Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4521
2026-07-20
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
UTR 26/685
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WHT. Beroep ongegrond. Commissie Werkelijke Schade. Geen causaal verband tussen de gestelde schadeposten en de kinderopvangtoeslagproblematiek
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2023:3620 Raad van State 27-09-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21509 Rechtbank Den Haag 30-12-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:3620 Raad van State 27-09-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.070 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/685
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aan haar toegekende aanvullende werkelijke schadevergoeding in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.
1.1.
Eiseres is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. In dat kader heeft zij voor de jaren 2005, 2007 en 2009 een compensatiebedrag van € 37.993,- ontvangen (beschikking van 9 augustus 2021).
1.2.
Eiseres meent dat zij meer schade heeft geleden door de problemen met de kinderopvangtoeslag dan het compensatiebedrag dat zij van verweerder heeft ontvangen. Daarom heeft zij een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).
1.3.
De CWS heeft verweerder op 30 augustus 2024 geadviseerd om aan eiseres een aanvullende vergoeding voor werkelijke schade van € 18.749,- toe te kennen.
1.4.
In een besluit van 10 september 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de aanvullende werkelijke schadevergoeding vastgesteld op een bedrag van € 19.449,- (€ 18.749,- aanvullende schadevergoeding + € 700,- vergoeding voor het voeren van de procedure bij CWS). Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
1.5.
Op 13 oktober 2025 heeft de bezwaarschriftencommissie verweerder geadviseerd om over het punt van inkomensschade:
opnieuw advies te vragen aan de CWS; of
dit punt zelf af te doen door erkenning van de proportionele aansprakelijkheid; of
een dragende motivering aan te leveren voor de afwijzing van een dergelijke aansprakelijkheid.
1.6.
In een besluit van 18 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit in stand gelaten, met een aanvullende motivering dat er geen causaal verband is tussen de aangevoerde medische klachten / arbeidsongeschiktheid en de toeslagenproblematiek. Er is volgens verweerder geen ruimte voor proportionele aansprakelijkheid ten aanzien van de gestelde inkomensschade.
1.7.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres met haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Ingediende stukken
2. Eiseres heeft op 19 juni 2026 medische informatie ingebracht. Omdat de stukken minder dan tien dagen voor de zitting zijn ontvangen, is de vraag aan de orde of het toelaten van deze stukken in strijd is met de goede procesorde. Verweerder heeft de stukken op 22 juni 2026 ontvangen en heeft zich daardoor niet volledig in de stukken kunnen verdiepen of deze kunnen voorleggen aan een medicus. De rechtbank laat daarom de stukken, gelet op de goede procesorde, buiten de beoordeling van deze zaak.
Causaal verband
3. Artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) bepaalt dat een aanvrager van compensatie voor werkelijke schade aannemelijk dient te maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan het na de integrale beoordeling toegekende bedrag. Concreet betekent dit dat eiseres aannemelijk moet maken dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden, hoe hoog die schade is en dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de handelwijze van verweerder.
Advies van de Commissie Werkelijke Schade
4. Verweerder heeft het in deze beroepsprocedure te beoordelen besluit genomen op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht. In dat kader is de CWS aangewezen als adviserende commissie.Aan de CWS is onder meer de taak opgedragen om schadebeoordelingskaders ten behoeve van haar adviestaak op te stellen en aan te passen. Het schadekader, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold, is neergelegd in ‘De werkwijze en het schadekader van de Commissie Werkelijke Schade’, zoals dit per 1 juli 2024 gold. In dit document is aangegeven hoe de immateriële schade en materiële schade wordt berekend aan de hand van diverse bouwstenen en kostenposten. Dit schadekader heeft verweerder, in navolging van het advies van de CWS, in het bestreden besluit gehanteerd.
5. Verweerder heeft de aanvullende werkelijke schadevergoeding gebaseerd op het advies van de CWS. Het advies van de CWS is een deskundigenadvies als bedoeld in artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter mag een bestuursorgaan afgaan op een door een deskundige uitgebracht advies, nadat het bestuursorgaan is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
6. Als een belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur om een reactie op wat de belanghebbende over het advies heeft aangevoerd.
