Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4435

2026-07-03 Bestuursrecht UTR 25/6122
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-03
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/6122
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De burgemeester heeft het bedrijfspand van eiser gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet, omdat in het pand voorwerpen zijn gevonden die bestemd zijn voor drugshandel. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester bevoegd was om het bedrijfspand te sluiten en dat het gebruik van die bevoegdheid in dit geval evenredig is. Het beroep is ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.322 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/6122


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.M. Moes),


en


de burgemeester van de gemeente Utrecht, de burgemeester
(gemachtigde: mr. M.T. Smits en mr. A. Hoogendoorn).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de burgemeester het bedrijfspand van eiser mocht sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet gelet op de voorwerpen die in het bedrijfspand zijn aangetroffen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de sluiting van eisers bedrijfspand in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. De burgemeester heeft op 22 mei 2025 het bedrijfspand van eiser aan het adres [adres] in [plaats] gesloten. Met het bestreden besluit van 10 september 2025 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij dat besluit gebleven.

3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

4. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de burgemeester.



Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit


5. De burgemeester heeft het bedrijfspand van eiser aan het adres [adres] in [plaats] gesloten voor een periode van zes maanden. De politie en gemeentelijke inspecteurs hebben op 15 mei 2025 een onderzoek gedaan naar het bedrijfspand. De burgemeester stelt dat de voorwerpen die in het bedrijfspand van eiser zijn aangetroffen op zichzelf legaal zijn, maar dat deze bestemd zijn voor drugshandel. De burgemeester ziet in de voorwerpen en in het feit dat in de woning van eisers broer een grote hoeveelheid drugs is aangetroffen voldoende aanleiding om het bedrijfspand van eiser te sluiten voor een periode van zes maanden. Volgens de burgemeester is het gelet op de omstandigheden zeer aannemelijk dat de aangetroffen voorwerpen bestemd zijn voor grootschalige drugshandel. Dit te meer omdat de voorwerpen volgens de burgemeester niet passen binnen de bedrijfsvoering van eiser. De burgemeester vindt het dan ook aannemelijk dat het bedrijfspand is betrokken bij een drugsnetwerk.



De sluitingsbevoegdheid op grond van de Opiumwet


6. Eiser vindt dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij bevoegd was om zijn bedrijfspand te sluiten. Volgens eiser is namelijk geen sprake van een overtreding van de Opiumwet. In het bedrijfspand is geen drugs gevonden en eiser heeft voor de aanwezigheid van de aangetroffen voorwerpen een verklaring gegeven. Eiser heeft dit in bezwaar ook al gedaan, maar de minister heeft daar onvoldoende gemotiveerd op gereageerd in het bestreden besluit. Volgens eiser moeten de aangetroffen voorwerpen worden begrepen in de context van zijn bedrijfsvoering en niet in de context van drugshandel. De burgemeester stelt dan ook onterecht dat de aangetroffen voorwerpen geen ander gebruik kennen dan voor drugshandel. Dat in de woning van de broer van eiser een grote hoeveelheid drugs is gevonden heeft de burgemeester volgens eiser niet mogen betrekken bij de sluiting van zijn bedrijfspand. Bovendien heeft de broer van eiser geen toestemming om van het bedrijfspand van eiser gebruik te maken.

7. De rechtbank overweegt dat de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid en onder b, van de Opiumwet bevoegd is om een woning of lokaal te sluiten als daarin voorwerpen of stoffen zijn aangetroffen die op zichzelf legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om de Opiumwet te overtreden. De situatie in de woning of het lokaal moet zodanig zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen in het kader van de Opiumwet. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op feiten en omstandigheden die de politie heeft vastgesteld. Dan gaat het bijvoorbeeld om de door de politie aangetroffen situatie, de aard en hoeveelheid van de aangetroffen stoffen en voorwerpen en andere uit opsporingsonderzoek blijkende feiten.

8. Voldoende is dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de betrokkene wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een drugslaboratorium. De burgemeester kan ook bevoegd zijn als slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn om beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig een drugslaboratorium op te zetten en de voorhanden voorwerpen daarvoor bestemd zijn. Van belang is of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs.

9. Uit de twee bestuurlijke rapportages van de politie en het proces-verbaal van bevindingen van de gemeentelijke inspecteurs blijkt dat in het bedrijfspand van eiser op 15 mei 2025 de volgende voorwerpen zijn aangetroffen: een tas en doos met onbekend poeder, een blokkenpers, een sealmachine, een persmachine en meerdere onderdelen van persmachines, een pillenpers, een weegschaal, twee krikken, contant geld ter waarde van € 202.000,- en twee horloges. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester aannemelijk mocht vinden dat de aangetroffen voorwerpen bestemd waren voor de productie van en handel in drugs.

10. Ten eerste blijkt uit de bestuurlijke rapportages van de politie dat de verschillende persen zoals de pillenpers en met name de blokkenpers duiden op de verwerking van grote hoeveelheden harddrugs. Ook blijkt uit de bestuurlijke rapportages dat de diverse persen direct gebruikt konden worden voor het op grote schaal verwerken van hard- en softdrugs. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat de blokkenpers een ‘vervallen metalen constructie’ is die hij opslaat in zijn bedrijfspand voor de onderneming van de heer [A] . Uit de overgelegde verklaring van de heer [A] blijkt ook niet welke voorwerpen namens hem in het bedrijfspand van eiser werden opgeslagen. Dat de blokkenpers werd opgeslagen voor de heer [A] is dan ook niet gebleken. Tenslotte heeft eiser niet toegelicht voor welk ander doel hij de blokkenpers gebruikt binnen zijn onderneming.

