Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4531
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om haar voertuig met terugwerkende kracht te laten schorsen. Eiseres haar voertuig was geschorst tot en met 2 juni 2024. Eiseres stelt de schorsing niet te hebben verlengd op 2 juni 2024 omdat het systeem van de RDW een andere afloopdatum van de schorsing toonde. Als gevolg daarvan heeft eiseres verschillende boetes en een aanslag motorrijtuigenbelasting ontvangen. Eiseres vindt dit onterecht en heeft daarom de RDW verzocht om haar voertuig met terugwerkende kracht alsnog te schorsen. De rechtbank oordeelt dat de RDW de aanvraag terecht heeft afgewezen en het voertuig van eiseres dus terecht niet alsnog met terugwerkende kracht heeft geschorst. Eiseres wist of had moeten weten dat de schorsing op 2 juni 2024 verliep en heeft niet aannemelijk gemaakt dat het systeem van de RDW een andere datum toonde. Het beroep is ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2021:2447 Raad van State 03-11-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.940 tekens)
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1673
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
De directie van de RDW, verweerder
(gemachtigden: mr. C. Vrolijk en F.A. Driesens).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres haar voertuig was geschorst tot en met 2 juni 2024. Haar zoon, ook haar gemachtigde in deze zaak, wilde de schorsing op 2 juni 2024 verlengen, maar stelt dat in het systeem van de RDW een andere datum werd aangegeven waarop de schorsing van het voertuig afliep. Daarom heeft hij de schorsing toen niet verlengd. Als gevolg daarvan heeft eiseres verschillende boetes en een aanslag motorrijtuigenbelasting ontvangen. Eiseres vindt dit onterecht en heeft daarom de RDW verzocht om haar voertuig met terugwerkende kracht alsnog te schorsen voor de periode van 2 juni 2024 tot en met 19 juli 2024. In die periode was haar voertuig namelijk niet geschorst, terwijl zij dat wel had gewild. De RDW heeft die aanvraag afgewezen omdat het volgens de RDW duidelijk was dat de schorsing op 2 juni 2024 verliep. Eiseres is het daar niet mee eens. De rechtbank moet beoordelen of de RDW de aanvraag terecht heeft afgewezen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de RDW de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres wist of had moeten weten dat de schorsing op 2 juni 2024 verliep. Eiseres heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat het systeem van de RDW een andere afloopdatum van de schorsing aangaf. De afwijzing is verder niet onevenredig. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft haar voertuig met kenteken [kenteken] (het voertuig) geschorst van 2 juni 2023 tot en met 2 juni 2024.
2.1.
Op 19 juli 2024 heeft de gemachtigde van eiseres de schorsing van het voertuig verlengd.
2.2.
Eiseres heeft daarna boetes ontvangen omdat het voertuig in de periode 2 juni 2024 tot 19 juli 2024 niet was verzekerd en geen geldige APK had. Ook heeft eiseres een aanslag motorrijtuigenbelasting ontvangen voor die periode.
2.3.
Eiseres heeft vervolgens een aanvraag ingediend om het voertuig met terugwerkende kracht alsnog voor de periode 2 juni 2024 tot 19 juli 2024 te schorsen. De RDW heeft deze aanvraag afgewezen (het primaire besluit) en eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.4.
De RDW heeft op 15 januari 2026 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Dat betekent dat de RDW bij de afwijzing van de aanvraag is gebleven.
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de RDW. Eiseres was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Is eiseres haar aanvraag terecht afgewezen?
3. Eiseres stelt dat haar aanvraag onterecht is afgewezen. Eiseres stelt een zorgvuldige eigen administratie bij te houden van haar voertuigen die geschorst moeten worden. Eiseres is oldtimerverzamelaar en moet dus regelmatig de schorsingen van de kentekens van haar oldtimers verlengen. Toen haar gemachtigde op 2 juni 2024 in het systeem van de RDW inlogde om de schorsing van het voertuig te verlengen, zag hij in dat systeem bij het voertuig een andere datum waarop de schorsing zou aflopen dan 2 juni 2024. Namelijk een datum ongeveer anderhalve maand later. Haar gemachtigde heeft de schorsing van het voertuig daarom op 2 juni 2024 niet verlengd, ondanks dat hun eigen administratie aangaf dat de schorsing op 2 juni 2024 afliep. Eiseres stelt dat zij moet kunnen vertrouwen op de juistheid van het systeem van de RDW. Eiseres vindt het onterecht dat zij boetes en een aanslag motorrijtuigenbelasting van andere instanties heeft ontvangen, als gevolg van deze fout in het RDW systeem. Eiseres wil dat haar voertuig alsnog met terugwerkende kracht wordt geschorst. Daarbij toonde het systeem geen waarschuwingsdriehoek dat de schorsing van het voertuig bijna zou verlopen, terwijl dat wel gebruikelijk is. Ook heeft eiseres verwezen naar de mogelijkheid dat er sprake was van een storing. Eiseres vindt verder dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De RDW heeft namelijk alleen in haar interne systemen gekeken, maar geen onderzoek gedaan naar welke datum de pagina die haar gemachtigde op 2 juni 2024 heeft gezien (de presentatiepagina) liet zien. Daarnaast heeft eiseres in beroep de rechtbank, op grond van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verzocht om nog een aantal technische inlichtingen te vragen bij de RDW zodat duidelijker wordt waarom er een verkeerde datum stond. Ten slotte heeft de gemachtigde van eiseres op de zitting nog een keer benadrukt dat het onlogisch is dat de schorsing niet zou zijn verlengd als er wel een goede datum in het systeem stond. Eiseres heeft daar namelijk geen belang bij. Daarom kan het niet anders dan dat er een verkeerde datum in het systeem stond.