Gedwongen verkoop van de woning van de moeder van eiseres
7. Eiseres heeft om een vergoeding verzocht vanwege de gedwongen verkoop van de woning van haar moeder in 2003. Eiseres stelt dat zij de hypotheeklasten voor deze woning niet meer kon voldoen als direct gevolg van de financiële druk die door de kinderopvangtoeslagproblematiek is ontstaan.
8. De rechtbank stelt vast dat de kinderopvangtoeslagaffaire in 2005 is ontstaan. In dat jaar is de Wet kinderopvang en de nieuwe Toeslagenwet in werking getreden en werd de Belastingdienst verantwoordelijk voor de uitbetaling van de kinderopvangtoeslag. De financiële problemen van eiseres hieraan voorafgaand, zoals ten tijde van de verkoop van de woning van haar moeder in 2003, kunnen daarom geen direct gevolg zijn van de kinderopvangtoeslagproblematiek. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Toeslagjaar 2004
9. Eiseres stelt dat toeslagjaar 2004 een essentiële context vormt voor de later ontstane schade. Zoals hiervoor overwogen is de kinderopvangtoeslagaffaire in 2005 begonnen, zodat financiële problemen die in 2004 aan de orde waren buiten de beoordeling van deze zaak vallen.
Inkomensschade in verband met einde dienstverband
10. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van € 234.000,- wegens inkomensschade in verband het verlies van haar baan bij het casino. Eiseres vindt dat er causaal verband bestaat tussen dit verlies van inkomen en de kinderopvangtoeslagproblematiek. Het stopzetten en terugvorderen van de kinderopvangtoeslag heeft namelijk direct geleid tot het wegvallen van opvang en het onmogelijk worden van het behouden van werk met dientengevolge (financiële) stress en verlies van inkomen, aldus eiseres.
11. De rechtbank constateert dat er sprake is geweest van inkomensdaling. Na het einde van haar dienstverband bij het casino is eiseres namelijk teruggevallen op een bijstandsuitkering. De rechtbank is echter van oordeel dat deze inkomensachteruitgang niet het gevolg is geweest van de kinderopvangtoeslagproblematiek. De rechtbank legt dit hierna uit.
12. Uit de stukken blijkt dat er in 2007 of 2008 loonbeslag is opgelegd. De reden van dit loonbeslag is de rechtbank en partijen onduidelijk gebleven. De rechtbank stelt echter wel vast dat de Belastingdienst geen loonbeslag heeft opgelegd in verband met invordering van de kinderopvangtoeslag.
13. Eiseres ontving tijdens haar dienstverband bij het casino van november 2007 tot en met mei 2008 kinderopvangtoeslag. Haar dienstverband bij het casino is per juni 2008 beëindigd. Een loonbeslag kan pas na een aanmaning en een dwangbevel worden opgelegd. Uit het betaal- en verrekenoverzicht 2008 blijkt dat de aanmaning van 26 oktober 2009 dateert en het dwangbevel van 17 november 2009. Dat is ruim ná de beëindiging van het dienstverband van eiseres bij het casino. Er is dus geen sprake geweest van een loonbeslag in verband met dit dienstverband. De eerste brief waarin eiseres is geïnformeerd dat de kinderopvangtoeslag over 2005 moet worden terugbetaald, dateert van november 2007, maar in die periode is geen sprake geweest van een invordering.
14. Na beëindiging van haar dienstverband bij het casino in 2008, heeft eiseres niet meer gewerkt en heeft zij ook geen studie gevolgd. Zij heeft voor 2009 kinderopvangtoeslag aangevraagd maar deze aanvraag is op haar eigen verzoek stopgezet. Na 2009 heeft eiseres geen kinderopvangtoeslag meer aangevraagd. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij na verlies van haar baan recht had op kinderopvangtoeslag. Zij heeft sindsdien ook geen kinderopvangtoeslag ontvangen die zij (deels) heeft moeten terugbetalen.
15. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat er geen causaal verband bestaat tussen het inkomensverlies als gevolg van het einde van het dienstverband en de problemen met de kinderopvangtoeslag.
