Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4537

2026-07-21 Civiel recht; Personen- en familierecht C/16/612143 / KL ZA 26-149
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-21
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/16/612143 / KL ZA 26-149
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eisers vorderen in kort geding verwijdering van camera's en herplaatsing van waarschuwingsborden door gedaagde. Vordering tot verwijdering van camera's wordt toegewezen en de vordering tot herplaatsing wordt afgewezen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.061 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland


Civiel recht



Zittingsplaats Lelystad



Zaaknummer: C/16/612143 / KL ZA 26-149




Vonnis in kort geding van 21 juli 2026




in de zaak van





1 [eiseres] , 2. [eiser] ,

beiden te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. R.H. Broeksema,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. Z. Dadasova.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 juni 2026, met producties 1 tot en met 5,- de producties 1 tot en met 6 van [gedaagde] ,- de mondelinge behandeling van 7 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [gedaagde] .




1.2.
Ten slotte is bepaald dat vonnis wordt gewezen.





2De kern van het geschil


2.1.

[eisers] zijn eigenaar van een toegangsweg waarop een erfdienstbaarheid van overweg rust ten behoeve van [gedaagde] . De toegangsweg vormt de verbinding tussen de woningen van [eisers] en de openbare weg. Aan weerszijden van de toegangsweg liggen percelen landbouwgrond van [gedaagde] . In een eerdere procedure is [gedaagde] veroordeeld om palen met waarschuwingsborden aan beide uiteinden van de toegangsweg te plaatsen. De waarschuwing betreft de uitvoering van landbouwwerkzaamheden. Die palen heeft hij geplaatst. Aan beide palen heeft hij zowel een rechte als een ronde camera bevestigd.



2.2.

[eisers] voelen zich bekeken en geïntimideerd door die camera’s. Zij vorderen verwijdering daarvan. Daarnaast menen zij dat de palen met waarschuwingsborden verkeerd zijn geplaatst en vorderen zij herplaatsing daarvan. Volgens [gedaagde] zijn de camera’s nodig om zijn eigendommen en personeel te beschermen, en zijn de palen met waarschuwingsborden correct geplaatst.



2.3.
De voorzieningenrechter wijst de vordering tot verwijdering van de camera’s toe. De vordering tot herplaatsing van de palen wordt afgewezen, omdat een spoedeisend belang daarbij ontbreekt.





3De beoordeling




[eisers] hebben een spoedeisend belang




3.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisers] daarbij een spoedeisend belang hebben. Hiervan is sprake als, gelet op de belangen van partijen, op korte termijn een voorziening geboden is en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.



3.2.

[eisers] menen dat [gedaagde] met het plaatsen van de camera’s een ernstige inbreuk maakt op hun recht op privacy. Daarmee is het spoedeisend belang van [eisers] bij hun vordering tot verwijdering van de camera’s gegeven.



De camera’s maken inbreuk op het recht op privacy van [eisers]





3.3.
Iedereen heeft recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dat volgt uit artikel 8 EVRM en uit artikel 10 Grondwet. Een inbreuk op dit recht levert in beginsel een onrechtmatige daad op in de zin van artikel 6:162 BW, tenzij de inbreuk gerechtvaardigd kan worden. Of een inbreuk gerechtvaardigd kan worden, moet worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Bij die beoordeling moet de ernst van de inbreuk worden afgewogen tegen de belangen die redelijkerwijs kunnen worden gediend met de inbreuk makende handelingen.



3.4.

[eisers] stellen dat de rechte camera’s op hun toegangsweg zijn gericht en deze filmen. Daarnaast filmt een van de rechte camera’s volgens [eisers] ook hun perceel met tuin en woonhuis. De ronde camera’s kunnen volgens hen ronddraaien en rondom zowel de toegangsweg als hun perceel met tuin en woonhuis filmen. Zij menen dat [gedaagde] met het plaatsen van de camera’s een structurele inbreuk maakt op hun recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Daarnaast ervaren zij de camera’s die zowel aan het begin als aan het einde van de toegangsweg zijn geplaatst – in het bijzonder de ronde camera’s – als zeer intimiderend.



3.5.

[gedaagde] betwist dat zijn camera’s de toegangsweg of het perceel met tuin en woonhuis van [eisers] filmen. Ter onderbouwing heeft hij enkele met zijn camera’s gemaakte foto’s overgelegd. Op die foto’s is volgens hem te zien dat de ronde camera’s alleen de palen filmen waarop zij zijn geplaatst en dat de rechte camera’s alleen zijn eigen percelen filmen. Hoewel [gedaagde] erkent dat de ronde camera’s kunnen ronddraaien, zijn die volgens hem vastgeschroefd en kunnen zij zonder schroevendraaier niet worden versteld.



3.6.
Op een van de door [gedaagde] overgelegde foto’s is een van de woonhuizen van [eisers] te zien. Daarmee maakt [gedaagde] inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eisers]



3.7.
Voor zover de andere camera’s niet de toegangsweg of percelen van [eisers] filmen, geldt het volgende. De camera’s zijn zowel aan het begin als aan het uiteinde van de toegangsweg geplaatst. Zij staan op slechts enkele centimeters afstand van de erfgrens van [eisers] Omdat de rechte camera’s op het midden van de toegangsweg zijn gericht, lijken zij de toegangsweg te filmen. Ten aanzien van de ronde camera’s is voor [eisers] , of voor derden die hen bezoeken, niet te controleren hoe deze zijn afgesteld en wat daarmee precies gefilmd wordt. Ook als de ronde camera’s niet zijn afgesteld zodat zij de toegangsweg of percelen van [eisers] filmen, kunnen zij op zeer eenvoudige wijze wel zo worden afgesteld, zonder dat die afstelling door [eisers] te zien of te controleren is. Voor het verstellen van de camera’s is kennelijk alleen een schroevendraaier nodig. Vanwege de plaatsen van de camera’s, de hoeveelheid en het type camera’s, en de potentie daarvan om de toegangsweg en de percelen van [eisers] te filmen, is het zonder meer begrijpelijk dat [eisers] dat als zeer intimiderend ervaren. Ook daarom maakt [gedaagde] met zijn camera’s inbreuk op het recht van [eisers] op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.



