Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4392
2026-06-26
Bestuursrecht; Belastingrecht
UTR 25/83
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WOZ. Vrije bewijsleer. Ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHLEE:2002:AF1499 Gerechtshof Leeuwarden 29-11-2002
- ECLI:NL:GHLEE:2006:AV1715 Gerechtshof Leeuwarden 10-02-2006
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.484 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25 / 83
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
(gemachtigde: P.K. Dinkla)
Procesverloop
1.1.
In de beschikking van 31 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres 1] in [plaats] (de woning), voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op
€ 396.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2023. De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiseres als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.2.
Eiseres heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 20 november 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de WOZ-waarde gehandhaafd.
1.3.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft eiseres beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend.
1.4.
Het beroep is behandeld op de zitting van 10 juni 2026. Eiseres, de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
2. De woning is een drive-in woning uit 2002 met een gebruiksoppervlakte van
193 m². De woning ligt op een perceel van 214 m².
Geschil
3. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2023. Ter zitting heeft eiser verklaard dat zij ook beroep heeft willen instellen tegen de uitspraak op bezwaar van belastingjaar 2023. Aangezien deze intentie niet is gebleken uit het beroepschrift van eiseres en eiseres bij het instellen van het beroep alleen de uitspraak op bezwaar van belastingjaar 2024 heeft meegestuurd, is het geschil van onderhavige zaak beperkt tot de WOZ-waarde van de woning in belastingjaar 2024. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 396.000,-. Eiseres bepleit een lagere waarde.
Beoordelingskader
4. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
5. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2023) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiseres ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen.
6. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 2] , verkocht op 25 april 2022 voor € 415.000,-;
- [adres 3] , verkocht op 30 juni 2022 voor € 450.108,-;
- [adres 4] , verkocht op 10 oktober 2022 voor € 451.000,-.
Beoordeling van het geschil
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen hetzelfde type woningen zijn die in dezelfde straat liggen, ook in 2002 zijn gebouwd en niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning qua de staat van onderhoud en het voorzieningenniveau door voor de woningwaarde onder de prijs per m² van de referentiewoningen te blijven. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
8. Wat eiseres in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dat legt zij hierna uit.
Beroepsgronden
Vrije bewijsleer
9.1
Eiseres heeft op de zitting aangevoerd dat zij bezwaar en beroep heeft moeten instellen op basis van de informatie uit het taxatieverslag en dat de taxatiematrix pas na het instellen van beroep door de heffingsambtenaar is overlegd.
9.2
De rechtbank overweegt dat in het belastingrecht sprake is van een vrije bewijsleer. Dit betekent dat partijen in een geschil over de WOZ-waarde vrij zijn om, ter onderbouwing van de door hen voorgestane waarden, een bewijsmiddel te kiezen. De heffingsambtenaar is daarom niet gehouden bij de taxatie in beroep gebruik te maken van dezelfde gegevens uit het taxatieverslag die in de bezwaarfase zijn gebruikt. Het staat de heffingsambtenaar vrij om te kiezen voor die woningen die hij het meest geschikt acht en het is de rechtbank niet gebleken dat de heffingsambtenaar daarvoor niet de beste vergelijkingen heeft gekozen. De beroepsgrond slaagt niet.
Motivering van de uitspraak op bezwaar
10.1
Eiseres voert aan dat in de uitspraak op bezwaar van 20 november 2024 door de heffingsambtenaar niet wordt ingegaan op de door haar ingebrachte bezwaren. De motivering bestaat volgens eiseres uit standaardteksten.
10.2
De rechtbank overweegt als volgt. In de uitspraak op bezwaar is voldoende onderbouwd waarom de WOZ-waarde van de woning is gehandhaafd. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar toegelicht dat en op welke wijze rekening is gehouden met de staat van onderhoud van de woning, dat de objectkenmerken zijn aangepast en dat de referentiewoningen [adres 2] en [adres 3] met name de vastgestelde waarde onderbouwen. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan te nemen dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende gemotiveerd is. De beroepsgrond slaagt niet.
De door de heffingsambtenaar gehanteerde referentiewoningen
11.1
Eiseres voert aan dat haar woning ten onrechte door de heffingsambtenaar wordt vergeleken met woningen die beschikken over een betere staat van onderhoud en voorzieningenniveau. Eiseres heeft bij de aankoop van de woning niet gekozen voor mogelijke opties zoals extra schuifpuien, uitbreiding van het balkon, een luxe keuken en badkamer, inbouwapparatuur en vloerverwarming. De woning van eiseres heeft geen schuur, uitbouw, overkapping of zonnepanelen. De referentiewoning [adres 2] heeft bijvoorbeeld vanaf het moment van aankoop veel extra’s, zoals een balkonuitbreiding en een luxe keuken met kookeiland. Eiseres stelt dat de WOZ-waarde van haar woning jaarlijks omhooggaat omdat haar woning wordt opgetrokken aan deze luxerere en uitgebreide buurwoningen. Eiseres stelt verder dat de garage van haar woning met een veel hoger bedrag is gewaardeerd dan de garages van de referentiewoningen.