16. De beroepsgrond slaagt niet.
Psychische schade
17. Eiseres voert aan dat verweerder haar psychische schade onvoldoende heeft meegenomen in de beoordeling.
18. Verweerder erkent dat eiseres op meerder gebieden traumatische ervaringen heeft meegemaakt waardoor zij veel leed en verdriet heeft gehad. Verweerder heeft rekening met het leed van eiseres en haar dochter gehouden bij de toewijzing van immateriële schade. Verweerder heeft een vaste vergoeding van € 500,- per half jaar toegekend, voor de periode van november 2007 tot de datum van het CWS-advies (30 augustus 2024). Dit komt neer op een bedrag € 26.050,- voor het leed van eiseres en € 2.250,- voor het leed van haar dochter (totaal € 28.300,-). Eiseres heeft op de zitting aangevoerd dat een vergoeding van € 500,- per half jaar geen recht doet aan de werkelijk geleden immateriële schade, maar zij heeft niet nader geconcretiseerd of onderbouwd wat deze schadevergoeding volgens haar zou moeten bedragen.
19. De beroepsgrond slaagt niet.
Overige medische kosten
20. Eiseres voert aan dat verweerder de overige medische schade en bijbehorende kosten onvoldoende heeft meegewogen in de beoordeling van de werkelijk geleden schade.
21. Verweerder heeft een bedrag van € 3.500,- toegekend vanwege tandartskosten. Verweerder vindt het aannemelijk dat eiseres rond 2011/2012 geen aanvullende verzekering voor de tandarts kon betalen en dat dit kwam door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Verweerder vindt het ook aannemelijk dat eiseres de kosten voor een beugel zelf moest betalen. Eiseres heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van deze kosten. Verweerder heeft daarom aansluiting gezocht bij de prijzen zoals die zijn vastgesteld door de Nederlandse zorg Autoriteit die voor alle orthodontiepraktijken gelijk zijn. Omdat niet bekend is om wat voor soort beugel het gaat en er geen nota’s van zijn, gaat verweerder uit van het gemiddelde van de goedkoopste en de duurste behandeling: € 3.500,-. In dat bedrag zijn zowel de beugel als de daarmee samenhangende behandelingen opgenomen. De rechtbank vindt toekenning van dit bedrag voor tandartskosten redelijk.
22. Voor de overige medische kosten (huidkliniek, buikoperatie en fysiotherapie) zijn in het dossier geen aanknopingspunten te vinden dat deze het gevolg zijn van de problemen met de kinderopvangtoeslag.
23. De beroepsgrond slaagt niet.
Vervangende opvangkosten
24. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding toe te kennen voor vervangende opvangkosten.
25. Uit de stukken blijkt dat eiseres alleen in de periode van november 2007 tot en met mei 2008 bij het casino heeft gewerkt en over deze periode recht had op kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft over die periode ook kinderopvangtoeslag aangevraagd en ontvangen, waarmee zij dus toegang had tot reguliere kinderopvang. Met de definitieve compensatiebeschikking is eiseres gecompenseerd voor de kinderopvangtoeslag die zijn ten onrechte moest terugbetalen, waarmee eiseres alsnog de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen waarop zij recht had over de periode van november 2007 tot en met mei 2008.
26. Voor 2005 en de periode van juni tot en met december 2008 is niet aannemelijk geworden dat eiseres heeft gewerkt of een opleiding heeft gevolgd en vervangende opvang heeft genoten. Een vergoeding voor vervangende opvang kan dan ook niet aan de orde zijn. Dat eiseres na het verlies van haar baan zaken moest regelen en ervoor moest zorgen dat haar dochter ergens verbleef of door iemand werd verzorgd, ziet de rechtbank niet als gekwalificeerde kinderopvang waarvoor eiseres recht op kinderopvangtoeslag zou hebben gehad.
27. De beroepsgrond slaagt niet.
Rente en dwanginvordering
28. Eiseres voert aan dat verweerder het verzoek om vergoeding van kosten voor leningen, rente en dwanginvordering ten onrechte heeft afgewezen. Deze kosten zijn volgens eiseres direct voortgekomen uit de onterechte kinderopvangtoeslagschulden en invorderingsmaatregelen.
29. Uit de stukken is niet gebleken dat eiseres kosten heeft gemaakt voor de lening bij haar broer. Zij heeft hiervoor geen rente betaald. Er is met betrekking tot deze lening geen sprake van schade gebleken die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen.
