Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4428

2026-05-06 Bestuursrecht UTR 25/5938
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-05-06
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/5938
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het CBR heeft aan eiser een educatieve maatregel gedrag (EMG) opgelegd, omdat eiser 131 km/u reed op een weg waar de maximumsnelheid 60 km/u is. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het opleggen van de EMG in stand kan blijven. Het CBR kon zich bij het opleggen van de EMG baseren op het proces-verbaal van de politie. Verder is het opleggen van een EMG in dit geval niet onevenredig. Het beroep is ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.249 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/5938


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser


en


het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: mr. M. Kleijbeuker)


Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het CBR aan eiser een Educatieve Maatregel Gedrag (EMG) mocht opleggen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR aan eiser een EMG mocht opleggen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop
2. Het CBR heeft op 15 augustus 2025 aan eiser een Educatieve Maatregel Gedrag (EMG) opgelegd. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het CBR.




Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
6. De politie heeft geconstateerd dat eiser op 15 augustus 2025 op de Lekdijk Oost met een snelheid van 131 kilometer per uur reed. Dit terwijl de daar geldende maximumsnelheid 60 kilometer per uur (km/u) is. De politie heeft om deze reden een schriftelijke mededeling gedaan aan het CBR dat het vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Het CBR heeft vervolgens aan eiser een EMG opgelegd.



Voorbereiding van het bestreden besluit


7. Eiser vindt dat het CBR hem een te korte reactietermijn heeft gegeven om te reageren op de politiestukken die het CBR hem na het indienen van zijn bezwaarschrift heeft gestuurd. Bovendien vindt eiser dat het CBR geen onafhankelijk juridisch onderzoek heeft gedaan, omdat het CBR het bestreden besluit heeft genomen op dezelfde dag als waarop het CBR telefonisch contact met hem heeft gehad over zijn bezwaar.
8. Het CBR heeft het eerste, primaire besluit op 18 augustus 2025 genomen. Eiser kon dus tot 30 september 2025 bezwaar maken tegen dit besluit. Eiser heeft op 18 september 2025 bezwaar gemaakt. Het CBR heeft op 19 september 2025 het bezwaar van eiser ontvangen, een kopie van de politiestukken opgestuurd en eiser tot 3 oktober 2025 de tijd gegeven om aanvullende stukken in te dienen. Eiser heeft op 29 september 2025 aanvullende bezwaargronden ingediend. Op 3 oktober heeft het CBR eiser gebeld om te vragen of eiser nog aanvullende bezwaren had. Eiser heeft aangegeven geen aanvullende bezwaren te hebben waarna het CBR dezelfde dag een beslissing op het bezwaar van eiser heeft genomen.

8.1.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de bovenstaande gang van zaken de termijn die het CBR eiser heeft gegeven om te reageren op de politiestukken niet te kort is geweest. Eiser heeft aanvullende stukken ingediend in reactie op de politiestukken van het CBR. Bovendien heeft eiser zelf aangegeven in het telefoongesprek van 3 oktober 2025 dat hij geen andere bezwaren had die hij niet binnen de termijn heeft kunnen indienen. Eiser is dus ook niet in zijn belangen geschaad door de termijn die het CBR hem heeft gegeven.


8.2.

Dat het CBR dezelfde dag heeft beslist als waarop met eiser telefonisch contact is geweest over zijn bezwaar betekent volgens de rechtbank niet dat het besluit daarom onzorgvuldig is voorbereid. Het is de rechtbank namelijk niet gebleken dat het CBR door op dezelfde dag te beslissen onzorgvuldig heeft gehandeld of dat daardoor in het bestreden besluit niet is gereageerd op de bezwaren van eiser.

De juistheid van het proces-verbaal


9. Eiser vindt dat het bestreden besluit berust op een onjuiste feitelijke grondslag, omdat het proces-verbaal van de politie onjuiste informatie bevat. Volgens het proces-verbaal zou op de plaats waar eiser is aangehouden een A1-verkeersbord aanwezig zijn waarop is aangeduid dat de maximumsnelheid 60 km/u is. Eiser stelt dat op de plaats waar hij is aangehouden en op de Lekdijk Oost een dergelijk A1-verkeersbord niet aanwezig is. De wegmarkering “60” is volgens eiser geen A1-verkeersbord. Het CBR had daarom niet mogen uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal van de politie en had zelf onderzoek moeten doen naar de verkeerssituatie.
10. De rechtbank stelt voorop dat het CBR mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal tenzij eiser tegenbewijs levert waaruit blijkt dat niet van de juistheid van het proces-verbaal kan worden uitgegaan. Eiser heeft foto’s van de Lekdijk Oost en situatieschetsen overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat op de betreffende weg geen A1-verkeersbord aanwezig was.
11. In het proces-verbaal heeft de politie het volgende opgenomen:

“Lekdijk Oost is een weg, niet zijnde een als zodanig aangeduide autoweg of autosnelweg, en is gelegen buiten de als zodanig aangeduide bebouwde kom. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur, aangeduid door een bord conform model Al van bijlage I Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 met in bord Al de aanduiding "60”.”


