Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4388

2026-07-16 Strafrecht 16/252278-25 (P)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Mondelinge uitspraak
Zaaknummer
16/252278-25 (P)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor poging tot doodslag, waarbij het slachtoffer tijdens een ruzie onder meer in zijn buik en zijn nek is gestoken met een keukenmes. Noodweerverweer wordt verworpen, omdat de gestelde feitelijke grondslag daarvoor niet aannemelijk is geworden. Strafmatigend: context, waarbij het slachtoffer consequent heeft verklaard dat hij niet wil dat aan de verdachte een straf wordt opgelegd. Opgelegde straf: 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. Vordering benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 7.399,, bestaande uit een vergoeding van € 1.399,- voor materiële schade en een vergoeding van € 6.000,- voor immateriële schade.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (41.184 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/252278-25 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 16 juli 2026


in de strafzaak tegen





[verdachte]


geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] (Polen),
verblijvende op het adres:

[adres 1] , [postcode] te [plaats] ,
hierna genoemd: de verdachte.




. De zitting


De strafzaak tegen de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 2 juli 2026. Op deze inhoudelijke zitting waren aanwezig:



de verdachte;


de officier van justitie, mr. S.K. Lanning-Stein;


de advocaat van de verdachte, mr. A.A. Boersma;


de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer] , mr. A.Y. Bleeker.





. De tenlastelegging


De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij op 24 september 2025 in Bunschoten-Spakenburg heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden, door hem met een mes in zijn nek, buik en arm te steken.



Subsidiair is dit ten laste gelegd als het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en meer subsidiair als een poging daartoe.



De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.




. Het bewijs



. Het standpunt van de officier van justitie




De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde poging tot doodslag heeft gepleegd.




. Het standpunt van de verdediging




De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot doodslag, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer wilde doden. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman het volgende naar voren gebracht.
De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] haar een duw gaf, en dat zij vervolgens een mes heeft gepakt om [slachtoffer] daarmee op afstand te houden. Vervolgens heeft [slachtoffer] haar bij haar polsen gepakt, waarna een worsteling is ontstaan, waarbij de verdachte geen controle meer had over haar handen, omdat [slachtoffer] veel sterker was dan zij. Bij die worsteling is [slachtoffer] blijkbaar met het mes in zijn buik, nek en bovenarm geraakt, maar de verdachte heeft deze verwondingen niet bij [slachtoffer] willen toebrengen. Er kan daarom niet gezegd worden dat de verdachte opzet had op het doden van [slachtoffer] , of dat zij de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.




. Het oordeel van de rechtbank




3.3.1.


De bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.




3.3.2.


Bewijsoverweging

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte tijdens een ruzie haar huisgenoot, [slachtoffer] , met een groot keukenmes onder meer in zijn buik en in zijn nek heeft gestoken.
Deze handelingen zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van potentieel dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden bewust heeft aanvaard. De verdachte heeft hierdoor voorwaardelijk opzet gehad op de dood van het slachtoffer.




Alternatief scenario niet aannemelijk

Het door de raadsman geschetste alternatieve scenario, waarbij de messteken min of meer onwillekeurig tijdens een worsteling zouden zijn toegebracht, acht de rechtbank niet aannemelijk, om de volgende redenen.
Ten eerste is de verdachte gedurende het onderzoek niet consistent geweest in haar verklaring op dit punt. Bij haar eerste verhoor bij de politie en haar verhoor bij de rechter-commissaris heeft zij immers verklaard dat zij [slachtoffer] niet met een mes heeft bedreigd, en heeft zij niets verklaard over een duw door [slachtoffer] of een daaropvolgende worsteling tussen haar en [slachtoffer] .
Ten tweede staat vast dat er bij het slachtoffer zeer ernstige verwondingen zijn toegebracht door de messteken. Het slachtoffer is gestoken in zijn buik, nek en bovenarm, waarbij ter plaatse veel bloedverlies is opgetreden, gelet op onder meer de foto’s in het dossier en de verklaring van de buurman die het slachtoffer als eerste opving. Bij een spoed-open buikoperatie wordt vervolgens een liter vrij bloed in de buikholte van het slachtoffer aangetroffen. Dit betekent dat de messteken relatief diep zijn geweest. Het slachtoffer lijkt echt te zijn geprikt. Dit is moeilijk te rijmen met het scenario dat deze messteken onwillekeurig tijdens een worsteling zijn toegebracht, waarbij het slachtoffer, een fors gebouwde man, de verdachte bovendien stevig bij haar polsen vasthad. In dat geval zou eerder ondiep schamp- of krasletsel te verwachten zijn en is moeilijk voor te stellen hoe het slachtoffer bijvoorbeeld in zijn nek kan zijn geraakt. Diep steekletsel past echter wel bij de verklaring van het slachtoffer, dat hij door de verdachte bewust met het mes in zijn buik, nek en bovenarm is gestoken.








