Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4516

2026-07-08 Civiel recht 11783909 \ MC EXPL 25-3871
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-07-19
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11783909 \ MC EXPL 25-3871
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gestelde geldleningen zijn onvoldoende onderbouwd. Gevorderde terugbetaling afgewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.452 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Almere



Zaaknummer: 11783909 \ MC EXPL 25-3871




Vonnis van 8 juli 2026




in de zaak van





1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,2. [eiser sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna te noemen: [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ,
gemachtigde: mr. F.R. Brouwer (hiervoor: mr. M.P. Harten),



tegen





[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] (volgens de Basisregistratie Personen),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S. van Stokkom-Weber.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 mei 2025;- de conclusie van antwoord;
- de akte overlegging productie 6 van [gedaagde] , ingekomen op 16 december 2025;- de nadere producties van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , ingekomen op 24 december 2025.
-



1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn zelf niet verschenen. Namens hen is verschenen hun (nieuwe) gemachtigde mr. F.R. Brouwer. [gedaagde] is verschenen met zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.



1.3
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.






2De kern van de zaak



[eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen beiden dat zij geld hebben uitgeleend aan [gedaagde] en vorderen terugbetaling hiervan. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] onvoldoende hebben aangetoond dat sprake is van geldleningsovereenkomsten met [gedaagde] . Daarom wijst de kantonrechter de gevorderde terugbetaling af en veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hoofdelijk in de proceskosten.





3De beoordeling


3.1

[eiser sub 1] stelt dat zij op 20 januari 2023 € 8.000,00 aan [gedaagde] heeft uitgeleend en dat zij het openstaande bedrag van € 5.478,75 bij brief van 27 juni 2024 heeft opgeëist. Ook [eiser sub 2] (een goede vriendin van [eiser sub 1] ) stelt dat zij geld heeft uitgeleend aan [gedaagde] . Het openstaande bedrag van € 8.705,85, heeft [eiser sub 2] eveneens op 27 juni 2024 per brief opgeëist.



3.2

[gedaagde] betwist dat hij geld heeft geleend van [eiser sub 1] of van [eiser sub 2] . Hij heeft een relatie gehad met de dochter van [eiser sub 1] , mevrouw [A ] (hierna: [A ] ) tot half april 2023. Tussen hen zijn meerdere juridische procedures (gevoerd) over de afwikkeling van hun relatie. Het heeft er volgens [gedaagde] alle schijn van dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn ingezet door of voor [A ] . Als het al om geldleningen zou gaan, dan zijn dat leningen aan [A ] en niet aan hem, aldus [gedaagde] .



3.3

Ter onderbouwing van haar stelling dat zij geld geleend heeft aan [gedaagde] heeft [eiser sub 1] een schriftelijke overeenkomst van geldlening van 20 januari 2023 overgelegd (als productie 1 bij dagvaarding), maar omdat [gedaagde] stellig heeft ontkend dat hij de handtekening heeft gezet, levert dit geen bewijs op zolang niet is bewezen van wie de ondertekening afkomstig is (artikel 159 lid 2 Rv). De overgelegde overeenkomst ziet overigens ook alleen maar op de gestelde geldlening tussen [eiser sub 1] en [gedaagde] . Er is geen document overgelegd waaruit een geldlening tussen [eiser sub 2] en [gedaagde] blijkt. Anders dan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] menen rust de bewijslast bij onderhandse akten, voor wat betreft de echtheid van de handtekening, op degene die de akte als bewijsstuk gebruikt of zich daarop beroept. Dit betekent dat [eiser sub 1] de echtheid hiervan moet aantonen. Zij is hier niet in geslaagd, heeft in dit verband ook niets gesteld en verder ook geen bewijsaanbod gedaan. Bovendien blijkt uit een kortgedingvonnis van 19 september 2025 van een andere zaak tussen partijen (waarin [gedaagde] o.a. opheffing heeft gevorderd van door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gelegde conservatoire beslagen, zie productie 6 bij CvA) dat [eiser sub 2] erkent dat de overeenkomst die nu als productie 1 in geding is gebracht niet door [gedaagde] is getekend:
“ 4.3 (…) Ter zitting heeft [ [eiser sub 2] ] desgevraagd echter erkend dat zij deze overeenkomst niet met [gedaagde] maar met [A ] hebben gesloten en dat die overeenkomst niet door [gedaagde] maar door [A ] is getekend. (…).”
Op de mondelinge behandeling in onderhavige zaak heeft de nieuwe gemachtigde van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gesteld dat [eiser sub 2] uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij dit nooit heeft erkend. Dit blijkt echter nergens uit. Het had op de weg van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gelegen om dit te onderbouwen, bijvoorbeeld door het proces-verbaal van de kortgedingzitting over te leggen. Bovendien zijn zowel [eiser sub 1] als [eiser sub 2] niet op de mondelinge behandeling verschenen om de nodige toelichtingen te geven en vragen van de kantonrechter hierover te beantwoorden. Dit terwijl in de oproepbrief staat dat het de bedoeling is dat partijen zelf bij de mondelinge behandeling aanwezig zijn en dat anders in het nadeel kan worden beslist van de partij die zonder gegronde reden niet verschijnt. Dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een geschil hebben met hun vorige gemachtigde is geen gegronde reden.




