Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4420
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De minister heeft voor deze overtredingen aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd. Eiseres heeft namelijk twee vreemdelingen te werk gesteld zonder een juiste vergunning (artikel 2, eerste lid, van de Wav). Ook heeft eiseres van een aantal werknemers geen identiteitsgegevens overgelegd terwijl de minister deze heeft gevorderd (artikel 15a van de Wav). Deze uitspraak gaat met name over de vraag van welke mate van verwijtbaarheid de minister had moeten uitgaan en of de minister de hoogte van de boete had moeten matigen. De rechtbank vindt dat de minister is uitgegaan van de juiste mate van verwijtbaarheid en geen aanleiding had hoeven zien om de boete te matigen. Ook heeft eiseres beroep ingesteld tegen drie besluiten die samenhangen met het beroep tegen de bestuurlijke boete. De rechtbank besluit daarom om de zaken te voegen en in alle zaken tegelijk uitspraak te doen. De beroepen zijn in alle zaken ongegrond. Een van de samenhangende besluiten bevat een gebrek, maar de rechtbank gaat aan dit gebrek voorbij. Dit is geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten, omdat geen sparke is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2011:BS8862 Raad van State 14-09-2011
- ECLI:NL:HR:2016:222 Hoge Raad 09-02-2016
- ECLI:NL:RVS:2022:1973 Raad van State 13-07-2022
- ECLI:NL:HR:2024:1135 Hoge Raad 06-09-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:542 Raad van State 12-02-2025
- ECLI:NL:RVS:2017:2264 Raad van State 23-08-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (35.043 tekens)
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/4557, 25/4646, 25/4953 en 25/4954
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaken tussen
[eiseres] h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. Jansen),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
(gemachtigden: L.G. Rissema-van Haren en J.E. Tichelaar).
Samenvatting
1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister aan eiseres een bestuurlijke boete kon opleggen voor het overtreden van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres dus geen gelijk krijgt. De rechtbank verklaart de beroepen gericht tegen de met de boete samenhangende bestreden besluiten ook ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In deze uitspraak doet de rechtbank uitspraak in meerdere zaaknummers die met elkaar samenhangen. De rechtbank heeft gelet op deze samenhang besloten om de zaaknummers te voegen.
3. Met het besluit van 11 oktober in 2024 in zaaknummer UTR 25/4557 heeft de minister aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd voor het overtreden van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
4. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 in zaaknummer UTR 25/4646 heeft de minister in bezwaar het besluit van 5 december 2024 gehandhaafd waarin het verzoek van eiseres om uitstel van betaling is afgewezen.
5. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 in zaaknummer UTR 25/4953 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen de aanmaningsbrief van het Centraal Justitieel Incassobureau niet-ontvankelijk verklaard.
6. Met het bestreden besluit van 18 maart 2025 in zaaknummer UTR 25/4954 heeft de minister de wettelijke rente en deurwaarderskosten bij eiseres in rekening gebracht. De minister heeft geen beslissing op het bezwaar van eiseres genomen. De minister heeft het bezwaarschrift gelet op artikel 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de rechtbank.
7. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
8. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
9. De rechtbank heeft de beroepen op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister.
10. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de gemachtigde van eiseres een aantal vragen gesteld. Vervolgens heeft de minister op de beantwoording daarvan nog gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 mei 2026 gesloten.
Beoordeling van de rechtbank in zaaknummer UTR 25/4557 (de bestuurlijke boete)
Het bestreden besluit
11. De minister heeft naar aanleiding van een melding een inspectiebezoek uitgevoerd bij de onderneming van eiseres. De minister heeft aan eiseres een boete van in totaal € 14.000,- opgelegd voor het overtreden van de Wav.
11. Eiseres heeft twee vreemdelingen arbeid heeft laten verrichten zonder een tewerkstellingsvergunning en zonder dat de vreemdelingen in het bezit waren van een gecombineerde vergunning om werkzaamheden bij eiseres te verrichten. De minister heeft daarom twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav geconstateerd en daarvoor een boete van € 6.000,- opgelegd. De minister is daarbij uitgegaan van grove schuld.