3.4.

Bewezenverklaring



De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:




op 24 september 2025 te Bunschoten-Spakenburg , gemeente Bunschoten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes in de nek, de buik en de arm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.






. De strafbaarheid van het feit


4.1.

Het standpunt van de verdediging



De advocaat heeft bepleit dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is, omdat dit wordt gerechtvaardigd door noodweer. Ter onderbouwing hiervan heeft hij het volgende naar voren gebracht.
De verdachte heeft verklaard dat zij die avond in de open keuken, die overging in de woonkamer, eten aan het klaarmaken was. Op enig moment gooide haar huisgenoot [slachtoffer] , die op de bank in de woonkamer zat, een fles water tegen haar aan. Tijdens de daaropvolgende ruzie liep [slachtoffer] naar de verdachte toe en gaf hij haar een duw, waardoor ze met haar hoofd tegen een keukenkastje stootte. Dit was een aanval waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Zij kon zich immers niet aan de aanval onttrekken, omdat de weg van de keuken naar haar kamer werd versperd door [slachtoffer] .
Ter verdediging heeft de verdachte een keukenmes gepakt dat daar toevallig lag, om daarmee [slachtoffer] op afstand te kunnen houden. Het enkele pakken van een mes om daarmee te dreigen is geen disproportionele reactie op de duw door [slachtoffer] . Vervolgens pakte [slachtoffer] de verdachte bij haar polsen en ontstond een worsteling, waarbij de verwondingen in de buik, nek en bovenarm van [slachtoffer] zijn ontstaan. De verdachte is echter niet verantwoordelijk voor deze verwondingen, omdat zij geen controle meer had over haar handen toen haar polsen werden vastgepakt.
Dit door de verdachte geschetste noodweerscenario is op grond van de inhoud van het dossier aannemelijk, aldus de raadsman. De raadsman wijst er met name op dat de verdachte in de periode vóór het tenlastegelegde twee keer de politie heeft gebeld, omdat [slachtoffer] agressief tegen haar tekeerging. In beide gevallen was [slachtoffer] de agressor en de verdachte het slachtoffer. Onderbuurman [getuige 1] heeft verklaard dat hij vaker ruzies heeft gehoord tussen de verdachte en [slachtoffer] . Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij zich zorgen maakte over de verdachte, omdat zij hem had verteld dat de onderlinge verstandhouding tussen haar en [slachtoffer] zeer slecht was en dat [slachtoffer] haar een keer in hun gezamenlijke woning had aangerand.




4.2.

Het standpunt van de officier van justitie



De officier van justitie heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde strafbaar is, omdat de gestelde noodweersituatie niet aannemelijk is geworden.




4.3.

Het oordeel van de rechtbank



4.3.1.


Het beoordelingskader

Namens de verdachte is gesteld dat zij de bewezen verklaarde geweldshandelingen heeft begaan uit noodweer, waardoor deze geweldshandelingen niet wederrechtelijk en daardoor niet strafbaar zijn.
Bij het beoordelen van een dergelijk noodweerverweer dient de rechtbank eerst te onderzoeken of het voldoende aannemelijk is geworden dat de door verdachte gestelde noodweersituatie inderdaad heeft plaatsgevonden. Hierbij geldt niet als maatstaf dat het buiten redelijke twijfel moet zijn dat deze noodweersituatie wel of niet heeft plaatsgevonden.
Aan het oordeel of de gestelde noodweersituatie wel of niet voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.




4.3.2.