3.1.
De RDW stelt dat het eiseres haar verantwoordelijkheid is om ervoor te zorgen dat de schorsing van haar voertuig tijdig wordt verlengd. De RDW heeft daarnaast onderzoek gedaan in hun systemen en gezien dat daarin de afloopdatum van de schorsing 2 juni 2024 was. De RDW stelt ook dat er op 2 juni 2024 geen storing was in het systeem. De RDW concludeert daarom dat uit hun informatie niet blijkt dat er een andere datum in het systeem aan de gemachtigde van eiseres werd getoond. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de RDW nog nader toegelicht dat en waarom dit zeer onwaarschijnlijk is. Ook heeft hij toegelicht dat het verzoek van eiseres aan de rechtbank, om nog gegevens bij de RDW op te vragen, geen zin heeft omdat de RDW die gegevens niet (meer) heeft. De RDW ziet kortom geen aanleiding om het voertuig alsnog met terugwerkende kracht te schorsen voor de gevraagde periode.
3.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat de schorsing van het voertuig op 2 juni 2024 afliep. Ook is niet in geschil dat de gemachtigde van eiseres op 2 juni 2024 heeft ingelogd in het systeem van de RDW.
3.3.
De rechtbank oordeelt vervolgens dat het de verantwoordelijkheid is van eiseres om de schorsing van het voertuig tijdig te verlengen. Dat volgt uit de wet en is ook duidelijk op de website van de RDW terug te lezen.
3.4.
Omdat niet in geschil is dat de schorsing op 2 juni 2024 afliep, is dat in principe ook de datum waar zowel eiseres, de RDW en alle overige relevante instanties vanuit moeten kunnen gaan. Dat is in het belang van de juistheid van het kentekenregister en de rechtszekerheid. Gebruikers van dat register, onder wie ook particulieren, moeten er namelijk op elk moment vanuit kunnen gaan dat het kentekenregister juist is, zonder dat zij erop bedacht hoeven te zijn dat die registratie in de toekomst wordt aangepast.
3.5.
Slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen gegevens met terugwerkende kracht worden gecorrigeerd. Het is dan wel aan eiseres om aannemelijk te maken dat er sprake is van een uitzonderlijk geval, namelijk dat het systeem daadwerkelijk een andere datum toonde.
3.6.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een uitzonderlijk geval omdat eiseres er niet in is geslaagd dat aannemelijk te maken. Daarvoor is het volgende van belang.
3.7.
De RDW heeft zorgvuldig gekeken naar hun interne systemen en daaruit blijkt dat de afloopdatum van de schorsing op 2 juni 2024 stond. Ook heeft de RDW onderzocht of er op 2 juni 2024 een storing in het systeem was, maar die was er niet. De RDW heeft daarnaast geen meldingen ontvangen van andere gebruikers dat er op 2 juni 2024 iets niet goed ging met het systeem. Vervolgens heeft de RDW ook gemotiveerd, en op de zitting nog nader uitgelegd, waarom het zeer onwaarschijnlijk is dat het systeem ineens een andere afloopdatum zou tonen. Zo worden de gegevens, zodra iemand inlogt in het RDW systeem, live opgehaald uit de interne systemen van de RDW. Aangezien de RDW heeft onderbouwd dat daar 2 juni 2024 in stond, is het dus niet aannemelijk dat de presentatiepagina die de gemachtigde van eiseres heeft gezien, een andere afloopdatum toonde. Eiseres suggereerde nog dat het mogelijk zou zijn dat er fouten in de tussenlagen van het systeem zouden zitten. De gemachtigde van de RDW heeft daarover op zitting duidelijk toegelicht dat de suggesties die de gemachtigde van eiseres deed, de RDW of niet op die manier werkt of geen invloed heeft op een eventuele theoretische fout. Zo vroeg de gemachtigde van eiseres of het aan de browser die hij gebruikte kon liggen dat er een foute datum werd getoond, waarop de gemachtigde van de RDW heeft uitgelegd dat deze browser niet specifiek door de RDW wordt gesteund en dat de RDW geen invloed heeft op eventuele aanpassingen die een browser in een presentatiepagina zou maken. Daarnaast heeft de gemachtigde van de RDW dat in ieder geval nog nooit eerder gezien.