11. Daarnaast heeft de minister eiseres gevorderd om de identiteitsgegevens over te leggen van personen die voor eiseres werken of hebben gewerkt. Eiseres heeft voor vier personen niet aan deze vordering voldaan. De minister heeft daarom ook vier overtredingen van artikel 15a van de Wav geconstateerd en daarvoor een boete van € 8.000,- opgelegd.
Het bewijsaanbod van eiseres
14. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om de twee vreemdelingen waarvan is geconstateerd dat zij arbeid verrichtten zonder vergunning op te roepen en te horen. De rechtbank gaat aan dit bewijsaanbod voorbij, omdat naar het oordeel van de rechtbank het geschil voldoende kan worden beoordeeld op basis van de stukken in het dossier en wat de partijen daarover naar voren hebben gebracht.
15. Op de zitting is naar voren gekomen dat het horen van de vreemdelingen met name ziet op de door hen afgelegde verklaringen over hoe eiseres met hen in contact is gekomen. Deze omstandigheid speelt in het bestreden besluit in zoverre een rol dat de minister daaruit afleidt dat een hogere mate van verwijtbaarheid had moeten worden aangenomen voor de overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav dan in het primaire besluit van 11 oktober 2024 is gedaan. Omdat deze omstandigheid uiteindelijk niet heeft geleid tot een hogere boete in het bestreden besluit ziet de rechtbank geen aanleiding om de twee vreemdelingen op te roepen als getuigen en hen te horen.
De omvang van het geding
16. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres artikel 2, eerste lid en artikel 15a van de Wav heeft overtreden. Wel is in geschil of het opleggen van de boete in strijd is met algemene rechtsbeginselen, de mate van verwijtbaarheid van de overtredingen en of de minister aanleiding had moeten zien om de boete te matigen. Ook is in geschil of de minister zorgvuldig heeft gehandeld door niet het strafrechtelijk dossier aan eiseres over te leggen.
Overleggen van het strafrechtelijk dossier (strafdossier)
17. Eiseres vindt dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door niet het gehele strafdossier van het Openbaar Ministerie (OM) over te leggen. Volgens eiseres liggen onderdelen van dit dossier, met name de belastende onderdelen, ten grondslag aan de boete. Dat eiseres het strafdossier niet heeft kunnen inzien maakt dat de boete onzorgvuldig is voorbereid.
18. De minister heeft in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat binnen de Nederlandse Arbeidsinspectie verschillende directies zijn waaronder de directie Opsporing en de directie Meldingen en Verzoeken. Volgens de minister zijn de inspecteurs die de overtredingen van de Wav hebben onderzocht niet betrokken geweest bij het strafrechtelijk onderzoek naar eiseres. De directie Opsporing heeft op 22 november 2023 een melding gedaan bij de directie Meldingen en Verzoeken. Het proces-verbaal met die melding is opgenomen in de bijlage bij het boeterapport dat ten grondslag ligt aan de boete. Naar aanleiding van deze melding hebben inspecteurs van de arbeidsinspectie de onderneming van eiseres bezocht en gecontroleerd op naleving van de Wav. Verder heeft de directie Opsporing de twee aangiftes van de vreemdelingen aan de directie Meldingen en Verzoeken verstrekt. Ook deze stukken zijn bij het boeterapport gevoegd. Volgens de minister heeft de directie Meldingen en Verzoeken verder geen kennis gehad van het strafdossier waar eiseres naar verwijst en heeft dat dossier ook geen rol gespeeld bij het opleggen van de boete. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister niet onzorgvuldig heeft gehandeld door het strafdossier niet aan eiseres over te leggen.
