 6 mei 2026 is op een goede manier tot stand gekomen. Hetgeen in de schriftelijke aanwijzing staat is volledig gebaseerd op de inhoud van de beschikking van de kinderrechter van 12 maart 2026, waarin een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is bepaald. De (gemotiveerde) inhoud hiervan was bekend bij de vader toen de schriftelijke aanwijzing is opgelegd.
5.5.
Op basis van de stukken en de zitting kan naar het oordeel van de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing worden bekrachtigd. De GI heeft om bekrachtiging verzocht omdat de vader zich direct al niet hield aan alles wat in de schriftelijke aanwijzing staat. De vader heeft hierbij opgemerkt dat hij lak heeft aan de kinderrechter en de GI een corrupte organisatie vindt. Hij vindt dat hij recht heeft op contact met zijn kinderen, ongeacht welke regels hierover zijn vastgesteld De vader belt de kinderen meerdere keren per dag en stuurt ze berichten, vaak met een negatieve en dreigende toon. De GI heeft uitgeschreven fragmenten van telefoongesprekken met de vader bij het verzoek gevoegd waaruit dit blijkt. Daarnaast heeft er op 12 mei 2026 een incident plaatsgevonden bij de begeleide omgang. Omdat [minderjarige 2] hierbij niet kwam raakte de vader gefrustreerd. Daarop heeft de vader het paspoort van [minderjarige 2] verscheurd en vervolgens bij de moeder door de brievenbus gegooid.
5.6.
Het is duidelijk dat de vader onvoldoende medewerking heeft verleend aan de uitvoering van het plan van aanpak van de GI. Ter zitting is niet gebleken dat de vader van plan is om in de toekomst wel zijn medewerking te verlenen. De vader stelt het hebben van zeer intensief dagelijks telefonisch contact met zijn kinderen boven de regels die er rondom de contacten worden gesteld. Hij lijkt zich niet te realiseren dat hij de kinderen daardoor onder druk zet en hen onvoldoende ruimte geeft. Hij wil niet meewerken aan het begeleide contact. De vader lijkt geen energie te willen steken in de voorgestelde hulpverlening bij De Waag en het traject Parallel Ouderschap. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat hij dit wel gaat doen in het belang van de kinderen. De vader heeft ter zitting aangegeven dat zijn emoties hem soms overspoelen en dat hij zich machteloos voelt. Hij geeft aan dat hij dan domme keuzes maakt zoals het doorscheuren van het paspoort. De kinderrechter wijst de vader er op dat als de vader zijn emoties beter onder controle heeft, het toegestane contact met de kinderen hersteld en uitgebreid zal worden. De schriftelijke aanwijzing is noodzakelijk om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen.
5.7.
De kinderrechter zal daarom de schriftelijke aanwijzing bekrachtigen en de verzochte dwangsom toewijzen, om zo de vader te dwingen om zich aan de regels in de schriftelijke aanwijzing te houden. De vader heeft nog betoogd dat hij een slechte financiële situatie heeft. Dat maakt de beslissing van de kinderrechter niet anders. Het doel van een dwangsom is niet het innen van de bedragen maar het stimuleren dat de vader de gestelde regels nakomt. Bovendien kan bij nakoming van de regels het contact met de kinderen weer positief worden uitgebouwd. De kinderrechter ziet de oplegging van de dwangsom in deze situatie als een passende maatregel, omdat de vader zo volhardend is in het niet meewerken aan de regels die zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling.
5.8.
Tegen deze uitspraak staat op grond van artikel 807 sub a Rv geen hoger beroep open. Het verzoek om de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zal daarom worden afgewezen.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 6 mei 2026;
6.2.
legt op aan de vader een dwangsom van € 100,00:
- per aanwijsbare keer dat vader toch telefonisch contact heeft met één van zijn zoons;
- per week dat vader niet op de begeleide omgang komt met zijn kinderen’
- per aanwijsbare keer dat vader de kinderen opzoekt buiten de vastgestelde omgangsregeling;
tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. W.M.A. Roseboom als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/611604 / JE RK 26-719
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND,
gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2026;
het verslag van Youke, ontvangen op 1 juni 2026;
de e-mail van de vader van 4 juni 2026.
1.2.
De vader heeft op 4 juni 2026 verzocht om de zitting te verzetten naar een andere datum omdat hij nog geen advocaat had kunnen vinden. De kinderrechter heeft hiermee niet ingestemd omdat er nog voldoende tijd was om een advocaat te zoeken.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- mevrouw [A] , namens de GI.
