Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4543

2026-07-22 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht UTR 26/5714
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/5714
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoekster is het niet eens met de omvang van het toegekende pgb voor huishoudelijke hulp en individuele begeleiding (Wmo). De voorlopige voorziening wordt afgewezen, vanwege de afwezigheid van een spoedeisend belang. Daarnaast kan zonder nader onderzoek naar de feiten niet nu al ernstig getwijfeld worden aan de inhoud van het herzieningsbesluit.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.748 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 26/5714


uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juli 2026 in de zaak tussen



[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere
(gemachtigden: mr. S.A. de Kruijf en C.B. Huisden).




Inleiding

1. Het college heeft met het besluit van 26 september 2025 (het primaire besluit 1) bepaald dat verzoekster een pgb krijgt op grond van de Wmo voor hulp bij het huishouden van 195 minuten per week voor de periode 1 augustus 2025 tot en met 31 juli 2027.

2. Met een ander besluit van 26 september 2025 (het primaire besluit 2) heeft het college bepaald dat verzoekster een pgb krijgt op grond van de Wmo voor begeleiding van 210 minuten per week voor de periode 1 augustus 2025 tot en met 31 december 2025.

3. Verzoekster is het niet eens met de primaire besluiten 1 en 2 en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

4. Vervolgens heeft verzoekster op 13 mei 2026 een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar ingediend.

5. Daarna heeft het college met het besluit van 22 mei 2026 (het herzieningsbesluit) de primaire besluiten 1 en 2 ingetrokken en herzien. Er is een pgb voor hulp bij het huishouden toegekend van 230 minuten per week voor de periode 1 augustus 2025 tot en met 31 juli 2027. Ook is een pgb voor begeleiding toegekend van 210 minuten per week voor de periode 1 augustus 2025 tot en met 31 juli 2027. Het eerder ingediende bezwaar heeft hier van rechtswege mede betrekking op.

6. Met het herzieningsbesluit is nog geen beslissing op het bezwaar genomen. Deze rechtbank heeft op 26 juni 2026 het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar gegrond verklaard en het college opgedragen uiterlijk op 21 augustus 2026 alsnog een besluit op het bezwaar bekend te maken. Ook is bepaald dat als het college deze termijn overschrijdt een dwangsom wordt verbeurd.

7. Verzoekster heeft op 3 juni 2026 een voorlopige voorziening ingediend, omdat zij het niet eens is met het herzieningsbesluit. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.

8. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Namens verzoekster was haar gemachtigde (haar dochter) aanwezig. Namens het college waren zijn gemachtigden aanwezig.



Beoordeling door de voorzieningenrechter

9. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.



Spoedeisend belang



10. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.

11. Verzoekster voert hierover aan dat sprake is van medische- en financiële nood, doordat een te laag pgb is toegekend voor (het inkopen van) de noodzakelijke huishoudelijke hulp en begeleiding. De Wmo-arts heeft op 3 april 2026 een medisch advies uitgebracht waarin staat dat de situatie van verzoekster ernstig is verslechterd en er een noodzaak is tot begeleiding op alle leefgebieden. Zo kan de medicatie niet meer zelfstandig worden ingenomen, wat kan leiden tot een acute en levensgevaarlijke noodsituatie. Daarnaast is de situatie niet langer financieel houdbaar. De dochter van verzoekster is zorgverlener en zij heeft op de zitting meegedeeld dat zij drie maanden geleden haar baan heeft opgezegd om de zorg voor haar moeder te kunnen blijven uitvoeren, deze zorg is volgens haar in zwaarte sterk toegenomen.