Strijd met algemene rechtsbeginselen
19. Eiseres vindt dat de minister geen bestuurlijke boete aan haar had mogen opleggen vanwege de overtredingen van de Wav, omdat zij ook strafrechtelijk wordt vervolgd voor dezelfde gedragingen. Dat eiseres zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk wordt bestraft voor hetzelfde feit is volgens haar in strijd is met het zogenaamde ne bis in idem-beginsel en una via-beginsel.
20. De rechtbank overweegt dat uit artikel 5:44 van de Awb en artikel 68 van het Wetboek van strafrecht (Sr) volgt dat iemand niet voor ‘hetzelfde feit’ zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk vervolgd mag worden. In dit geval wordt eiseres strafrechtelijk vervolgd voor mensensmokkel op grond van artikel 197a, eerste, tweede en vierde lid Sr. Eiseres wordt subsidiair vervolgd voor het beroepsmatig tewerkstellen van illegale vreemdelingen op grond van artikel 197b en artikel 197c Sr. De vraag is daarom of bij artikel 2, eerste lid, van de Wav, artikel 197a, eerste, tweede en vierde lid en de artikelen 197b en 197c Sr sprake is van ‘hetzelfde feit’. De Hoge Raad heeft deze vraag op 9 februari 2016 ontkennend beantwoord. Er is in dit geval dus geen sprake van ‘hetzelfde feit’, zodat de minister een bestuurlijke boete mocht opleggen.
21. Eiseres wijst er nog op dat de maximale hoogte van de geldboetes die de minister voor overtreding van de Wav hanteert gelijk zijn aan de maximale hoogte van de geldboetes die bij de strafbare feiten waar eiseres van wordt verdacht kunnen worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit niet dat sprake is van ‘hetzelfde feit”. De Hoge Raad heeft in de genoemde uitspraak vooral gewezen op het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden regelingen strekken. Bovendien kan voor de strafbare feiten waar eiseres van wordt verdacht niet alleen een geldboete, maar ook een gevangenisstraf worden opgelegd.
De mate van verwijtbaarheid
22. Eiseres vindt dat de minister ten onrechte is uitgegaan van grove schuld bij de twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Volgens eiseres stelt de minister ten onrechte dat zij actief arbeidskrachten heeft benaderd in Brazilië. Eiseres betwist dan ook de verklaringen van de twee vreemdelingen waaruit dit zou blijken. Dat aan eiseres eerder een boete is opgelegd vanwege overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav had de minister niet mogen betrekken. Dit omdat deze boete achteraf gezien in strijd met rechtspraak van de Hoge Raad is opgelegd. Eiseres is namelijk destijds niet de cautie gewezen en ook niet gewezen op haar recht op rechtsbijstand en de mogelijkheid van een tolk. Bovendien heeft de minister volgens eiseres ten onrechte de overtredingshistorie betrokken in het bestreden besluit. Bij het primaire besluit van 11 oktober 2024 had de minister de overtredingshistorie namelijk niet betrokken. De minister heeft op deze manier de feitelijke grondslag van de boete in het bestreden besluit gewijzigd.
Verhoogde mate van verwijtbaarheid in bezwaar
23. De rechtbank stelt voorop dat in het primaire besluit van 11 oktober 2024 is uitgegaan van grove schuld bij de twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav en van normale verwijtbaarheid bij de overtredingen van artikel 15a van de Wav. De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat had moeten worden uitgegaan van een hogere mate van verwijtbaarheid, namelijk voorwaardelijk opzet en dat de overtredingshistorie van eiseres had moeten worden betrokken bij het opleggen van de boete. De boete had volgens de minister dus eigenlijk moeten worden vastgesteld op € 48.000,-. De minister heeft de hoogte van de boete in het bestreden besluit niet aangepast gelet op het verbod op reformatio in peius. De minister blijft in het bestreden besluit dan ook bij het eerder vastgestelde boetebedrag van € 14.000,-.