1.4.
De moeder is niet bij de zitting verschenen. Zij is wel correct opgeroepen.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 mei 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna bij beschikking van 13 mei 2027 verlengd tot 20 mei 2027.
2.4.
De GI heeft op 6 mei 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierin is het volgende opgenomen:
1. Vader houdt zich aan de omgang zoals deze is vastgesteld in de beschikking van 12 maart 2026:
- eenmaal per week begeleide omgang op een neutrale plek voor de duur van een uur;
- geen telefonisch contact.
2) Vader houdt zich aan de gestelde voorwaarden uit de beschikking van 12 maart 2026:
1. Vader bespreekt niets met de kinderen over zijn onvrede over de omgangsregeling.
2. Vader zegt niets tegen de kinderen over moeder of houdt het neutraal.
3. Vader praat met de kinderen over alledaagse dingen zoals school, voetbal, et cetera.
4. Vader houdt zich aan de vastgestelde contactmomenten en zoekt daarbuiten geen contact met de kinderen.
5. Als de kinderen contact zoeken met vader, geeft vader aan dat iedereen zich aan de afspraken moet houden en dat hij ze op maandag weer ziet en spreekt en veel van ze houdt.
Als vader zich tijdens de contactmomenten niet aan de eerste 3 afspraken houdt, dan zal het bezoekmoment gestopt worden door de begeleiding.
3) Vader gaat de hulpverlening aan opgelegd in de beschikking van 12 maart 2026:
Om in de toekomst omgang weer uit te kunnen breiden, is het volgens de GI nodig dat vader gaat meewerken aan hulpverlening:
-Vader gaat naar De Waag om te werken aan het reguleren van emoties. Vader kan in het contact met de kinderen, moeder en de hulpverlening zijn emoties onder controle houden. Hij verwerkt de scheiding. Hij blijft voortaan rustig in het contact met de kinderen, moeder en de hulpverlening. Dus geen schelden, dreigen en onverwacht bij moeder voor de deur staan.
- Vader werkt mee aan Parallel Ouderschap. Vader leert dat hij geen invloed heeft op de moeder en haar opvoedsituatie. Dat er sprake is van twee gescheiden opvoedsituaties. Hij leert wat zijn boodschappen met de kinderen doen en wat een loyaliteitsconflict inhoudt. Hij belast de kinderen niet meer met volwassenzaken en negatieve boodschappen over moeder.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt om bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing.
3.2.
De GI verzoekt ook om een dwangsom op te leggen conform artikel 611a Rv van € 100,00 voor iedere dag dat de schriftelijke aanwijzing niet wordt nagekomen. De kinderrechter begrijpt uit de schriftelijke aanwijzing in relatie het verzoek bekrachtiging schriftelijke aanwijzing dat deze dwangsom alleen betrekking heeft op voorwaarden rondom het contact met zijn zoons in die zin:
- 100 euro per aanwijsbare keer dat vader toch telefonisch contact heeft met één van zijn zoons;
- 100 euro per week dat vader niet op de begeleide omgang komt met zijn kinderen;
- 100 euro per aanwijsbare keer dat vader de kinderen opzoekt buiten de vastgestelde omgangsregeling.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De vader is het niet eens met het verzoek. De vader is het niet eens met de inhoud van de beschikking van 12 maart 2026. Hij wil zich niet aan regels houden die hem beperken in het contact met zijn kinderen. Hij ontkent belastende zaken met zijn zoon [minderjarige 1] te bespreken en hem op te stoken tegen zijn moeder. De vader wil het liefst geen bemoeienis met de GI. Het voelt voor hem alsof de GI en de hulpverlening tegen hem zijn als vader.
4.2.
Het standpunt van de moeder is niet bekend.
5De beoordeling
De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal de schriftelijke aanwijzing van 6 mei 2026 bekrachtigen. Daarnaast zal de kinderrechter aan de vader een dwangsom opleggen van € 100,00 voor iedere dag dat hij de schriftelijke aanwijzing niet nakomt, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt.
De toelichting
5.2.
Op grond van artikel 1:263 lid 1 BW kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de kinderen, wanneer de met het gezag belaste ouder niet instemt met of onvoldoende meewerkt aan de uitvoering van het door de GI opgestelde hulpverleningsplan, indien dit noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen. Op grond van het derde lid kan de GI de kinderrechter verzoeken om een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Hierbij kan ook om oplegging van een door de wet toegelaten dwangmiddel worden verzocht bij niet nakoming van deze aanwijzing, tenzij het belang van het kind zich hiertegen verzet.