11.2
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de waarde volgens de Wet WOZ ieder jaar opnieuw wordt bepaald aan de hand van gerealiseerde verkoopcijfers van vergelijkbare objecten op of rond de waardepeildatum. Deze methode laat geen ruimte voor een vergelijking met de waarde op een vorige waardepeildatum of met stijgingspercentages of indexcijfers ten opzichte van een vorige waardepeildatum. Met betrekking tot de verschillen met de referentiewoningen stelt de heffingsambtenaar dat met onderlinge verschillen rekening is gehouden. De heffingsambtenaar wijst hierbij op de taxatiematrix, waarin is opgenomen dat onder andere rekening is gehouden met verschillen tussen de staat van onderhoud en het voorzieningenniveau. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat er geen aanleiding is om onderhoud en voorzieningen van de woning lager te stellen. Eiseres heeft geen informatie gegeven, bijvoorbeeld door middel van foto’s, waaruit dit zou blijken. De heffingsambtenaar heeft ook geprobeerd een inpandige opname te doen, maar dat is door eiseres tot op heden niet toegestaan. Met betrekking tot de stelling van eiseres over de garage heeft de taxateur van de heffingsambtenaar ter zitting toegelicht dat hij in de taxatiematrix de oppervlakte van de garages bij alle woningen heeft meegenomen in de totale gebruiksoppervlakte. De woning van eiseres en de referentiewoningen hebben dezelfde gebruiksoppervlakte.
11.3
De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn betoog. Het systeem van de Wet WOZ brengt met zich mee dat een woning ieder jaar opnieuw moet worden vergeleken met woningen die verkocht zijn. De referentiewoningen hoeven niet identiek te zijn aan de woning. De heffingsambtenaar moet rekening houden met onderlinge verschillen. Uit de taxatiematrix volgt dat de heffingsambtenaar het voorzieningenniveau en de staat van onderhoud van twee referentiewoningen als bovengemiddeld heeft gekwalificeerd. Daarnaast heeft de woning van eiseres een m²-prijs van € 1.653,-. De referenties hebben een gemiddelde m²-prijs van € 1.805,-. Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de heffingsambtenaar de verschillen tussen de woningen in zijn berekening heeft meegewogen en dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van Gerechtshof Leeuwarden van 29 november 2002, ECLI:NL:GHLEE:2002:AF1499 en de uitspraak van Gerechtshof Leeuwarden van 10 februari 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AV1715.
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25 / 83
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
(gemachtigde: P.K. Dinkla)
Procesverloop
1.1.
In de beschikking van 31 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres 1] in [plaats] (de woning), voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op
€ 396.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2023. De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiseres als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.2.
Eiseres heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 20 november 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de WOZ-waarde gehandhaafd.
1.3.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft eiseres beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend.
1.4.
Het beroep is behandeld op de zitting van 10 juni 2026. Eiseres, de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
2. De woning is een drive-in woning uit 2002 met een gebruiksoppervlakte van
193 m². De woning ligt op een perceel van 214 m².
Geschil
3. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2023. Ter zitting heeft eiser verklaard dat zij ook beroep heeft willen instellen tegen de uitspraak op bezwaar van belastingjaar 2023. Aangezien deze intentie niet is gebleken uit het beroepschrift van eiseres en eiseres bij het instellen van het beroep alleen de uitspraak op bezwaar van belastingjaar 2024 heeft meegestuurd, is het geschil van onderhavige zaak beperkt tot de WOZ-waarde van de woning in belastingjaar 2024. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 396.000,-. Eiseres bepleit een lagere waarde.
Beoordelingskader
4. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
5. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2023) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiseres ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen.
6. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 2] , verkocht op 25 april 2022 voor € 415.000,-;
- [adres 3] , verkocht op 30 juni 2022 voor € 450.108,-;
- [adres 4] , verkocht op 10 oktober 2022 voor € 451.000,-.
Beoordeling van het geschil
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen hetzelfde type woningen zijn die in dezelfde straat liggen, ook in 2002 zijn gebouwd en niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning qua de staat van onderhoud en het voorzieningenniveau door voor de woningwaarde onder de prijs per m² van de referentiewoningen te blijven. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
8. Wat eiseres in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dat legt zij hierna uit.
Beroepsgronden
Vrije bewijsleer
9.1
Eiseres heeft op de zitting aangevoerd dat zij bezwaar en beroep heeft moeten instellen op basis van de informatie uit het taxatieverslag en dat de taxatiematrix pas na het instellen van beroep door de heffingsambtenaar is overlegd.