3.4
Ook op basis van de overige stukken kan de kantonrechter niet vast stellen dat er sprake is van geldleningen aan [gedaagde] . Die wijzen er eerder op dat de geldleningen zijn aangegaan door [A ] . Zo staat er in het screenshot van een whatsappbericht van [gedaagde] aan [eiser sub 2] (productie 3, dagvaarding): “Saskia [ [A ] ] heeft geleend maar ik heb haar direct nadat zij mij had verlaten al aangegeven dat ik erken dat zij deze schuld voor mij op zich had genomen. Toen wist ik nog niets over het vreemdgaan maar dat had daaraan niets veranderd (…).”


Dit volgt ook uit een e-mail van 5 juni 2023 van [gedaagde] aan [A ] (productie 3, CvA) waarin staat: “Misschien helpt het wel alvast, dat ik hierbij erken dat het geld dat je bij [B ] , [eiser sub 2] [ [eiser sub 2] ], [C ] en jouw moeder [ [eiser sub 1] ] hebt geleend voor mij is geweest. Daarvoor ben ik je heel dankbaar (…). Uiteraard betaal ik alles volledig terug en hoef jij daarvoor niet op te draaien.”



Verder volgt uit de overgelegde bankafschriften dat de bedragen zijn overgemaakt naar de bankrekening van [A ] . Dat (een deel van) die bedragen daarna zijn doorgestort naar [gedaagde] en (volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ) uitsluitend ten goede zijn gekomen aan [gedaagde] (hetgeen [gedaagde] betwist) betekent – wat hier verder ook van zij – niet dat [gedaagde] partij is geworden bij de geldleningsovereenkomsten die [eiser sub 2] en [eiser sub 1] mogelijk zijn aangegaan met [A ] .




3.5

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben – hoewel het op hun weg lag – onvoldoende aangetoond dat sprake is van geldleningsovereenkomsten met [gedaagde] . [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben wel een algemeen bewijsaanbod gedaan. Zij hadden echter in deze fase van de procedure in dit verband eerst voldoende moeten stellen en onderbouwen met stukken. Dit hebben zij onvoldoende gedaan om tot bewijslevering toegelaten te kunnen worden. Bovendien is het bewijsaanbod in de vorm van getuigen onvoldoende concreet: de gemachtigde heeft desgevraagd verklaard dat zij niet weet welke getuigen zouden moeten worden gehoord, laat staan welke getuige waarover zou kunnen verklaren. Het bewijsaanbod zal daarom worden gepasseerd.



3.6
Het voorgaande brengt met zich dat de gevorderde terugbetaling en ook de rente en incassokosten daarover, bij gebrek aan voldoende onderbouwing, moeten worden afgewezen.



Proceskosten





3.7

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Ook komen de door hen gevorderde beslagkosten niet voor vergoeding in aanmerking. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:









- salaris gemachtigde


€


864,00


(2 punten × € 432,00)




- nakosten


€


144,00


(plus eventuele betekeningskosten)




Totaal


€


1.008,00











3.8
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.





4De beslissing


De kantonrechter



4.1
wijst de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] af;



4.2
veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.


Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.



4578