12. Anders dan eiser stelt leidt de rechtbank uit deze passage niet af dat de politie heeft bedoeld dat op de plaats waar eiser is aangehouden zich een A1-verkeersbord bevond met de aanduiding “60”. De politie heeft met bovenstaande passage vastgesteld dat op de Lekdijk Oost, waar eiser reed, een maximumsnelheid geldt van 60 km/u en dat dit is aangeduid door een A1-verkeersbord.
12. Dat eiser een A1-verkeersbord met de aanduiding “60” is gepasseerd is op de zitting vastgesteld. Op de zitting is namelijk naar voren gekomen dat eiser naar het huis van een vriend is gereden. Tijdens deze rit is eiser een A1-verkeersbord gepasseerd met zowel de aanduiding “60” als de aanduiding “zone”. Eiser is vervolgens vanuit het huis van zijn vriend naar de Lekdijk Oost gereden. Dat eiser in de tussentijd niet opnieuw een verkeersbord is gepasseerd maakt niet dat de maximumsnelheid in de zone niet nog steeds 60 km/u was. De constatering van de politie in het proces-verbaal dat op de Lekdijk Oost een maximumsnelheid geldt van 60 km/u en dat dit is aangegeven door een A1-verkeersbord is naar het oordeel van de rechtbank dus niet onjuist. Het tegenbewijs van eiser kan niet tot een andere conclusie leiden, omdat de politie niet de letterlijke plaats van de aanhouding heeft bedoeld als de plaats waarop zich een A1-verkeersbord bevond.
12. Omdat het proces-verbaal niet onjuist is, mocht het CBR in dit geval daarvan uitgaan. Het CBR was daarom niet gehouden om zelf onderzoek te doen naar de verkeerssituatie op de Lekdijk Oost.


Evenredigheid van de maatregel


15. Verder vindt eiser dat het opleggen van een EMG in zijn geval onevenredig is. De vermeende overschrijding ligt namelijk 1 km/u boven de EMG-grens en eiser had door de gebrekkige bebording geen reële kans om op tijd af te remmen. Bovendien heeft de rechtbank in de strafprocedure de invordering van eisers rijbewijs beëindigd. Het CBR kan daarom volgens eiser niet meer stellen dat sprake is van rijongeschiktheid.
15. De rechtbank is van oordeel dat het niet onevenredig is dat het CBR aan eiser een EMG heeft opgelegd. Eiser stelt ten onrechte dat hij 1 km/u boven de grens voor het opleggen van een EMG zit. Het CBR besluit namelijk onder andere tot het opleggen van een EMG als een overschrijding is geconstateerd van de maximumsnelheid met 60 km/u of meer op wegen binnen of buiten de bebouwde kom. Eiser reed op een weg buiten de bebouwde kom waar een maximumsnelheid van 60 km/u geldt. De politie heeft geconstateerd dat eiser op deze weg 131 km/u reed. Eiser heeft de maximumsnelheid dus met 71 km/u overschreden, dat wil zeggen: 11 km/u boven de grens voor het opleggen van een EMG.

17. De rechtbank kan de stelling van eiser dat hij door de gebrekkige bebording geen tijd had om af te remmen ook niet volgen. Gelet op wat de rechtbank heeft geoordeeld in overweging 13 van deze uitspraak is eiser wel degelijk een bord met de aanduiding “60” gepasseerd. Bovendien is op het wegdek van de Lekdijk Oost een wegmarkering met “60” aangebracht. Ten slotte is het feit dat de rechtbank de invordering van eisers rijbewijs heeft beëindigd niet van belang bij het beoordelen van de vraag of het opleggen van een EMG in dit geval evenredig is. Het opleggen van een EMG is namelijk gebaseerd op het geconstateerde rijgedrag van eiser en de daaraan verbonden schriftelijke mededeling van de politie. Het opleggen van een EMG is dus niet gebaseerd op het al dan niet invorderen van eisers rijbewijs.



Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de oplegging van de EMG in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Dit volgt uit artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 oktober 2024, vindplaats: ECLI:NL:RVS:2024:4148, overweging 3.1.


Dit volgt uit artikel 14, eerste lid en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.


Dit volgt uit artikel 131, eerste lid en onder a, en artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.