3.8.
De RDW heeft dus gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat hun systeem een andere datum toonde. Eiseres en haar gemachtigde hebben daarentegen nagelaten om aannemelijk te maken dat er wel een andere datum werd getoond. Zo hebben ze geen schermafbeelding gemaakt van de presentatiepagina die op 2 juni 2024 werd getoond. Verder stelt eiseres een zorgvuldige administratie bij te houden van haar voertuigen en de data van de schorsingen van die voertuigen. Op het moment dat het systeem dan een andere afloopdatum laat zien, had het op de weg van eiseres gelegen om daarover contact op te nemen met de RDW, bijvoorbeeld een dag later. Het is namelijk eiseres haar verantwoordelijkheid om de schorsing tijdig te verlengen. Maar eiseres heeft nagelaten contact op te nemen met de RDW. Eiseres heeft verder alleen in algemeenheden gesuggereerd wat er mis zou hebben kunnen gaan, maar heeft dat niet onderbouwd.
3.9.
De rechtbank concludeert daarom dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het systeem een andere datum aangaf, terwijl de RDW wel voldoende zorgvuldig heeft onderbouwd dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het systeem een andere datum toonde.
3.10.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het besluit evenredig?
4. Eiseres vindt verder dat het besluit onevenredig is. Het voertuig stond namelijk in het buitenland, dus het was niet mogelijk om het voertuig te laten keuren en aan de verplichtingen in Nederland te voldoen. Daarnaast is er vanwege de boetes beslag gelegd op de AOW-uitkering van eiseres. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres (haar zoon) aangegeven zijn moeder financieel te ondersteunen. De financiële gevolgen voor eiseres van de niet geschorste periode, namelijk de boetes en de belasting, moeten daarom zwaarder wegen dan het algemene belang van een juist kentekenregister. Ten slotte verzoekt eiseres ook een vergoeding van haar schade als gevolg van het bestreden besluit.
4.1.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit evenredig is. Eiseres heeft slechts gesteld, maar niet onderbouwd dat er sprake is van een dusdanig ernstige financiële situatie dat de RDW een ander besluit had moeten nemen. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij door het bestreden besluit financieel niet meer in haar levensonderhoud kan voorzien. Tegelijkertijd heeft haar gemachtigde op de zitting aangegeven dat ook nog niet alle boetes zijn betaald in afwachting van deze procedure en dat het feitelijk wel mogelijk zou zijn om een van haar oldtimers te verkopen (weliswaar met verlies volgens de gemachtigde) om toch in haar levensonderhoud te voorzien. Kortom, de rechtbank ziet geen aanknopingspunten dat er sprake is van een financiële noodsituatie bij eiseres die tot een ander besluit had moeten leiden. Het algemeen belang van de rechtszekerheid en een correct kentekenregister heeft de RDW daarom zwaarder mogen wegen dan de financiële belangen van eiseres.
4.2.
Daarnaast heeft eiseres geen recht op een schadevergoeding, omdat de RDW geen onrechtmatig besluit heeft genomen.
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de RDW de hoorplicht geschonden?
5. Ten slotte stelt eiseres dat de RDW de hoorplicht heeft geschonden. Haar gemachtigde is namelijk gebeld door de gemachtigde van de RDW. Tijdens dat gesprek heeft de gemachtigde van de RDW een aantal vragen gesteld en aan het einde van het gesprek gevraagd of alles besproken was en of de gemachtigde van eiseres nog behoefte had aan een hoorzitting. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat hij tijdens het telefoongesprek heeft gevraagd hoe een hoorzitting er dan uit zou zien. De gemachtigde van de RDW zou toen hebben gezegd dat een hoorzitting eenzelfde strekking zou hebben als het telefoongesprek en daarom heeft de gemachtigde van eiseres toen gezegd dat een hoorzitting dan niet nodig is. Als hij had geweten dat eiseres daarmee een mogelijkheid werd onthouden om daadwerkelijk nog al haar standpunten naar voren te brengen, had hij niet af willen zien van een hoorzitting.
5.1.
De rechtbank oordeelt dat de RDW de hoorplicht niet heeft geschonden. Het is niet in geschil dat er een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen beide gemachtigden. Ook is niet in geschil dat tijdens dat telefoongesprek de gemachtigde van de RDW alle vragen heeft gesteld die hij in het kader van de bezwaarprocedure had. Uit de telefoonnotitie en de toelichting op zitting blijkt dat aan de gemachtigde van eiseres is gevraagd of alles is besproken en ook dat hij vervolgens heeft aangegeven af te zien van een hoorzitting. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het voertuig van eiseres niet met terugwerkende kracht alsnog wordt geschorst. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug en zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank wijst ten slotte het verzoek om schadevergoeding af.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 67, eerste en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw).
https://www.rdw.nl/schorsen/schorsing-verlengen.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2447, r.o. 5.1.
Dit betrof specifiek de Brave Browser.