24. Eiseres stelt dat doordat de minister uitgaat van voorwaardelijk opzet sprake is van precedentwerking en dat deze kwalificatie van belang kan zijn bij het bepalen van de hoogte van een eventuele toekomstige overtreding. De rechtbank kan deze stelling niet volgen. Op de zitting is naar voren gekomen dat de overwegingen van de minister in het bestreden besluit over voorwaardelijk opzet en de overtredingshistorie ten overvloede zijn en dat deze niet gebruikt zijn als onderbouwing voor het boetebedrag van € 14.000,-. De hoogte van dat bedrag is gebaseerd op het standpunt in het primaire besluit dat sprake is van grove schuld. De overwegingen ten overvloede dienen als een waarschuwing aan eiseres en veranderen haar rechtspositie dus niet. Verder is het benoemen van voorwaardelijk opzet in de motivering van het bestreden besluit niet van belang bij het bepalen van de hoogte van een eventuele toekomstige overtreding van de Wav. Bij die vraag is namelijk alleen van belang of eiseres eerder de Wav heeft overtreden en of al dan niet sprake is geweest van een overtreding die gekwalificeerd is als ernstig.
Artikel 2 van de Wav – grove schuld
25. Van grove schuld is sprake als de mate van verwijtbaarheid hoger ligt dan de normale verwijtbaarheid, maar er geen sprake is van opzet. In het geval van eiseres heeft de minister betrokken dat eiseres eerder artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden. Anders dan eiseres stelt heeft de minister dit niet voor het eerst betrokken in het bestreden besluit. In het primaire besluit van 11 oktober 2024 heeft de minister ook al gewezen op de overtredingshistorie van eiseres. Gelet op die eerdere overtreding had eiseres volgens de minister moeten weten dat een tewerkstellingsvergunning nodig was om de twee vreemdelingen in dienst te nemen.
26. De stelling van eiseres dat de eerdere boete niet opgelegd had mogen worden en dus geen sprake kan zijn van grove schuld kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank stelt voorop dat de eerder opgelegde boete onherroepelijk is geworden en in rechte vaststaat. De rechtbank leest in het arrest van de Hoge Raad waar eiseres naar verwijst ook niet dat als iemand niet op het recht op rechtsbijstand is gewezen, de opgelegde boete per definitie onrechtmatig is. Ook is niet in geschil dat eiseres toentertijd een vreemdeling uit Brazilië heeft gevraagd om werkzaamheden voor haar te verrichten in Nederland. Gelet op de aard en omstandigheden van de eerder opgelegde boete kon de minister dus wel degelijk aan eiseres tegenwerpen dat zij had moeten weten dat het in dienst nemen van de twee vreemdelingen uit Brazilië zonder tewerkstellingsvergunning in strijd is met artikel 2, eerste lid, van de Wav. De rechtbank volgt de minister dan ook in het standpunt dat sprake is van grove schuld bij de overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav.
Artikel 15a van de Wav – normale verwijtbaarheid
27. Eiseres voert aan dat zij naar de paspoorten van de werknemers heeft gevraagd, maar dat zij die niet in alle gevallen heeft gekregen en dat, voor zover zij die wel heeft gekregen, zij daarvan geen gestructureerde administratie heeft bijgehouden. Eiseres kon daarom niet op tijd aan de vordering van de minister voldoen.
