Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4412

2026-07-16 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht UTR 26/193
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/193
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak. Weigering uitbetaling WW. Verwijtbaar werkloos. Beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.586 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 26/193


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen





[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.H. van den Berg),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: B.E. de Leng).





Inleiding


1. Eiseres werkte bij het [ex-werkgever] (hierna: [ex-werkgever] ), waar zij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had. Zij heeft op 29 juli 2025 ontslag genomen per 1 september 2025. Eiseres is daarna in dienst getreden als uitzendkracht bij [bedrijf] op basis van een uitzendovereenkomst (fase A) van 1 september 2025 tot en met 30 november 2025. Het dienstverband duurde slechts 3,5 week en werd door de werkgever beëindigd.



1.1.
Met het besluit van 10 oktober 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv bepaald dat eiseres geen recht heeft op uitbetaling van de WW-uitkering, omdat zij verwijtbaar werkloos is geworden. Eiseres heeft bezwaar gemaakt.


1.2.
Met het besluit van 3 december 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Vervolgens heeft eiseres beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



1.3.
De zaak is op 16 juli 2026 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van het UWV waren bij de zitting aanwezig.



1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Beoordeling door de rechtbank


2. In de WW staat dat een werknemer verplicht is [ex-werkgever] te voorkomen dat hij of zij verwijtbaar werkloos wordt. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden als de dienstbetrekking is beëindigd door, of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Als een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden dan heeft hij geen recht op een WW-uitkering.



2.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet verwijtbaar werkloos is geworden. Eiseres heeft inderdaad zelf ontslag genomen bij het [ex-werkgever] . Zij is aansluitend voor een periode van drie maanden in dienst getreden bij [bedrijf] . Via [bedrijf] is eiseres bij de opdrachtgever tewerk gesteld als [functie] . Na de proefperiode van drie maanden via [bedrijf] zou eiseres rechtstreeks bij de opdrachtgever in dienst treden. De opdrachtgever heeft de terbeschikkingstelling op 19 september 2025 beëindigd. Op grond daarvan is de uitzendovereenkomst van rechtswege geëindigd. Ten tijde van de ontslagname bij het [ex-werkgever] had eiseres een reëel vooruitzicht op werk. Volgens eiseres lag het niet in de verwachting dat de nieuwe arbeidsovereenkomst binnen afzienbare tijd zou eindigen.



2.2.
De rechtbank overweegt dat het voor een werknemer die aanspraak wil maken op een WW-uitkering van belang is [ex-werkgever] een reëel uitzicht te hebben op werk van minimaal 26 weken in ongeveer gelijke omvang voordat de werknemer ontslag neemt. Voor eiseres was daarvan geen sprake. Uit het contract met [bedrijf] , blijkt dat eiseres bekend moet zijn geweest met de tijdelijkheid van de uitzendovereenkomst. Het standpunt van eiseres dat zij na de proefperiode van drie maanden rechtstreeks in dienst zou treden bij de opdrachtgever, heeft eiseres niet met stukken onderbouwd. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat de afspraken met de opdrachtgever inderdaad alleen mondeling zijn gemaakt, hierover ligt schriftelijk niets vast. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij ontslagname geen sprake was van een reëel uitzicht op werk van minimaal 26 weken en dat eiseres dus verwijtbaar werkloos is geworden.

3. Verder is de rechtbank niet gebleken van feiten en omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het verwijtbaar werkloos worden eiseres niet in overwegende mate kan worden verweten. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft bepaald dat er geen WW-uitkering aan eiseres wordt uitbetaald.
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid [ex-werkgever] tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.


Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026 door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.














griffier


rechter








Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:






Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen [ex-werkgever] een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW.


Artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW.


Zo blijkt uit ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2443.