Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4466
2026-07-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
UTR 26/623
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WHT. Compensatie wegens vooringenomenheid. Beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2019:1147 Raad van State 10-04-2019
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1437 Rechtbank Midden-Nederland 13-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.755 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/623
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en
Dienst Toeslagen, kantoor [plaats 2] , verweerder
(gemachtigden: [gemachtigden] ).
Inleiding
1.1.
Op 25 januari 2021 heeft eiser verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2006-2008.
1.2.
In een besluit van 13 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder een definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag afgegeven. Verweerder heeft de definitieve vergoeding berekend op € 1.885,-. Het gaat om een compensatie vooringenomenheid voor de periode januari tot en met augustus 2006. De definitieve vergoeding is lager dan het bedrag van € 30.000,- dat eiser al eerder heeft gekregen. Hij krijgt daarom geen extra geld van verweerder. Eiser heeft bezwaar tegen dit besluit gemaakt.
1.3.
In een besluit van 9 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar deels gegrond verklaard. Verweerder heeft het compensatiebedrag opnieuw berekend op een bedrag van € 1.886,-. Eiser heeft recht op deze herziene beschikking omdat de rente over de gemiste kinderopvangtoeslag niet correct was. Dit levert geen nabetaling op.
1.4.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Eiser heeft op 8 juni 2026 een e-mailbericht met daarin zijn klacht bij de Nationale ombudsman ingediend in verband met het niet toezenden van zijn persoonlijke dossier door de Belastingdienst.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiser en verweerder deelgenomen.
Overwegingen
Periode van september tot en met december 2006 en 2007
2. Eiser voert aan dat hij kinderopvang heeft afgenomen in de periode van september tot en met december 2006. Uit de contacthistorie met de gemeente Amsterdam blijkt namelijk dat eiser toen heeft gewerkt, dat zijn partner een inburgeringstraject heeft gevolgd, dat zij een aanvraag kinderopvang hebben gedaan voor het gehele jaar 2006 en dat de gemeente Amsterdam deze aanvraag over het gehele jaar 2006 heeft toegekend. Dat de kinderopvangtoeslag op 15 augustus 2026 per 26 juni 2006 is stopgezet en de kinderen in augustus 2026 in verband met de zomervakantie niet naar de kinderopvang zijn geweest, doet daar volgens eiser niet aan af.
3. Verweerder heeft toegelicht dat eiser alleen kinderopvang heeft afgenomen in de periode januari tot en met augustus 2006. Uit de overgelegde jaaropgave volgt dat eiser geen kinderopvang heeft genoten in de periode september tot en met december 2006 en in 2007. Uit de KOI-viewer, het systeem waarin info van kinderopvanginstellingen staat over opvanguren en opvangperioden, volgt dat er vanaf september 2006 geen opvang meer is genoten. Er zijn geen andere stukken overgelegd of aanwezig waaruit anders blijkt, aldus verweerder.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat uitgangspunt is dat de hoogte van de gemaakte kosten na afloop van het toeslagjaar wordt vastgesteld aan de hand van een jaaropgave of de maandelijkse facturen en niet aan de hand van de aanvraag, omdat deze is gebaseerd op een schatting van de te verwachten uren en kosten. Verweerder mag in beginsel uitgaan van de gegevens uit de jaaropgave tenzij er andere objectieve bewijsstukken zijn die anders doen blijken. Verder blijkt uit rechtspraakdat verweerder ook in beginsel mag uitgaan van hetgeen in KOI-viewer staat vermeld, tenzij eiser met bewijsstukken voldoende aannemelijk maakt dat er aan die gegevens in redelijkheid moet worden getwijfeld of als verweerder zelf in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van de gegevens in KOI-viewer. Daarvan kan sprake zijn als er stukken bekend zijn bij verweerder die niet overeenkomen met wat er in KOI-viewer staat, zoals een verklaring van een kinderopvanginstelling dat er kinderopvang bij hen is afgenomen, terwijl dit niet in KOI-viewer staat vermeld.
5. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde contacthistorie met de gemeente Amsterdam niet blijkt dat eiser in de periode van september tot en met december 2006 en in het jaar 2007 daadwerkelijk gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen. De correspondentie met de gemeente Amsterdam ziet uitsluitend op de aanvraag, niet op het daadwerkelijke gebruik van kinderopvang.