De aannemelijkheid van het noodweerscenario

De rechtbank acht het door de verdachte geschetste noodweerscenario niet aannemelijk, omdat dit onvoldoende wordt ondersteund en gedeeltelijk in tegenspraak is met de inhoud van het dossier. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Vast staat dat er in de avond van 25 september 2025 een ruzie heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en het slachtoffer in hun gezamenlijke woning, en dat de verdachte tijdens deze ruzie een mes heeft gepakt.
Over hetgeen voorafging aan het pakken van het mes door de verdachte, lopen de verklaringen van de verdachte en het slachtoffer uiteen. Zo verklaart de verdachte dat het slachtoffer met een fles water naar haar heeft gegooid en haar een harde duw heeft gegeven voordat zij het mes pakte, terwijl het slachtoffer dat ontkent.
De verklaring van de verdachte op dit punt wordt naar het oordeel van de rechtbank niet ondersteund door de verdere inhoud van het dossier. [slachtoffer] ontkent de fles te hebben gegooid en haar een duw te hebben gegeven. Weliswaar zijn de meldingen door de verdachte bij de politie van agressie door [slachtoffer] en de verklaringen van getuigen over onderlinge ruzies reden om aan te nemen dat de onderlinge verstandhouding al langere tijd ernstig was verstoord, maar geen concrete aanwijzingen dat [slachtoffer] op de avond van 25 september 2025 de verdachte een duw heeft gegeven, zoals zij heeft verklaard.
Verder is de verklaring van de verdachte ter zitting op dit punt in tegenspraak met haar eerdere verklaringen. Bij de politie en de rechter-commissaris verklaarde zij weliswaar dat [slachtoffer] een waterfles naar haar had gegooid, maar niet dat hij haar vervolgens duwde waardoor zij haar hoofd stootte tegen een keukenkastje.
Ten slotte past een gedeelte van het door de verdachte gestelde noodweerscenario niet bij het letsel dat bij het slachtoffer is toegebracht. Zoals reeds onder 3.3.2. is overwogen passen de bij het slachtoffer geconstateerde verwondingen niet bij de verklaring van de verdachte over de manier waarop deze verwondingen zouden zijn toegebracht. De verwondingen passen wel bij de verklaring van het slachtoffer op dit punt. De rechtbank betrekt dit betrouwbaarheidsoordeel over de verklaringen van de verdachte en van het slachtoffer ook bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het gehele door de verdachte geschetste noodweerscenario.




4.3.5.


Conclusie en kwalificatie

De rechtbank concludeert dat het door de verdachte geschetste noodweerscenario niet aannemelijk is, en daarom strandt het beroep op noodweer.



Omdat ook verder geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, is dit strafbaar en levert het volgens de wet het volgende strafbare feit op:




poging tot doodslag.


. De strafbaarheid van de verdachte






5.1.

Het standpunt van de advocaat



De advocaat heeft bepleit de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat het bewezenverklaarde wordt verontschuldigd door noodweerexces.




5.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte strafbaar is, omdat geen sprake is van een schulduitsluitingsgrond in de vorm van noodweerexces.




5.3.

Het oordeel van de rechtbank



De rechtbank heeft onder 4.3. geconcludeerd, dat aan de verdachte geen beroep op noodweer toekomt, omdat de rechtbank het door haar geschetste noodweerscenario niet aannemelijk vindt. Dit betekent dat ook een beroep op noodweerexces niet kan slagen.



Er is verder geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.





. De straf



. De vordering van de officier van justitie




De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 5 jaar, met aftrek van het voorarrest.




. Het standpunt van de verdediging




De raadsman heeft bepleit om bij een bewezenverklaring aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen, die gelijk is aan de tijd die zij al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Het strafdoel vergelding wordt niet gediend met een hernieuwde detentie. Het slachtoffer heeft immers consistent verklaard dat de verdachte wat hem betreft geen straf moet krijgen voor wat zij heeft gedaan. Ook voor het strafdoel speciale preventie is hernieuwde detentie niet nodig. De verdachte verblijft al negen jaar in Nederland en is hier nog niet eerder in aanraking gekomen met de politie. Zij heeft al die tijd alleen maar hard gewerkt om geld naar het thuisfront in Polen te kunnen sturen.
Verder zijn de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte dusdanig dat een hernieuwde detentie niet passend is. De voorlopige hechtenis in deze zaak heeft veel negatieve consequenties voor haar gehad. Zo is zij haar baan kwijtgeraakt zonder recht op een uitkering, waardoor zij schulden heeft opgebouwd. Na de opheffing van de voorlopige hechtenis heeft zij de draad echter snel weer opgepakt. Zij heeft inmiddels zelfstandige woonruimte en een nieuwe baan. Hernieuwde detentie zou betekenen dat zij dit alles weer kwijtraakt.






6.3.

Het oordeel van de rechtbank



6.3.1.


Inleidende opmerkingen

Bij de oplegging van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.




6.3.2.


De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, waarbij aan het slachtoffer aanzienlijke en potentieel levensbedreigende verwondingen zijn toegebracht. Slechts door snel medisch ingrijpen, waarbij zelfs een traumahelikopter is ingezet, is het slachtoffer niet aan deze verwondingen overleden.
De rechtbank rekent dit de verdachte zeer ernstig aan.