28. De rechtbank kan het standpunt van eiseres niet volgen, omdat zij dit niet heeft onderbouwd. Ook is zowel in bezwaar en beroep niet gebleken dat eiseres de ontbrekende identiteitsdocumenten alsnog heeft overgelegd. Op de zitting heeft eiseres aangeboden om de wel beschikbare identiteitsgegevens over te leggen. Daarmee miskent eiseres dat het op haar weg lag om deze documenten eerder in de procedure over te leggen. Bovendien laat het overleggen van identiteitsdocumenten waar eiseres wel over beschikt, onverlet dat van een aantal werknemers geen documenten konden worden overgelegd. Het ontbreken van een gestructureerde administratie komt voor rekening en risico van eiseres. Op eiseres rust als werkgever namelijk de verantwoordelijkheid om de nodige kennis en informatie te vergaren over alle wettelijke vereisten die van belang zijn voor de bedrijfsvoering van haar onderneming. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
Hoogte van de boete en aanleiding voor matiging
29. Eiseres vindt dat de minister om verschillende redenen de boete had moeten vaststellen op een lager bedrag. Eiseres vindt dat de minister ten onrechte is uitgegaan van vier overtredingen van artikel 15a van de Wav. Volgens eiseres is sprake van drie overtredingen, omdat de minister een werknemer dubbel heeft geteld. Verder wijst eiseres op omstandigheden waardoor de minister gelet op het evenredigheidsbeginsel de boete had moeten matigen. Eiseres heeft namelijk de overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav beëindigd en heeft beperkte financiële middelen. Ook voert eiseres aan dat de minister ten onrechte het oude beleid heeft toegepast, omdat het nieuwe beleid voor het opleggen van boetes bij Wav-overtredingen gunstiger is. Tenslotte vindt eiseres dat de redelijke termijn is overschreden.
Aantal overtredingen van artikel 15a van de Wav
30. De minister heeft in het bestreden besluit vier overtredingen van artikel 15a van de Wav geconstateerd. Eiseres heeft namelijk van [A] , [B] , [C] en [D] geen identiteitsdocumenten overgelegd. De rechtbank kan de minister volgen in het standpunt – zoals dat ook uitgebreid in het bestreden besluit uiteen is gezet – dat [A] niet dubbel is geteld, maar dat sprake is van twee verschillende personen en dat dus sprake is van vier overtredingen in totaal. Uit de overgelegde gegevens blijkt namelijk dat [A] en [B] op 29 augustus 2023 gelijktijdig boekingen hebben uitgevoerd met verschillende boekingsnummers en verschillende soorten behandelingen. Eiseres heeft in beroep alleen gesteld dat sprake is van dezelfde persoon. Omdat eiseres deze stelling niet nader heeft onderbouwd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de minister drie overtredingen van artikel 15a van de Wav had moeten constateren in plaats van vier.
Beëindigen van de overtreding
31. Uit het beleid van de minister blijkt dat een boete gematigd kan worden als de werkgever, nadat hij beseft dat sprake is van overtreding en voordat controle heeft plaatsgevonden, zelf de illegale tewerkstelling aantoonbaar heeft beëindigd. Weliswaar waren de twee vreemdelingen niet meer bij eiseres werkzaam ten tijde van de controle, maar dit was niet het gevolg van bewuste beëindiging van de overtreding. Eiseres heeft bij haar beroepschrift een proces-verbaal van een aangifte van haar tegen een van de betrokken medewerkers overgelegd. Uit dat document, maar ook uit de aangiften van de vreemdelingen die bij het boetrapport zijn gevoegd, kan worden opgemaakt dat het beëindigen van de werkzaamheden was ingegeven door onenigheid tussen eiseres en de twee vreemdelingen. De twee vreemdelingen hebben na die onenigheid zelfstandig de werkzaamheden beëindigd. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht geconcludeerd dat eiseres niet zelf de overtreding van de Wav heeft beëindigd en dat deze matigingsgrond in dit geval niet van toepassing is.
32. Eiseres heeft op de zitting nog gesteld dat de werkzaamheden zijn beëindigd, omdat haar partner haar er in oktober van 2023 – naar aanleiding van een bedrijfsfeest waar zowel hij als de betrokken vreemdelingen aanwezig waren – op had gewezen dat dit noodzakelijk was. Eiseres stelt dat zij vanuit haar cultuur niet zomaar een werknemer kan ontslaan en dat zij moest wachten op een aanleiding om de werkzaamheden te beëindigen. Deze omstandigheden veranderen het oordeel van de rechtbank niet. Eiseres heeft deze stelling niet verder onderbouwd. De rechtbank vindt het ook niet aannemelijk dat de partner en boekhouder van eiseres pas na meerdere maanden nadat de twee vreemdelingen hun werkzaamheden bij eiseres zijn begonnen op de hoogte is van het feit dat de twee vreemdelingen in dienst zijn zonder tewerkstellingsvergunning. Verder laat een en ander onverlet dat eiseres als werkgever verantwoordelijk is voor het aannemen van haar werknemers en zij bij het in dienst nemen van de betrokken vreemdelingen had kunnen en moeten weten dat een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wav noodzakelijk was.