6. Indien zou worden aangenomen dat eiser van september tot en met december 2006 en in 2007 kinderopvang zou hebben genoten, betekent dat overigens nog niet dat hij recht op compensatie op basis van vooringenomenheid heeft. Daarvoor zou eerst moeten worden vastgesteld dat hij voor deze periodes kinderopvangtoeslag heeft ontvangen die hij (deels) heeft moeten terugbetalen. Ook dit is niet uit de stukken gebleken.
7. De beroepsgrond slaagt niet.
Zorgvuldigheid van het onderzoek over het jaar 2007
8. Eiser voert verder aan dat verweerder geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan naar het jaar 2007. Er was in 2006 geen sprake van een opzegging, beëindiging dan wel verzoek om stopzetting van de kinderopvangtoeslag. Daarom moet van verlenging van de kinderopvangtoeslag in 2007 worden uitgegaan. Eiser stelt in de eerste drie maanden van 2007 kinderopvang te hebben afgenomen.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder aanvullend of grondiger onderzoek had moeten doen naar het jaar 2007. Zoals hiervoor vermeld is uit de KOI-viewer en de door eiser overgelegde stukken niet gebleken dat eiser in 2007 kinderopvang heeft afgenomen. Ook is niet gebleken dat hij voor het jaar 2007 kinderopvangtoeslag heeft ontvangen die hij heeft moeten terugbetalen.
10. De beroepsgrond slaagt niet.
Overige punten
11. Eiser heeft in een e-mailbericht van 18 februari 2026 geschreven het niet eens te zijn met het standpunt van verweerder dat hij niet als fraudeur is aangemerkt. Verder heeft hij aangegeven dat hij zijn persoonlijke dossier nog steeds niet van de Belastingdienst heeft ontvangen. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting toegelicht dat deze twee punten zijn bedoeld om als context aan de rechtbank mee te geven en niet als beroepsgronden tegen het bestreden besluit moeten worden opgevat. De rechtbank zal daarom geen beslissing nemen ten aanzien van deze punten.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing van verweerder dat eiser voor de periode van september tot en met december 2006 en het jaar 2007 niet op grond van vooringenomenheid wordt gecompenseerd, in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1147, r.o. 3.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1437, r.o. 4.3.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/623
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en
Dienst Toeslagen, kantoor [plaats 2] , verweerder
(gemachtigden: [gemachtigden] ).
Inleiding
1.1.
Op 25 januari 2021 heeft eiser verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2006-2008.
1.2.
In een besluit van 13 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder een definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag afgegeven. Verweerder heeft de definitieve vergoeding berekend op € 1.885,-. Het gaat om een compensatie vooringenomenheid voor de periode januari tot en met augustus 2006. De definitieve vergoeding is lager dan het bedrag van € 30.000,- dat eiser al eerder heeft gekregen. Hij krijgt daarom geen extra geld van verweerder. Eiser heeft bezwaar tegen dit besluit gemaakt.
1.3.
In een besluit van 9 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar deels gegrond verklaard. Verweerder heeft het compensatiebedrag opnieuw berekend op een bedrag van € 1.886,-. Eiser heeft recht op deze herziene beschikking omdat de rente over de gemiste kinderopvangtoeslag niet correct was. Dit levert geen nabetaling op.
1.4.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Eiser heeft op 8 juni 2026 een e-mailbericht met daarin zijn klacht bij de Nationale ombudsman ingediend in verband met het niet toezenden van zijn persoonlijke dossier door de Belastingdienst.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiser en verweerder deelgenomen.
Overwegingen
Periode van september tot en met december 2006 en 2007
2. Eiser voert aan dat hij kinderopvang heeft afgenomen in de periode van september tot en met december 2006. Uit de contacthistorie met de gemeente Amsterdam blijkt namelijk dat eiser toen heeft gewerkt, dat zijn partner een inburgeringstraject heeft gevolgd, dat zij een aanvraag kinderopvang hebben gedaan voor het gehele jaar 2006 en dat de gemeente Amsterdam deze aanvraag over het gehele jaar 2006 heeft toegekend. Dat de kinderopvangtoeslag op 15 augustus 2026 per 26 juni 2006 is stopgezet en de kinderen in augustus 2026 in verband met de zomervakantie niet naar de kinderopvang zijn geweest, doet daar volgens eiser niet aan af.