30. De rechtbank ziet dat de kinderopvangtoeslagproblematiek een grote persoonlijke impact op eiseres heeft gehad. Het heeft ruzie in haar familie veroorzaakt en eiseres heeft ten onrechte de kwalificatie opzet/grove schuld gekregen waardoor zij geen persoonlijke betalingsregeling kon krijgen. Verder heeft eiseres middels dwangverrekeningen een bedrag van € 5.315,- voldaan. Een dwangverrekening is een ingrijpende invorderingsmaatregel. Deze omstandigheden maken echter niet dat er een causaal verband bestaat tussen de in beroep aangevoerde aanvullende schade en de kinderopvangtoeslagbesluiten van verweerder.
31. Verweerder heeft, in navolging van de CWS, een vaste vergoeding van € 2.000,- toegekend voor de kosten van dwanginvordering, omdat niet duidelijk is wat de hoogte is van de kosten die verband houden met de kinderopvangtoeslagproblematiek. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom dit bedrag hoger zou moeten zijn.
32. De beroepsgrond slaagt niet.
Inkomensschade in verband met arbeidsongeschiktheid
33. Eiseres voert aan dat haar PTSS, angstklachten, stemmingswisselingen en slaapproblemen aantoonbaar zijn verergerd door de kinderopvangtoeslagproblematiek. Haar langdurige stress, financiële onzekerheid en het ontbreken van stabiliteit hebben geleid tot haar arbeidsongeschiktheid. Zij verwijst daarvoor naar het advies van de bezwaarschriftencommissie waarin wordt erkend dat verergering van bestaande klachten voor vergoeding in aanmerking komt.
34. De bezwaarschriftencommissie heeft in haar advies geschreven dat uit het medisch advies van Sanacare, Medisch Adviesbureau (hierna: Sanacare) van 21 februari 2024 volgt dat niet valt uit te sluiten dat de toeslagenproblematiek enige invloed op de gezondheidsklachten van eiseres kan hebben gehad en dat niet valt uit te sluiten dat er sprake zou kunnen zijn van proportionele aansprakelijkheid ten aanzien van de aangevoerde inkomensschade van eiseres. Het is mogelijk dat de psychische klachten hierdoor zijn verergerd, en dat bij minder financiële druk het verloop van de psychische problematiek minder heftig was geweest, zo schrijft Sanacare.
35. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling komt alleen de schade die het gevolg is van de kinderopvangtoeslagbesluiten op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht onder voorwaarden voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank stelt voorop dat duidelijk is dat eiseres zowel voor als na het begin van de problemen met de kinderopvangtoeslag diverse medische klachten en beperkingen had en dat er een veelvoud aan factoren was die tot medische klachten en beperkingen bij eiseres hebben geleid. Uit het medisch advies van Sanacare blijkt dat eiseres reeds voor de problemen met de kinderopvangtoeslag met complexe gezinsproblematiek en traumatische (verlies)ervaringen te maken heeft gehad en dat haar lichamelijke klachten volledig voortkomen uit haar psychosociale toestand. Verder vermeldt het advies dat haar gezondheidsklachten (PTSS, stemmingswisselingen, angst voor mensen, onrust in haar hoofd en moeite met slapen) al in 2004 startten, dus een aantal jaren voordat de problemen met de kinderopvangtoeslag begonnen. Deze kunnen dus niet zijn veroorzaakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Over de mate waarin de kinderopvangtoeslagproblematiek heeft bijgedragen aan verdere destabilisatie van eiseres en invloed heeft gehad op haar ziektebeeld, heeft Sanacare geen uitspraak gedaan.
36. De rechtbank begrijpt dat een verdere verslechtering van de gezondheid van eiseres een grote invloed op haar leven hebben, maar dat neemt niet weg dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kinderopvangtoeslagbesluiten zo veel stress hebben veroorzaakt, dat daardoor haar gezondheid in die mate is verslechterd dat dit arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft gehad. Verweerder heeft dan ook terecht geen vergoeding toegekend voor het inkomensverlies van eiseres als gevolg van haar arbeidsongeschiktheid.
37. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
38. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar van verweerder over de aanvullende vergoeding voor werkelijke schade in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620 en de rechtbank Den Haag van 30 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21509.
Ingevolge artikel 5.2 van de Wht en de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade (hierna: de Instellingsregeling).
Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Instellingsregeling.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef, van de Instellingsregeling.
Op grond van artikel 2.3, vierde lid, van de Wht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620, r.o. 19.1.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/685
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aan haar toegekende aanvullende werkelijke schadevergoeding in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.
1.1.
Eiseres is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. In dat kader heeft zij voor de jaren 2005, 2007 en 2009 een compensatiebedrag van € 37.993,- ontvangen (beschikking van 9 augustus 2021).
1.2.
Eiseres meent dat zij meer schade heeft geleden door de problemen met de kinderopvangtoeslag dan het compensatiebedrag dat zij van verweerder heeft ontvangen. Daarom heeft zij een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).
1.3.
De CWS heeft verweerder op 30 augustus 2024 geadviseerd om aan eiseres een aanvullende vergoeding voor werkelijke schade van € 18.749,- toe te kennen.
1.4.
In een besluit van 10 september 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de aanvullende werkelijke schadevergoeding vastgesteld op een bedrag van € 19.449,- (€ 18.749,- aanvullende schadevergoeding + € 700,- vergoeding voor het voeren van de procedure bij CWS). Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
1.5.
Op 13 oktober 2025 heeft de bezwaarschriftencommissie verweerder geadviseerd om over het punt van inkomensschade:
opnieuw advies te vragen aan de CWS; of
dit punt zelf af te doen door erkenning van de proportionele aansprakelijkheid; of
een dragende motivering aan te leveren voor de afwijzing van een dergelijke aansprakelijkheid.
1.6.
In een besluit van 18 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit in stand gelaten, met een aanvullende motivering dat er geen causaal verband is tussen de aangevoerde medische klachten / arbeidsongeschiktheid en de toeslagenproblematiek. Er is volgens verweerder geen ruimte voor proportionele aansprakelijkheid ten aanzien van de gestelde inkomensschade.
1.7.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres met haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Ingediende stukken
2. Eiseres heeft op 19 juni 2026 medische informatie ingebracht. Omdat de stukken minder dan tien dagen voor de zitting zijn ontvangen, is de vraag aan de orde of het toelaten van deze stukken in strijd is met de goede procesorde. Verweerder heeft de stukken op 22 juni 2026 ontvangen en heeft zich daardoor niet volledig in de stukken kunnen verdiepen of deze kunnen voorleggen aan een medicus. De rechtbank laat daarom de stukken, gelet op de goede procesorde, buiten de beoordeling van deze zaak.
Causaal verband
3. Artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) bepaalt dat een aanvrager van compensatie voor werkelijke schade aannemelijk dient te maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan het na de integrale beoordeling toegekende bedrag. Concreet betekent dit dat eiseres aannemelijk moet maken dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden, hoe hoog die schade is en dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de handelwijze van verweerder.
Advies van de Commissie Werkelijke Schade
4. Verweerder heeft het in deze beroepsprocedure te beoordelen besluit genomen op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht. In dat kader is de CWS aangewezen als adviserende commissie.Aan de CWS is onder meer de taak opgedragen om schadebeoordelingskaders ten behoeve van haar adviestaak op te stellen en aan te passen. Het schadekader, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold, is neergelegd in ‘De werkwijze en het schadekader van de Commissie Werkelijke Schade’, zoals dit per 1 juli 2024 gold. In dit document is aangegeven hoe de immateriële schade en materiële schade wordt berekend aan de hand van diverse bouwstenen en kostenposten. Dit schadekader heeft verweerder, in navolging van het advies van de CWS, in het bestreden besluit gehanteerd.
5. Verweerder heeft de aanvullende werkelijke schadevergoeding gebaseerd op het advies van de CWS. Het advies van de CWS is een deskundigenadvies als bedoeld in artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter mag een bestuursorgaan afgaan op een door een deskundige uitgebracht advies, nadat het bestuursorgaan is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
6. Als een belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur om een reactie op wat de belanghebbende over het advies heeft aangevoerd.
Gedwongen verkoop van de woning van de moeder van eiseres
7. Eiseres heeft om een vergoeding verzocht vanwege de gedwongen verkoop van de woning van haar moeder in 2003. Eiseres stelt dat zij de hypotheeklasten voor deze woning niet meer kon voldoen als direct gevolg van de financiële druk die door de kinderopvangtoeslagproblematiek is ontstaan.