Financiële draagkracht
33. De minister kan een boete ook matigen als uit de overgelegde financiële gegevens blijkt dat de gevolgen van de boete onevenredig zijn. De minister gebruikt voor de beoordeling van de financiële situatie de ‘vragenlijst natuurlijke personen voor bepaling draagkracht’. Eiseres en haar partner hebben de vragenlijst niet ingevuld en ook de daarbij gevraagde bewijsmiddelen niet overgelegd. Eiseres vindt het disproportioneel dat de boete niet wordt gematigd, omdat zij de vragenlijst niet heeft ingevuld. Volgens eiseres wordt met de vragenlijst namelijk meer gevraagd dan redelijkerwijs nodig is om de financiële draagkracht te kunnen beoordelen.
33. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiseres is om inzicht te geven in haar financiële situatie waardoor de minister in staat wordt gesteld om te beoordelen of matiging van de boete nodig is. Eiseres heeft een aantal documenten overgelegd, waaronder jaarbalansen van een aantal jaren, een door of namens eiseres gemaakt overzicht van inkomsten en uitgaven en een aantal facturen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in die documenten geen aanleiding hoeven zien om de boete te matigen. Deze documenten zijn namelijk grotendeels geen objectief verifieerbare documenten en bieden geen totaaloverzicht in de financiële situatie van eiseres.
Gunstiger beleid
35. De rechtbank stelt voorop dat de minister in het bestreden besluit de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020 heeft toegepast (het oude beleid). Vanaf 1 februari 2025 is de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2025 in werking getreden (het nieuwe beleid) met andere normbedragen en een andere systematiek dan de beleidsregel uit 2020. Volgens eiseres is het nieuwe beleid gunstiger en had de minister dit moeten toepassen.
35. De rechtbank volgt dit standpunt niet. In het nieuwe beleid worden normbedragen gehanteerd die lager zijn dan in het oude beleid. De hoogte van de op te leggen boete wordt daarentegen niet alleen door die normbedragen bepaald, maar ook door andere factoren zoals de mate van verwijtbaarheid. Voor een beoordeling van de vraag of het nieuwe beleid gunstiger voor eiseres uitpakt, moet dan ook naar de gehele systematiek van het beleid worden gekeken. In dit geval is op basis van het oude beleid een boete opgelegd van € 14.000,-, terwijl bij toepassing van het nieuwe beleid de boete onder die zelfde omstandigheden en factoren uit zou komen op € 19.500,-. Van een gunstiger beleid is dan ook geen sprake.
Overschrijden van de redelijke termijn
37. De rechtbank overweegt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden als de rechtbank niet binnen twee jaar uitspraak doet nadat de termijn is aangevangen. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De redelijke termijn begint te lopen op het moment dat een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een procedure over een punitieve sanctie wordt gestart. In de regel wordt zo een handeling voor het eerst verricht met het voornemen of de kennisgeving van de boete. In dit geval is op 24 september 2024 een kennisgeving uitgebracht aan eiseres over de boete. De redelijke termijn is dan ook op deze datum aangevangen. De rechtbank moet dus uiterlijk op 24 september 2026 uitspraak doen. Op het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet is de redelijke termijn nog niet verstreken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de redelijke termijn is verstreken waardoor de boete gematigd moet worden.