3. Verweerder heeft toegelicht dat eiser alleen kinderopvang heeft afgenomen in de periode januari tot en met augustus 2006. Uit de overgelegde jaaropgave volgt dat eiser geen kinderopvang heeft genoten in de periode september tot en met december 2006 en in 2007. Uit de KOI-viewer, het systeem waarin info van kinderopvanginstellingen staat over opvanguren en opvangperioden, volgt dat er vanaf september 2006 geen opvang meer is genoten. Er zijn geen andere stukken overgelegd of aanwezig waaruit anders blijkt, aldus verweerder.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat uitgangspunt is dat de hoogte van de gemaakte kosten na afloop van het toeslagjaar wordt vastgesteld aan de hand van een jaaropgave of de maandelijkse facturen en niet aan de hand van de aanvraag, omdat deze is gebaseerd op een schatting van de te verwachten uren en kosten. Verweerder mag in beginsel uitgaan van de gegevens uit de jaaropgave tenzij er andere objectieve bewijsstukken zijn die anders doen blijken. Verder blijkt uit rechtspraakdat verweerder ook in beginsel mag uitgaan van hetgeen in KOI-viewer staat vermeld, tenzij eiser met bewijsstukken voldoende aannemelijk maakt dat er aan die gegevens in redelijkheid moet worden getwijfeld of als verweerder zelf in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van de gegevens in KOI-viewer. Daarvan kan sprake zijn als er stukken bekend zijn bij verweerder die niet overeenkomen met wat er in KOI-viewer staat, zoals een verklaring van een kinderopvanginstelling dat er kinderopvang bij hen is afgenomen, terwijl dit niet in KOI-viewer staat vermeld.
5. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde contacthistorie met de gemeente Amsterdam niet blijkt dat eiser in de periode van september tot en met december 2006 en in het jaar 2007 daadwerkelijk gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen. De correspondentie met de gemeente Amsterdam ziet uitsluitend op de aanvraag, niet op het daadwerkelijke gebruik van kinderopvang.
6. Indien zou worden aangenomen dat eiser van september tot en met december 2006 en in 2007 kinderopvang zou hebben genoten, betekent dat overigens nog niet dat hij recht op compensatie op basis van vooringenomenheid heeft. Daarvoor zou eerst moeten worden vastgesteld dat hij voor deze periodes kinderopvangtoeslag heeft ontvangen die hij (deels) heeft moeten terugbetalen. Ook dit is niet uit de stukken gebleken.
7. De beroepsgrond slaagt niet.
Zorgvuldigheid van het onderzoek over het jaar 2007
8. Eiser voert verder aan dat verweerder geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan naar het jaar 2007. Er was in 2006 geen sprake van een opzegging, beëindiging dan wel verzoek om stopzetting van de kinderopvangtoeslag. Daarom moet van verlenging van de kinderopvangtoeslag in 2007 worden uitgegaan. Eiser stelt in de eerste drie maanden van 2007 kinderopvang te hebben afgenomen.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder aanvullend of grondiger onderzoek had moeten doen naar het jaar 2007. Zoals hiervoor vermeld is uit de KOI-viewer en de door eiser overgelegde stukken niet gebleken dat eiser in 2007 kinderopvang heeft afgenomen. Ook is niet gebleken dat hij voor het jaar 2007 kinderopvangtoeslag heeft ontvangen die hij heeft moeten terugbetalen.
10. De beroepsgrond slaagt niet.
Overige punten
11. Eiser heeft in een e-mailbericht van 18 februari 2026 geschreven het niet eens te zijn met het standpunt van verweerder dat hij niet als fraudeur is aangemerkt. Verder heeft hij aangegeven dat hij zijn persoonlijke dossier nog steeds niet van de Belastingdienst heeft ontvangen. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting toegelicht dat deze twee punten zijn bedoeld om als context aan de rechtbank mee te geven en niet als beroepsgronden tegen het bestreden besluit moeten worden opgevat. De rechtbank zal daarom geen beslissing nemen ten aanzien van deze punten.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing van verweerder dat eiser voor de periode van september tot en met december 2006 en het jaar 2007 niet op grond van vooringenomenheid wordt gecompenseerd, in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1147, r.o. 3.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1437, r.o. 4.3.