8. De rechtbank stelt vast dat de kinderopvangtoeslagaffaire in 2005 is ontstaan. In dat jaar is de Wet kinderopvang en de nieuwe Toeslagenwet in werking getreden en werd de Belastingdienst verantwoordelijk voor de uitbetaling van de kinderopvangtoeslag. De financiële problemen van eiseres hieraan voorafgaand, zoals ten tijde van de verkoop van de woning van haar moeder in 2003, kunnen daarom geen direct gevolg zijn van de kinderopvangtoeslagproblematiek. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Toeslagjaar 2004
9. Eiseres stelt dat toeslagjaar 2004 een essentiële context vormt voor de later ontstane schade. Zoals hiervoor overwogen is de kinderopvangtoeslagaffaire in 2005 begonnen, zodat financiële problemen die in 2004 aan de orde waren buiten de beoordeling van deze zaak vallen.
Inkomensschade in verband met einde dienstverband
10. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van € 234.000,- wegens inkomensschade in verband het verlies van haar baan bij het casino. Eiseres vindt dat er causaal verband bestaat tussen dit verlies van inkomen en de kinderopvangtoeslagproblematiek. Het stopzetten en terugvorderen van de kinderopvangtoeslag heeft namelijk direct geleid tot het wegvallen van opvang en het onmogelijk worden van het behouden van werk met dientengevolge (financiële) stress en verlies van inkomen, aldus eiseres.
11. De rechtbank constateert dat er sprake is geweest van inkomensdaling. Na het einde van haar dienstverband bij het casino is eiseres namelijk teruggevallen op een bijstandsuitkering. De rechtbank is echter van oordeel dat deze inkomensachteruitgang niet het gevolg is geweest van de kinderopvangtoeslagproblematiek. De rechtbank legt dit hierna uit.
12. Uit de stukken blijkt dat er in 2007 of 2008 loonbeslag is opgelegd. De reden van dit loonbeslag is de rechtbank en partijen onduidelijk gebleven. De rechtbank stelt echter wel vast dat de Belastingdienst geen loonbeslag heeft opgelegd in verband met invordering van de kinderopvangtoeslag.
13. Eiseres ontving tijdens haar dienstverband bij het casino van november 2007 tot en met mei 2008 kinderopvangtoeslag. Haar dienstverband bij het casino is per juni 2008 beëindigd. Een loonbeslag kan pas na een aanmaning en een dwangbevel worden opgelegd. Uit het betaal- en verrekenoverzicht 2008 blijkt dat de aanmaning van 26 oktober 2009 dateert en het dwangbevel van 17 november 2009. Dat is ruim ná de beëindiging van het dienstverband van eiseres bij het casino. Er is dus geen sprake geweest van een loonbeslag in verband met dit dienstverband. De eerste brief waarin eiseres is geïnformeerd dat de kinderopvangtoeslag over 2005 moet worden terugbetaald, dateert van november 2007, maar in die periode is geen sprake geweest van een invordering.
14. Na beëindiging van haar dienstverband bij het casino in 2008, heeft eiseres niet meer gewerkt en heeft zij ook geen studie gevolgd. Zij heeft voor 2009 kinderopvangtoeslag aangevraagd maar deze aanvraag is op haar eigen verzoek stopgezet. Na 2009 heeft eiseres geen kinderopvangtoeslag meer aangevraagd. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij na verlies van haar baan recht had op kinderopvangtoeslag. Zij heeft sindsdien ook geen kinderopvangtoeslag ontvangen die zij (deels) heeft moeten terugbetalen.
15. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat er geen causaal verband bestaat tussen het inkomensverlies als gevolg van het einde van het dienstverband en de problemen met de kinderopvangtoeslag.
