Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4512

2026-07-08 Civiel recht 12117103 \ AC EXPL 26-411
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-07-19
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12117103 \ AC EXPL 26-411
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Soevereinzaak. Verweer onnavolgbaar.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.204 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Amersfoort



Zaaknummer: 12117103 \ AC EXPL 26-411




Vonnis van 8 juli 2026




in de zaak van




VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.





1De procedure


1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek.




1.2
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.





2De kern van de zaak


2.1

[gedaagde] is voor haar ziektekosten verzekerd (dan wel verzekerd geweest) bij VGZ. In de betaling van premies en eigen risico is een achterstand ontstaan. VGZ vordert die achterstand nu in deze procedure. De kantonrechter beslist dat [gedaagde] inclusief rente en kosten, na betalingen, nog € 1.022,15 moet betalen.





3De beoordeling


3.1

[gedaagde] is het niet eens met de vordering, maar de kantonrechter kan aan dat verweer geen touw vastknopen. [gedaagde] acht (voor zover de kantonrechter begrijpt) zich soeverein en niet gebonden aan de zorgverzekering, maar vindt aan de andere kant dat VGZ wel verplicht is om zorg te leveren aan haar als levend en soeverein wezen. Dat kan niet allebei waar zijn, en het verweer slaagt daarom niet. Omdat [gedaagde] de hoogte van de hoofdsom (zie hierna) niet betwist, gaat de kantonrechter van de juistheid daarvan uit. Omdat [gedaagde] in verzuim is geraakt met betaling van de premies en het eigen risico, moet zij daarover de wettelijke rente betalen (zie voor de hoogte hierna). VGZ heeft aanmaningen verstuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, en [gedaagde] moet daarom ook buitengerechtelijke incassokosten betalen. Het door VGZ gevorderde bedrag (zie hierna) blijft onder het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, en wordt toegewezen.



3.2
Op grond van het bovenstaande wordt [gedaagde] veroordeeld tot het volgende:








Achterstallige premies en eigen risico:


€ 1.782,15




Wettelijke rente tot 29 december 2025


€ 60,44




Buitengerechtelijke incassokosten


€ 79,56




Totaal


€ 1.922,15




Af: betaald door [gedaagde]


€ 900,00




Resteert


€ 1.022,15








3.3
Over het resterende bedrag is [gedaagde] de wettelijke rente verschuldigd vanaf 29 december 2025 tot de betaling.



3.4

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


153,61







- griffierecht


€


350,00







- salaris gemachtigde


€


144,00


(1 punt × € 144,00)




- nakosten


€


72,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


719,61













4De beslissing


De kantonrechter



4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 1.022,15, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 29 december 2025 tot de dag van volledige betaling,



4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 719,61, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.




RW1368