5.3.
Een schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de kinderrechter allereerst beoordeelt of het besluit voldoet aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, wat onder meer inhoudt dat het besluit zorgvuldig tot stand moet zijn gekomen en moet berusten op een deugdelijke motivering.
5.4.
Naar het oordeel van de kinderrechter is dat het geval. De schriftelijke aanwijzing van 6 mei 2026 is op een goede manier tot stand gekomen. Hetgeen in de schriftelijke aanwijzing staat is volledig gebaseerd op de inhoud van de beschikking van de kinderrechter van 12 maart 2026, waarin een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is bepaald. De (gemotiveerde) inhoud hiervan was bekend bij de vader toen de schriftelijke aanwijzing is opgelegd.
5.5.
Op basis van de stukken en de zitting kan naar het oordeel van de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing worden bekrachtigd. De GI heeft om bekrachtiging verzocht omdat de vader zich direct al niet hield aan alles wat in de schriftelijke aanwijzing staat. De vader heeft hierbij opgemerkt dat hij lak heeft aan de kinderrechter en de GI een corrupte organisatie vindt. Hij vindt dat hij recht heeft op contact met zijn kinderen, ongeacht welke regels hierover zijn vastgesteld De vader belt de kinderen meerdere keren per dag en stuurt ze berichten, vaak met een negatieve en dreigende toon. De GI heeft uitgeschreven fragmenten van telefoongesprekken met de vader bij het verzoek gevoegd waaruit dit blijkt. Daarnaast heeft er op 12 mei 2026 een incident plaatsgevonden bij de begeleide omgang. Omdat [minderjarige 2] hierbij niet kwam raakte de vader gefrustreerd. Daarop heeft de vader het paspoort van [minderjarige 2] verscheurd en vervolgens bij de moeder door de brievenbus gegooid.
5.6.
Het is duidelijk dat de vader onvoldoende medewerking heeft verleend aan de uitvoering van het plan van aanpak van de GI. Ter zitting is niet gebleken dat de vader van plan is om in de toekomst wel zijn medewerking te verlenen. De vader stelt het hebben van zeer intensief dagelijks telefonisch contact met zijn kinderen boven de regels die er rondom de contacten worden gesteld. Hij lijkt zich niet te realiseren dat hij de kinderen daardoor onder druk zet en hen onvoldoende ruimte geeft. Hij wil niet meewerken aan het begeleide contact. De vader lijkt geen energie te willen steken in de voorgestelde hulpverlening bij De Waag en het traject Parallel Ouderschap. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat hij dit wel gaat doen in het belang van de kinderen. De vader heeft ter zitting aangegeven dat zijn emoties hem soms overspoelen en dat hij zich machteloos voelt. Hij geeft aan dat hij dan domme keuzes maakt zoals het doorscheuren van het paspoort. De kinderrechter wijst de vader er op dat als de vader zijn emoties beter onder controle heeft, het toegestane contact met de kinderen hersteld en uitgebreid zal worden. De schriftelijke aanwijzing is noodzakelijk om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen.
5.7.
De kinderrechter zal daarom de schriftelijke aanwijzing bekrachtigen en de verzochte dwangsom toewijzen, om zo de vader te dwingen om zich aan de regels in de schriftelijke aanwijzing te houden. De vader heeft nog betoogd dat hij een slechte financiële situatie heeft. Dat maakt de beslissing van de kinderrechter niet anders. Het doel van een dwangsom is niet het innen van de bedragen maar het stimuleren dat de vader de gestelde regels nakomt. Bovendien kan bij nakoming van de regels het contact met de kinderen weer positief worden uitgebouwd. De kinderrechter ziet de oplegging van de dwangsom in deze situatie als een passende maatregel, omdat de vader zo volhardend is in het niet meewerken aan de regels die zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling.
5.8.
Tegen deze uitspraak staat op grond van artikel 807 sub a Rv geen hoger beroep open. Het verzoek om de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zal daarom worden afgewezen.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 6 mei 2026;
6.2.
legt op aan de vader een dwangsom van € 100,00:
- per aanwijsbare keer dat vader toch telefonisch contact heeft met één van zijn zoons;
- per week dat vader niet op de begeleide omgang komt met zijn kinderen’
- per aanwijsbare keer dat vader de kinderen opzoekt buiten de vastgestelde omgangsregeling;
tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. W.M.A. Roseboom als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).