3.8.
Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangegeven dat hij zich kan voorstellen dat zijn camera’s door [eisers] als intimiderend worden ervaren, maar dat hij op zijn beurt de camera’s op het woonperceel van [eisers] ook als intimiderend ervaart. Dat mag zo zijn, maar dat betekent niet dat hij gerechtigd is om camera’s te plaatsen zoals hij heeft gedaan.



Het belang van [gedaagde] rechtvaardigt de inbreuk niet





3.9.
De inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eisers] kan gerechtvaardigd zijn, als de belangen van [gedaagde] bij het gebruik van de camera’s zwaarder wegen dan het belang van [eisers] bij eerbiediging van de persoonlijk levenssfeer. Daarbij is ook van belang of het gebruik van de camera’s door [gedaagde] voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Met andere woorden, of [gedaagde] zijn doel bij het gebruik van de camera’s ook kan bereiken met een minder ingrijpend middel of op een minder intimiderende wijze.



3.10.

[gedaagde] voert aan dat de camera’s dienen om de palen te beschermen waarop zij zijn geplaatst. De palen met waarschuwingsborden zijn volgens hem namelijk al een keer door [eisers] weggehaald. Daarnaast voert hij aan dat de camera’s dienen om zijn percelen te beschermen en om de veiligheid van zijn personeel te waarborgen.



3.11.

[gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat de camera’s nodig zijn om zijn percelen te beschermen of de veiligheid van zijn personeel te waarborgen. Ook is niet komen vast te staan dat [eisers] de palen al een keer hebben weggehaald. [eisers] hebben juist belang bij de palen. Zij hebben immers eerder een procedure gevoerd die ertoe heeft geleid dat de palen geplaatst werden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] dan ook onvoldoende onderbouwd gesteld dat het plaatsen van deze camera’s op de wijze zoals hij heeft gedaan, noodzakelijk is voor de bescherming van zijn eigendommen of de veiligheid van zijn personeel.



3.12.
Daar komt bij dat [gedaagde] zijn eigendommen en personeel op eenvoudige wijze met een minder ingrijpend middel en op minder intimiderende wijze kan beveiligen. Hij kan bijvoorbeeld camera’s op een andere plek, (veel) verder verwijderd van de erfgrens met [eisers] , plaatsen. Ook kan hij camera’s plaatsen die niet de sterke indruk wekken dat de toegangsweg en de percelen van [eisers] gefilmd worden of kunnen worden. Tot slot had hij in overleg kunnen treden met [eisers] over zijn voornemen om door middel van camera’s zijn eigendommen en personeel te beschermen. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangegeven dat hij geen voorafgaand overleg met [eisers] heeft gehad. Het gebruik van de camera’s door [gedaagde] voldoet dan ook niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.




[gedaagde] moet zijn camera’s verwijderen





3.13.
Uit het voorgaande volgt dat het belang van [eisers] zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] . Dat maakt de inbreuk door [gedaagde] op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eisers] , onrechtmatig. [gedaagde] moet daarom zijn camera’s verwijderen. Dat moet binnen een week na betekening van dit vonnis gebeuren.



De palen met waarschuwingsborden hoeven niet herplaatst te worden





3.14.
In haar vonnis van 10 september 2025 heeft deze rechtbank bepaald dat [gedaagde] één waarschuwingsbord in de noordwestelijke hoek van zijn perceel moet plaatsen en één in de zuidwestelijke hoek, beide op 50 centimeter afstand van de kadastrale erfgrens. [eisers] menen dat de palen met waarschuwingsborden niet op de juiste plek zijn geplaatst. Volgens hen staan de palen namelijk niet op 50 centimeter, maar op 44 en 48 centimeter van de erfgrens. Daarnaast menen zij dat een van de palen niet in de hoek van het perceel staat, omdat deze paal 5,5 meter uit de hoek is geplaatst. [gedaagde] vindt dat de waarschuwingsborden wel correct zijn geplaatst.



3.15.
Op de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter aan [eisers] gevraagd wat hun spoedeisend belang bij deze vordering is. Daarop hebben zij aangegeven dat hun voornaamste belang in deze procedure bestaat in de verwijdering van de camera’s en dat zij zich kunnen voorstellen dat het herplaatsen van de palen niet spoedeisend is. Omdat de voorzieningenrechter niet is gebleken dat [eisers] een spoedeisend belang hebben bij de herplaatsing van de palen als onmiddellijke voorziening, zal deze vordering worden afgewezen.



De gevorderde dwangsom wordt toegewezen





3.16.
De voorzieningenrechter zal aan de veroordeling tot verwijdering van de camera’s een dwangsom verbinden van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 20.000,00.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





3.17.

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


153,02







- griffierecht


€


341,00







- salaris advocaat


€


760,00







- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.443,02














4De beslissing


De voorzieningenrechter



4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen een week na betekening van dit vonnis de op zijn land geplaatste camera’s te verwijderen,



4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 4.1 voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt,



4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.443,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.



5984




HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609, rov. 3.5.2.


Foto ‘ [locatie] ’ bij productie 3 van [gedaagde] .


Rb. Midden-Nederland 10 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4816, rov. 4.1.