16. De beroepsgrond slaagt niet.
Psychische schade
17. Eiseres voert aan dat verweerder haar psychische schade onvoldoende heeft meegenomen in de beoordeling.
18. Verweerder erkent dat eiseres op meerder gebieden traumatische ervaringen heeft meegemaakt waardoor zij veel leed en verdriet heeft gehad. Verweerder heeft rekening met het leed van eiseres en haar dochter gehouden bij de toewijzing van immateriële schade. Verweerder heeft een vaste vergoeding van € 500,- per half jaar toegekend, voor de periode van november 2007 tot de datum van het CWS-advies (30 augustus 2024). Dit komt neer op een bedrag € 26.050,- voor het leed van eiseres en € 2.250,- voor het leed van haar dochter (totaal € 28.300,-). Eiseres heeft op de zitting aangevoerd dat een vergoeding van € 500,- per half jaar geen recht doet aan de werkelijk geleden immateriële schade, maar zij heeft niet nader geconcretiseerd of onderbouwd wat deze schadevergoeding volgens haar zou moeten bedragen.
19. De beroepsgrond slaagt niet.
Overige medische kosten
20. Eiseres voert aan dat verweerder de overige medische schade en bijbehorende kosten onvoldoende heeft meegewogen in de beoordeling van de werkelijk geleden schade.
21. Verweerder heeft een bedrag van € 3.500,- toegekend vanwege tandartskosten. Verweerder vindt het aannemelijk dat eiseres rond 2011/2012 geen aanvullende verzekering voor de tandarts kon betalen en dat dit kwam door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Verweerder vindt het ook aannemelijk dat eiseres de kosten voor een beugel zelf moest betalen. Eiseres heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van deze kosten. Verweerder heeft daarom aansluiting gezocht bij de prijzen zoals die zijn vastgesteld door de Nederlandse zorg Autoriteit die voor alle orthodontiepraktijken gelijk zijn. Omdat niet bekend is om wat voor soort beugel het gaat en er geen nota’s van zijn, gaat verweerder uit van het gemiddelde van de goedkoopste en de duurste behandeling: € 3.500,-. In dat bedrag zijn zowel de beugel als de daarmee samenhangende behandelingen opgenomen. De rechtbank vindt toekenning van dit bedrag voor tandartskosten redelijk.
22. Voor de overige medische kosten (huidkliniek, buikoperatie en fysiotherapie) zijn in het dossier geen aanknopingspunten te vinden dat deze het gevolg zijn van de problemen met de kinderopvangtoeslag.
23. De beroepsgrond slaagt niet.
Vervangende opvangkosten
24. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding toe te kennen voor vervangende opvangkosten.
25. Uit de stukken blijkt dat eiseres alleen in de periode van november 2007 tot en met mei 2008 bij het casino heeft gewerkt en over deze periode recht had op kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft over die periode ook kinderopvangtoeslag aangevraagd en ontvangen, waarmee zij dus toegang had tot reguliere kinderopvang. Met de definitieve compensatiebeschikking is eiseres gecompenseerd voor de kinderopvangtoeslag die zijn ten onrechte moest terugbetalen, waarmee eiseres alsnog de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen waarop zij recht had over de periode van november 2007 tot en met mei 2008.
26. Voor 2005 en de periode van juni tot en met december 2008 is niet aannemelijk geworden dat eiseres heeft gewerkt of een opleiding heeft gevolgd en vervangende opvang heeft genoten. Een vergoeding voor vervangende opvang kan dan ook niet aan de orde zijn. Dat eiseres na het verlies van haar baan zaken moest regelen en ervoor moest zorgen dat haar dochter ergens verbleef of door iemand werd verzorgd, ziet de rechtbank niet als gekwalificeerde kinderopvang waarvoor eiseres recht op kinderopvangtoeslag zou hebben gehad.
27. De beroepsgrond slaagt niet.
Rente en dwanginvordering
28. Eiseres voert aan dat verweerder het verzoek om vergoeding van kosten voor leningen, rente en dwanginvordering ten onrechte heeft afgewezen. Deze kosten zijn volgens eiseres direct voortgekomen uit de onterechte kinderopvangtoeslagschulden en invorderingsmaatregelen.
29. Uit de stukken is niet gebleken dat eiseres kosten heeft gemaakt voor de lening bij haar broer. Zij heeft hiervoor geen rente betaald. Er is met betrekking tot deze lening geen sprake van schade gebleken die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen.