11. Ten tweede vindt de rechtbank van belang dat de politie een grote hoeveelheid contant geld heeft gevonden ter waarde van € 202.000,-. Volgens eiser is dit geld afkomstig uit de grote omzet van zijn onderneming. Eiser verkoopt fatbikes en elektrische fietsen die doorgaans een hoge waarde hebben. De hoeveelheid contant geld kan volgens eiser verklaard worden doordat zijn klanten vaak contant betalen en het feit dat een onderneming genaamd [bedrijf] een contant bedrag van € 70.000,- aan eiser heeft geleend. Ter onderbouwing heeft eiser facturen, inkoopbewijzen, foto’s van bonnetjes en een overeenkomst van geldlening tussen eiser en [bedrijf] overgelegd. Toch volgt de rechtbank de burgemeester in zijn standpunt dat de uitleg van eiser de grote hoeveelheid contant geld onvoldoende verklaart. Dit heeft te maken met de andere voorwerpen zoals de in overweging 10 van deze uitspraak genoemde persen die in het bedrijfspand zijn aangetroffen en dat deze direct gebruikt konden worden. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat drugshandel vaak met contant geld plaatsvindt en zijn de handgeschreven nota’s die eiser heeft overgelegd niet controleerbaar. Daarnaast heeft eiser onvoldoende uitleg gegeven over de vraag waarom hij het geld – dat volgens hem afkomstig is uit zijn handel in (elektrische) fietsen – contant in een (afgelegen) bedrijfspand zou bewaren met alle risico’s van dien.

12. Gelet op alle feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid en onder b, van de Opiumwet bevoegd was om het bedrijfspand van eiser te sluiten.



De evenredigheid van de sluiting


13. De burgemeester is niet verplicht om van de bevoegdheid in artikel 13b van de Opiumwet gebruik te maken. De burgemeester moet een belangenafweging maken bij zijn beslissing of en op welke manier hij van die bevoegdheid gebruikmaakt. Bij de vraag of de sluiting van het bedrijfspand evenredig is, beoordeelt de rechtbank of de sluiting geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Eiser betwist dat er is voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid en evenwichtigheid.



Noodzakelijkheid


14. Eiser vindt dat de sluiting van zijn bedrijfspand niet noodzakelijk is. De burgemeester had namelijk kunnen volstaan met een lichter middel zoals een waarschuwing of een last onder dwangsom. Bovendien is er volgens eiser geen aanleiding voor het oordeel van de burgemeester dat het bedrijfspand bekend stond als drugspand en dat daarom ‘de loop’ naar het bedrijfspand eruit moet worden gehaald.

15. Bij het beoordelen van de noodzakelijkheid van een sluiting is van belang of de burgemeester kon volstaan met een minder ingrijpend middel om het beoogde doel van de sluiting te bereiken. Aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of de sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs. Hoewel in het geval van eiser geen drugs zijn aangetroffen in het bedrijfspand, zijn de daar aangetroffen voorwerpen wel geschikt en bestemd voor het verwerken van grote hoeveelheden hard- en softdrugs. Bovendien duidt de grote hoeveelheid contant geld erop dat het pand wel degelijk een rol speelt in het criminele drugscircuit. Verder staat niet ter discussie dat in het huis van de broer van eiser (op nog geen vijftien minuten loopafstand van het bedrijfspand) op dezelfde dag een grote hoeveelheid drugs is aangetroffen. Alles bij elkaar genomen kon de burgemeester zich dan ook op het standpunt stellen dat het niet anders kan dan dat het bedrijfspand bekend moet zijn geweest in het criminele drugscircuit en dat daarom niet kon worden volstaan met een lichter middel zoals een waarschuwing. Dit te meer omdat hetzelfde bedrijfspand (met een andere eigenaar) in 2016 al een keer is gesloten vanwege de aanwezigheid van een xtc-lab. Daarnaast vormt de grote hoeveelheid contant geld die aanwezig is in het bedrijfspand een gevaar voor de openbare orde gelet op het risico op overvallen en crimineel geweld. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden heeft de burgemeester voldoende gemotiveerd dat sluiting van het bedrijfspand voor de duur van zes maanden noodzakelijk is.



Evenwichtigheid


16. Verder vindt eiser dat de woningsluiting onevenwichtig is, omdat eiser huur moest betalen voor het bedrijfspand terwijl hij feitelijk geen toegang had tot het pand. Hierdoor kon hij tijdens de sluiting geen leveringen ontvangen en werden deze op straat achtergelaten.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester het belang van het herstel van de openbare orde zwaarder mogen laten wegen dan eisers financiële belangen. Dat het bedrijfspand voor zes maanden niet kon worden gebruikt vormt geen bijzondere omstandigheid waardoor de sluiting onevenredig is. Dit geldt ook voor de gestelde financiële gevolgen voor eiser. Deze zijn het logische gevolg van de sluiting. Bovendien kon eiser afspraken maken met zijn leveranciers om de goederen op een andere plek af te leveren zodat deze niet op straat worden achtergelaten. Tenslotte heeft de burgemeester de sluiting in het bestreden besluit teruggebracht van twaalf naar zes maanden.




Conclusie en gevolgen


18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de woningsluiting in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.





De griffier is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen










griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Dat blijkt uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 17 mei 2025, p. 2.


Dat blijkt uit de aanvullende bestuurlijke rapportage van de politie van 3 augustus 2025, p. 2.


Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3220, overweging 6.1.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, overweging 8.4 en verder.


Dat blijkt uit de rapportage van de gemeentelijke inspecteurs van 22 mei 2025, p. 2.