9.2
De rechtbank overweegt dat in het belastingrecht sprake is van een vrije bewijsleer. Dit betekent dat partijen in een geschil over de WOZ-waarde vrij zijn om, ter onderbouwing van de door hen voorgestane waarden, een bewijsmiddel te kiezen. De heffingsambtenaar is daarom niet gehouden bij de taxatie in beroep gebruik te maken van dezelfde gegevens uit het taxatieverslag die in de bezwaarfase zijn gebruikt. Het staat de heffingsambtenaar vrij om te kiezen voor die woningen die hij het meest geschikt acht en het is de rechtbank niet gebleken dat de heffingsambtenaar daarvoor niet de beste vergelijkingen heeft gekozen. De beroepsgrond slaagt niet.
Motivering van de uitspraak op bezwaar
10.1
Eiseres voert aan dat in de uitspraak op bezwaar van 20 november 2024 door de heffingsambtenaar niet wordt ingegaan op de door haar ingebrachte bezwaren. De motivering bestaat volgens eiseres uit standaardteksten.
10.2
De rechtbank overweegt als volgt. In de uitspraak op bezwaar is voldoende onderbouwd waarom de WOZ-waarde van de woning is gehandhaafd. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar toegelicht dat en op welke wijze rekening is gehouden met de staat van onderhoud van de woning, dat de objectkenmerken zijn aangepast en dat de referentiewoningen [adres 2] en [adres 3] met name de vastgestelde waarde onderbouwen. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan te nemen dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende gemotiveerd is. De beroepsgrond slaagt niet.
De door de heffingsambtenaar gehanteerde referentiewoningen
11.1
Eiseres voert aan dat haar woning ten onrechte door de heffingsambtenaar wordt vergeleken met woningen die beschikken over een betere staat van onderhoud en voorzieningenniveau. Eiseres heeft bij de aankoop van de woning niet gekozen voor mogelijke opties zoals extra schuifpuien, uitbreiding van het balkon, een luxe keuken en badkamer, inbouwapparatuur en vloerverwarming. De woning van eiseres heeft geen schuur, uitbouw, overkapping of zonnepanelen. De referentiewoning [adres 2] heeft bijvoorbeeld vanaf het moment van aankoop veel extra’s, zoals een balkonuitbreiding en een luxe keuken met kookeiland. Eiseres stelt dat de WOZ-waarde van haar woning jaarlijks omhooggaat omdat haar woning wordt opgetrokken aan deze luxerere en uitgebreide buurwoningen. Eiseres stelt verder dat de garage van haar woning met een veel hoger bedrag is gewaardeerd dan de garages van de referentiewoningen.
11.2
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de waarde volgens de Wet WOZ ieder jaar opnieuw wordt bepaald aan de hand van gerealiseerde verkoopcijfers van vergelijkbare objecten op of rond de waardepeildatum. Deze methode laat geen ruimte voor een vergelijking met de waarde op een vorige waardepeildatum of met stijgingspercentages of indexcijfers ten opzichte van een vorige waardepeildatum. Met betrekking tot de verschillen met de referentiewoningen stelt de heffingsambtenaar dat met onderlinge verschillen rekening is gehouden. De heffingsambtenaar wijst hierbij op de taxatiematrix, waarin is opgenomen dat onder andere rekening is gehouden met verschillen tussen de staat van onderhoud en het voorzieningenniveau. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat er geen aanleiding is om onderhoud en voorzieningen van de woning lager te stellen. Eiseres heeft geen informatie gegeven, bijvoorbeeld door middel van foto’s, waaruit dit zou blijken. De heffingsambtenaar heeft ook geprobeerd een inpandige opname te doen, maar dat is door eiseres tot op heden niet toegestaan. Met betrekking tot de stelling van eiseres over de garage heeft de taxateur van de heffingsambtenaar ter zitting toegelicht dat hij in de taxatiematrix de oppervlakte van de garages bij alle woningen heeft meegenomen in de totale gebruiksoppervlakte. De woning van eiseres en de referentiewoningen hebben dezelfde gebruiksoppervlakte.
11.3
De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn betoog. Het systeem van de Wet WOZ brengt met zich mee dat een woning ieder jaar opnieuw moet worden vergeleken met woningen die verkocht zijn. De referentiewoningen hoeven niet identiek te zijn aan de woning. De heffingsambtenaar moet rekening houden met onderlinge verschillen. Uit de taxatiematrix volgt dat de heffingsambtenaar het voorzieningenniveau en de staat van onderhoud van twee referentiewoningen als bovengemiddeld heeft gekwalificeerd. Daarnaast heeft de woning van eiseres een m²-prijs van € 1.653,-. De referenties hebben een gemiddelde m²-prijs van € 1.805,-. Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de heffingsambtenaar de verschillen tussen de woningen in zijn berekening heeft meegewogen en dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van Gerechtshof Leeuwarden van 29 november 2002, ECLI:NL:GHLEE:2002:AF1499 en de uitspraak van Gerechtshof Leeuwarden van 10 februari 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AV1715.