30. De rechtbank ziet dat de kinderopvangtoeslagproblematiek een grote persoonlijke impact op eiseres heeft gehad. Het heeft ruzie in haar familie veroorzaakt en eiseres heeft ten onrechte de kwalificatie opzet/grove schuld gekregen waardoor zij geen persoonlijke betalingsregeling kon krijgen. Verder heeft eiseres middels dwangverrekeningen een bedrag van € 5.315,- voldaan. Een dwangverrekening is een ingrijpende invorderingsmaatregel. Deze omstandigheden maken echter niet dat er een causaal verband bestaat tussen de in beroep aangevoerde aanvullende schade en de kinderopvangtoeslagbesluiten van verweerder.
31. Verweerder heeft, in navolging van de CWS, een vaste vergoeding van € 2.000,- toegekend voor de kosten van dwanginvordering, omdat niet duidelijk is wat de hoogte is van de kosten die verband houden met de kinderopvangtoeslagproblematiek. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom dit bedrag hoger zou moeten zijn.
32. De beroepsgrond slaagt niet.
Inkomensschade in verband met arbeidsongeschiktheid
33. Eiseres voert aan dat haar PTSS, angstklachten, stemmingswisselingen en slaapproblemen aantoonbaar zijn verergerd door de kinderopvangtoeslagproblematiek. Haar langdurige stress, financiële onzekerheid en het ontbreken van stabiliteit hebben geleid tot haar arbeidsongeschiktheid. Zij verwijst daarvoor naar het advies van de bezwaarschriftencommissie waarin wordt erkend dat verergering van bestaande klachten voor vergoeding in aanmerking komt.
34. De bezwaarschriftencommissie heeft in haar advies geschreven dat uit het medisch advies van Sanacare, Medisch Adviesbureau (hierna: Sanacare) van 21 februari 2024 volgt dat niet valt uit te sluiten dat de toeslagenproblematiek enige invloed op de gezondheidsklachten van eiseres kan hebben gehad en dat niet valt uit te sluiten dat er sprake zou kunnen zijn van proportionele aansprakelijkheid ten aanzien van de aangevoerde inkomensschade van eiseres. Het is mogelijk dat de psychische klachten hierdoor zijn verergerd, en dat bij minder financiële druk het verloop van de psychische problematiek minder heftig was geweest, zo schrijft Sanacare.
35. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling komt alleen de schade die het gevolg is van de kinderopvangtoeslagbesluiten op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht onder voorwaarden voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank stelt voorop dat duidelijk is dat eiseres zowel voor als na het begin van de problemen met de kinderopvangtoeslag diverse medische klachten en beperkingen had en dat er een veelvoud aan factoren was die tot medische klachten en beperkingen bij eiseres hebben geleid. Uit het medisch advies van Sanacare blijkt dat eiseres reeds voor de problemen met de kinderopvangtoeslag met complexe gezinsproblematiek en traumatische (verlies)ervaringen te maken heeft gehad en dat haar lichamelijke klachten volledig voortkomen uit haar psychosociale toestand. Verder vermeldt het advies dat haar gezondheidsklachten (PTSS, stemmingswisselingen, angst voor mensen, onrust in haar hoofd en moeite met slapen) al in 2004 startten, dus een aantal jaren voordat de problemen met de kinderopvangtoeslag begonnen. Deze kunnen dus niet zijn veroorzaakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Over de mate waarin de kinderopvangtoeslagproblematiek heeft bijgedragen aan verdere destabilisatie van eiseres en invloed heeft gehad op haar ziektebeeld, heeft Sanacare geen uitspraak gedaan.
36. De rechtbank begrijpt dat een verdere verslechtering van de gezondheid van eiseres een grote invloed op haar leven hebben, maar dat neemt niet weg dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kinderopvangtoeslagbesluiten zo veel stress hebben veroorzaakt, dat daardoor haar gezondheid in die mate is verslechterd dat dit arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft gehad. Verweerder heeft dan ook terecht geen vergoeding toegekend voor het inkomensverlies van eiseres als gevolg van haar arbeidsongeschiktheid.
37. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
38. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar van verweerder over de aanvullende vergoeding voor werkelijke schade in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620 en de rechtbank Den Haag van 30 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21509.
Ingevolge artikel 5.2 van de Wht en de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade (hierna: de Instellingsregeling).
Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Instellingsregeling.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef, van de Instellingsregeling.
Op grond van artikel 2.3, vierde lid, van de Wht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620, r.o. 19.1.