Conclusie beroep in zaaknummer UTR 25/4557
38. Het beroep is ongegrond. De boete die de minister heeft opgelegd kan dus in stand blijven.
Beoordeling van de rechtbank in zaaknummer UTR 25/4646 (uitstel van betaling)
Het bestreden besluit
39. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 heeft de minister de afwijzing van het verzoek van eiseres om uitstel van betaling gehandhaafd. Volgens het beleid van de minister wordt geen uitstel van betaling verleend bij een punitieve sanctie zoals een boete. De minister heeft daarbij gewezen op het belang om snel te kunnen handhaven bij geconstateerde overtredingen. De minister biedt wel de mogelijkheid om een betalingsregeling te vragen. Bij het beoordelen van de financiële draagkracht gebruikt de minister de ‘vragenlijst natuurlijke personen voor bepaling draagkracht’.
Het standpunt van eiseres
40. Eiseres vindt dat dat de minister haar ten onrechte geen uitstel van betaling heeft verleend. Eiseres heeft gewezen op een advies van de Raad van State van 13 juli 2015 (WO3.15.0138/II) aan het kabinet over het toekennen van schorsende werking aan het maken van bezwaar.
Het oordeel van de rechtbank
41. De rechtbank stelt voorop dat eiseres de vragenlijst van de minister niet heeft ingevuld. Op basis van de stukken die wel zijn overgelegd, kan niet worden vastgesteld dat de financiële draagkracht van eiseres zodanig beperkt is dat de minister uitstel van betaling of een betalingsregeling had moeten verlenen. De verwijzing van eiseres naar het advies van de Raad van State kan niet leiden tot een ander oordeel. Het kabinet heeft op dat advies gereageerd en heeft daarbij onder meer de nadelige gevolgen uiteengezet. Het advies van de Raad van State heeft dan ook niet geleid tot een wijziging van artikel 6:16 van de Awb. De uitspraken waar eiseres in beroep nog naar heeft verwezen kunnen ook niet leiden tot een ander oordeel. Deze uitspraken zijn namelijk uitspraken van de voorzieningenrechter hangende een procedure waarin nog niet vaststaat of de boete rechtmatig is. Bovendien is in die uitspraken ook betrokken of er aanknopingspunten zijn voor een financiële noodsituatie. In dit geval heeft eiseres dat niet onderbouwd.
Conclusie beroep in zaaknummer UTR 25/4646
42. Het beroep is ongegrond. De minister heeft terecht geen uitstel van betaling verleend.
Beoordeling van de rechtbank in zaaknummer UTR 25/4953 (de aanmaningsbrief)
Het bestreden besluit
43. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen de aanmaningsbrief van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) niet-ontvankelijk verklaard. Dit omdat de aanmaningsbrief volgens de minister geen besluit is waartegen bezwaar kan worden gemaakt, omdat de brief niet op enig rechtsgevolg is gericht.
Het oordeel van de rechtbank
44. De rechtbank stelt voorop dat eiseres tegen het bestreden besluit geen afzonderlijke beroepsgronden heeft aangevoerd, maar vooral heeft gewezen op de onrechtmatigheid van de opgelegde bestuurlijke boete. De rechtbank heeft in deze uitspraak geconcludeerd dat de minister de bestuurlijke boete mocht opleggen.
44. De rechtbank merkt nog het volgende op. Niet is betwist dat sprake is van een aanmaning in de zin van artikel 4:112 van de Awb. Hoewel de aanmaning uitsluitend een herinnering is dat nog moet worden betaald, heeft het sturen van een aanmaning op grond van art. 4:106 van de Awb stuitende werking en mag op grond van art. 4:113, eerste lid, van de Awb een vergoeding voor de aanmaning in rekening worden gebracht. In dit geval is die vergoeding bij de aanmaning in rekening gebracht. Voor zover voor de aanmaning een vergoeding in rekening wordt gebracht, is wel sprake van een beschikking. Dit heeft de minister in de motivering van het bestreden besluit miskend. Maar gelet op artikel 8:4, aanhef en onder b, van de Awb, in samenhang bezien met artikel 7:1, eerste lid, van deze wet, kunnen tegen dit besluit geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen worden aangewend. In zoverre heeft de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.