12. De voorzieningenrechter overweegt dat met het herzieningsbesluit voor de periode 1 augustus 2025 tot en met 31 juli 2027 voor hulp bij het huishouden een pgb van 230 minuten per week is toegekend en voor begeleiding van 210 minuten per week. Dat verzoekster zich niet kan vinden in de omvang van de ondersteuning maakt niet dat er een acute noodsituatie is. De dochter van verzoekster heeft verder niet gesteld te zullen stoppen met het verlenen van zorg, als zij niet tot een hoger bedrag betaald krijgt dan nu het geval is. De dochter heeft pas op zitting aangevoerd dat zij drie maanden geleden haar baan heeft opgezegd om meer zorg aan haar moeder te kunnen geven en dat zij inmiddels al haar spaargeld heeft opgemaakt. Deze mededeling is echter niet onderbouwd met stukken, zodat geen duidelijkheid is verschaft over haar financiële situatie en een (dreigende) financiële noodsituatie onvoldoende is onderbouwd en aannemelijk is gemaakt. Daarbij heeft het college zich op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat een pgb niet in de eerste plaats bedoeld is om iemand die zorg verleent van een inkomen te voorzien. Het gaat erom dat met een pgb de noodzakelijke zorg voor verzoekster kan worden ingekocht. Met het pgb dat nu is toegekend kan op dit moment in ieder geval de meest noodzakelijke zorg, zoals bijvoorbeeld ondersteuning bij het nemen van medicatie, worden verleend. Of al dan niet aanleiding bestaat om meer uren aan huishoudelijke hulp en begeleiding toe te kennen zal het college moeten beoordelen in de lopende bezwaarprocedure en goed moeten motiveren in het te nemen besluit op het bezwaarschrift. De voorzieningenrechter ziet gezien het voorgaande geen aanleiding een spoedeisend belang aan te nemen.



Evident onrechtmatig besluit



13. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het herzieningsbesluit in bezwaar in stand zal blijven.

14. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in een e-mail van 3 juli 2026 erkent dat uit het herzieningsbesluit van 22 mei 2026 onvoldoende blijkt hoe de omvang van de benodigde ondersteuning is vastgesteld en hoe dit heeft geleid tot de toegekende omvang van de begeleiding. In zoverre kleeft een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek aan het herzieningsbesluit. Dit kan echter hersteld worden in bezwaar. Het college heeft ter zitting meegedeeld dat, los van het zorgvuldigheidsgebrek, het vooralsnog twijfelachtig is of de heroverweging in bezwaar tot een andere uitkomst zal leiden. De huishoudelijke hulp wordt al volledig overgenomen en hier is volgens het college het maximum aantal uren voor toegekend. Voor zover het gaat om de individuele begeleiding heeft verzoekster over één week een overzicht gegeven van haar zorgtaken, maar volgens het college valt niet alles uit het overzicht onder taken waar individuele begeleiding en, in het verlengde daarvan, een pgb voor wordt geïndiceerd. Ook is volgens het college het overzicht niet representatief voor een langere periode. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zonder nader onderzoek naar de feiten niet nu al ernstig getwijfeld kan worden aan de inhoud van het herzieningsbesluit. Als er al sprake is van een onjuistheid dan is op dit moment ook niet te bepalen wat de omvang van het pgb zou moeten zijn.



Belangenafweging



15. De voorzieningenrechter overweegt dat de belangenafweging in het nadeel van verzoekster uitvalt. Zoals eerder overwogen is niet gebleken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Daar komt bij dat de rechtbank op 26 juni 2026 een uitspraak heeft gedaan op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. In deze uitspraak is het college opgedragen uiterlijk 21 augustus 2026 een besluit op het bezwaar bekend te maken. Verzoekster hoeft dus geen lange periode te overbruggen tot een inhoudelijk besluit wordt genomen op het ingediende bezwaar.



Conclusie en gevolgen

16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een vergoeding van griffierecht of schadevergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing


De voorzieningenrechter:



wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;


wijst het verzoek om schadevergoeding af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:








Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Persoonsgebonden budget.


Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.


Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Zie de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3923.


Dit is connex aan het bezwaar dat van rechtswege mede betrekking heeft op het herzieningsbesluit.


Zie artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.