Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4436

2026-01-14 Bestuursrecht UTR 25/4222
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-01-14
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/4222
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

rentepercentage studieschuld

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.593 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/4222


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres


en


de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister
(gemachtigde: mr. H. Bouhuys).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het vaststellen van het rentepercentage over eiseres’ studieschuld voor een periode van vijf jaar. Eiseres is het hiermee niet eens en heeft beroep ingesteld. Zij voert daartoe beroepsgronden aan, aan de hand waarvan de rechtbank de vaststelling van het rentepercentage voor de duur van vijf jaar beoordeelt.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Relevante feiten en procesverloop

2. Eiseres is in september 2018 gestart met haar universitaire studie. Voor aanvang daarvan heeft zij studiefinanciering aangevraagd. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) heeft aan eiseres studiefinanciering in de vorm van een lening toegekend. Eiseres heeft haar studie in december 2024 afgerond. De minister heeft bij het primaire besluit het rentepercentage voor een periode van vijf jaar vastgesteld op 2,57%. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij zijn standpunt gebleven.

3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

4. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader



5. Op grond van artikel 6.4, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) is over de aangegane lening rente verschuldigd. Bij de berekening van de rente wordt het rentepercentage gehanteerd dat de minister op grond van artikel 6.3 van de Wsf 2000 jaarlijks vaststelt. Het rentepercentage is gelijk aan het gemiddeld effectief rendement over de periode van oktober van het voorgaande jaar tot en met september van het lopende jaar met een gemiddelde resterende looptijd van vijf jaren.



Heeft de minister het rentepercentage van 2,57% voor een periode van vijf jaar conform de Wsf 2000 vastgesteld?



6. Eiseres stelt dat het rentepercentage bij aanvang en tijdens haar studie nagenoeg 0% bedroeg. Zij is het daarom niet eens met de vaststelling van het rentepercentage op 2,57% voor vijf jaar na afronding van haar studie. Eiseres is het ook niet eens met de periode van vijf jaar. Eiseres stelt dat als zij eerder was geboren of korter had gestudeerd, zij had kunnen profiteren van een lager rentepercentage. Onder andere door het hoge rentepercentage van 2,57% heeft eiseres een hoge studieschuld. Eiseres ervaart de hoge studieschuld als een willekeurige, oneerlijke en onredelijke last en vindt dat sprake is van een vorm van discriminatie. Eiseres vindt dat de minister voor haar een uitzondering moet maken.

7. De rechtbank overweegt dat de minister het rentepercentage voor de terugbetalingsperiode op grond van artikel 6.3 van de Wsf 2000 jaarlijks vaststelt voor een periode van vijf jaren en dat deze wetsbepaling dwingendrechtelijk van aard is. Dat betekent dat de minister hiervan - zowel qua hoogte van het rentepercentage als de duur van vijf jaar - niet kan afwijken. Het vastgestelde rentepercentage is gelijk aan het gemiddeld effectief rendement over de periode van twaalf maanden van de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam. Hieruit volgt dat de indexering is gekoppeld aan de rente die de Staat betaalt voor leningen op de kapitaalmarkt. Omdat deze rente de afgelopen jaren is gestegen, is ook de rente op studieleningen gestegen. De periodieke rentevaststelling over de studieschuld van eiseres is daardoor in lijn met de wet.

8. Voor wat betreft eiseres’ stelling dat als zij eerder was geboren zij had kunnen profiteren van een lagere rentestand, overweegt de rechtbank dat de terugbetalingstermijn aanvangt op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand is opgehouden studiefinanciering te genieten. Dit betekent dat het geboortejaar van de student niet bepalend is, maar wel de datum van afronding van de studie. Eiseres’ stelling dat zij had kunnen profiteren van een lagere rentestand als zij de studie eerder had afgerond, doet hier niet aan af, want die situatie doet zich immers niet voor. De rechtbank overweegt dat het lenen van een geldbedrag financiële risico’s met zich meebrengt en de hoogte van de studieschuld afhankelijk is van verschillende factoren, zoals de duur van de lening, de datum van afronding van de studie en de hoogte van het rentepercentage. Deze factoren maken echter niet dat sprake is discriminatie; er is immers geen ongelijke behandeling, achterstelling of uitsluiting van mensen. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de minister het rentepercentage van 2,57% voor de duur van vijf jaar in lijn met de Wsf 2000 heeft vastgesteld.

9. De beroepsgrond slaagt niet.



Heeft de minister het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?



10. Eiseres stelt dat financiële geldverstrekkers doorgaans de verplichting hebben om mensen die een lening aangaan duidelijk te informeren over de regels en mogelijke risico’s daarvan. Eiseres stelt dat de minister dit niet heeft gedaan. Zij voelt zich hierdoor misleid en stelt dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.

11. De rechtbank stelt vast dat uit de bij verweerschrift overgelegde stukken blijkt dat in 2018 al op de website van DUO stond vermeld dat rente wordt berekend over de lening, het rentepercentage elk jaar opnieuw wordt vastgesteld en dat die (vervolgens) steeds voor vijf jaar vaststaat. Er stond ook: “Als de rente wijzigt, krijgt u hierover bericht.” De minister heeft ter zitting toegelicht dat geregistreerde studenten, zoals eiseres destijds, via e-mailberichten informatie hebben ontvangen in de periode dat het rentepercentage 0% bedroeg. In de jaren dat het rentepercentage anders (hoger) was, heeft de minister daarover besluiten gestuurd. Eiseres heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij de informatieve e-mailberichten en besluiten van de minister heeft ontvangen. Eiseres is echter van mening dat de informatievoorziening onvoldoende zag op toekomstige rentepercentages. De rechtbank overweegt in dit kader dat de hoogte van het rentepercentage vooraf niet bekend is, omdat de minister dit jaarlijks op grond van artikel 6.3 van de Wsf 2000 vaststelt, waardoor hij eiseres hierover vooraf niet heeft kunnen informeren.

12. De rechtbank is van oordeel dat eiseres op grond van de website van DUO en de ontvangen besluiten, in samenhang met artikel 6.3 van de Wsf kon weten dat het rentepercentage over haar studielening jaarlijks wordt geïndexeerd, waaraan die indexering is gekoppeld en dat de rente dus variabel is. Op de website van DUO staat een overzicht van de rentepercentages van de afgelopen jaren en een rekentool vermeld. Hierdoor kon eiseres verder inzicht krijgen in de rentepercentages van de afgelopen jaren en een berekening maken over het door haar geleende bedrag. Zij heeft op basis hiervan rekening (moeten) kunnen houden met een renteverhoging en inzicht kunnen krijgen in de financiële risico’s van lenen. De rechtbank vindt niet dat de minister hierover te weinig informatie heeft verstrekt of onduidelijk is geweest in zijn communicatie. Op de minister rust bovendien geen verdergaande verplichting om eiseres te informeren over financiële risico’s, omdat de studielening van DUO niet valt onder de Wet op het financieel toezicht (Wft). De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de wijze van informatievoorziening niet onzorgvuldig was.

13. Deze beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Het rentepercentage van de studieschuld van eiseres voor de duur van vijf jaar blijft dus zoals het is. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Durdabak, rechter, in aanwezigheid van
Y.M.C.W. Mutsaers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.






De griffier is verhinderd deze


uitspraak te ondertekenen












griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:













Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 6.5, eerste lid, van de Wsf 2000.


Zie artikel 1:20, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wft en de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 oktober 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:4722.