Conclusie beroep in zaaknummer UTR 25/4953
46. Het beroep is ongegrond. De minister heeft het bezwaar van eiseres tegen de aanmaningsbrief van het CJIB niet-ontvankelijk mogen verklaren.
Beoordeling van de rechtbank in zaaknummer UTR 25/4954 (wettelijke rente en deurwaarderkosten)
Het bestreden besluit
47. Met het bestreden besluit van 18 maart 2025 heeft de minister kosten in rekening gebracht bij eiseres voor wettelijke rente en deurwaarderkosten. De minister heeft geen beslissing op het bezwaar van eiseres genomen. De minister heeft het bezwaarschrift gelet op artikel 4:125 van de Awb doorgezonden aan de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
48. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een bijkomend besluit is zoals bedoeld in artikel 4:125 van de Awb en neemt daarom kennis van het bezwaarschrift. In het bezwaarschrift wijst eiseres op het advies van de Raad van State van 13 juli 2015. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de wettelijke rente en deurwaarderskosten niet bij eiseres in rekening mocht brengen. De rechtbank verwijst daarbij naar overweging 41 waarin wordt ingegaan op dat advies. Omdat eiseres verder geen andere beroepsgronden heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om het bestreden besluit onrechtmatig te vinden.
Conclusie beroep in zaaknummer UTR 25/4954
49. Het beroep is ongegrond. De minister mocht de wettelijke rente en deurwaarderskosten bij eiseres in rekening brengen.
Conclusie en gevolgen van deze uitspraak
50. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
50. De rechtbank heeft in overweging 45 van deze uitspraak een gebrek in een van de bestreden besluiten geconstateerd en dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd. Uit vaste rechtspraak volgt dat in dat geval ook een veroordeling van de proceskosten in de rede ligt. Maar in dit geval is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Er is naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen sprake van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
52. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het verlenen van rechtsbijstand beroepsmatig als dit een vast onderdeel van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening vormt en als oogmerk heeft om daarmee op enigerlei wijze inkomen te verkrijgen. Ook moet de rechtsbijstandverlener voldoende deskundig zijn en dus over enige juridische scholing beschikken.
53. De rechtbank heeft eiseres verzocht om een nadere onderbouwing te geven van haar standpunt dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Eiseres heeft onder meer een printversie van de website van de onderneming van haar gemachtigde en diens echtgenoot overgelegd. Ook heeft eiseres belastingaangiften- en aanslagen van deze onderneming overgelegd. Daarnaast heeft eiseres een uittreksel van de Kamer van Koophandel overgelegd waaruit blijkt dat haar gemachtigde zijn onderneming heeft overgedragen aan zijn echtgenote. Uit deze gegevens kan hooguit worden opgemaakt dat er sprake is van een onderneming voor juridische dienstverlening die inkomsten opgeeft bij de Belastingdienst. Maar uit de stukken kan niet worden opgemaakt op welke wijze inkomsten worden gegenereerd en met welke frequentie dat gebeurt. Ook zijn schermafbeeldingen van Google.nl overgelegd en verwijzingen naar artikelen waarin de naam van de gemachtigde van eiseres wordt genoemd in relatie tot een aantal rechtszaken of in de hoedanigheid van advocaat. Maar dit zijn geen recente berichten. Op de zitting is ook naar voren gebracht dat de gemachtigde van eiseres al sinds 2015 geen advocaat meer is. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de overgelegde documenten daarom onvoldoende dat de gemachtigde van eiseres rechtsbijstand verleent als vast onderdeel van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 8:63, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS8862, overweging 2.3.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:222, overwegingen 2.6.1 en 2.6.2.
Dit volgt uit artikel 19d van de Wav.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1973, overweging 7.2.
De uitspraak van de Hoge Raad van 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135.
Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020, Bijlage II.
Vergelijk Kamerstukken II 2003-2004, 29 702, nr. 3,p. 59.
Zie artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:542, overweging 21 en van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2264, overweging 3.2.