De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met het volgende.
Hoewel de directe aanleiding tot de ruzie waarbij de verwondingen zijn toegebracht, de rechtbank niet helder is geworden, kan de rechtbank wel vaststellen dat er al geruime tijd spanningen waren tussen de verdachte en het slachtoffer. Spanningen die nog werden vergroot doordat zij om financiële redenen langere tijd met elkaar samen moesten leven in een kleine woning. De rechtbank vindt hierbij veelzeggend dat de verdachte in de periode die voorafging aan de poging tot doodslag twee keer melding heeft gemaakt bij de politie van agressie die door het slachtoffer jegens haar zou zijn gepleegd. Tegen een kennis heeft zij verteld dat zij een keer door het slachtoffer in de gezamenlijke woning was aangerand. Hoewel deze onderlinge spanningen de door de verdachte gepleegde poging tot doodslag niet verontschuldigen, acht de rechtbank het wel aannemelijk dat deze poging tot doodslag niet in een vacuüm is gepleegd en dat het slachtoffer een substantiële bijdrage heeft geleverd aan het opbouwen van de daaraan voorafgaande spanningen.
Verder acht de rechtbank het strafmatigend dat het slachtoffer consistent heeft verklaard dat hij niet wil dat de verdachte wordt gestraft, omdat hij wil dat zij haar leven buiten de gevangenis kan blijven voorzetten en opbouwen. Hij heeft daarom ook geen aangifte willen doen van de poging tot doodslag.




6.3.3.

De persoonlijke omstandigheden van de verdachte




Justitiële documentatie

Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat zij in Nederland niet eerder is veroordeeld. In Polen is zij in 2017 veroordeeld voor huiselijk geweld.




Reclasseringsrapport

Door de reclassering is op 29 juni 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt. Hieruit blijkt dat de reclassering het risico op recidive niet kan inschatten, mede omdat de verdachte geen toestemming heeft gegeven om referenten te raadplegen en de verdachte niets wilde zeggen over haar politiecontacten in Polen. De reclassering maakt zich wel enige zorgen over de verdachte, met name over haar huisvestingsproblemen, haar oplossingsvaardigheden en haar alcoholgebruik.
Doordat de reclassering het recidiverisico niet kan inschatten, heeft de reclassering geen bijzondere voorwaarden ter voorkoming van recidive kunnen opstellen. De reclassering adviseert daarom om aan de verdachte bij een voorwaardelijk strafdeel geen bijzondere voorwaarden op te leggen.




Rapport NIFP-psycholoog

De rechtbank heeft kennisgenomen van een rapport over de verdachte van 13 februari 2026, opgesteld door M.G.H. van Willigenburg, GZ-psycholoog.
De psycholoog concludeert daarin dat de verdachte niet lijdt aan een ernstige psychiatrische aandoening. De psycholoog kan echter geen uitspraak doen over de aanwezigheid van andere psychische problematiek, mede doordat de verdachte gebrekkig heeft meegewerkt aan het onderzoek. Zo heeft zij op verschillende vragen van de psycholoog geen antwoord willen geven en heeft zij geweigerd om referenten op te geven. Hierdoor kan de psycholoog geen advies geven over de toerekenbaarheid van de verdachte, en ook niet over de manier waarop de kans op recidive kan worden beperkt.




De verklaring ter zitting

Tijdens de zitting heeft de verdachte verklaard dat zij de reclassering en de psycholoog geen toestemming heeft gegeven om met referenten te spreken, omdat zij haar naasten niet bij de strafzaak wilde betrekken. Zij weten nu niets van de strafzaak af.
De huiselijk-geweldzaak in Polen uit 2017 ging niet om geweld tegen een partner of huisgenoot, aldus de verdachte.
De verdachte is met nieuw werk begonnen, zij werkt nu bij een schoonmaakbedrijf, waarbij zij verantwoordelijk is voor de werkkleding.
De verdachte zegt doorgaans positief in het leven te staan, en geen problemen te hebben met alcohol. Ook ervaart zij geen problemen bij het omgaan met agressie en haar oplossingsvaardigheden.




6.3.4.


De op te leggen straf

De verdachte wordt veroordeeld voor poging tot doodslag, een ernstig feit waarvoor binnen de rechtspraak doorgaans een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.
Bijzonder in deze zaak is dat het slachtoffer consistent heeft verklaard dat hij niet wil dat aan de verdachte een straf wordt opgelegd. Vergelding voor het leed van het slachtoffer, een belangrijk strafdoel, zal dus niet met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden bereikt.
De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wél op zijn plaats, om de verdachte en de maatschappij te doordringen van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit.
Om de verdachte de kans te geven haar leven na een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf buiten detentie eerder weer op te gaan bouwen, zal de rechtbank van de op te leggen gevangenisstraf een substantieel deel voorwaardelijk opleggen.



De rechtbank zal, alles overwegende, aan de verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden opleggen, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest.






. De vordering door de benadeelde partij


7.1.

De vordering



Benadeelde partij [slachtoffer] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin hij van de verdachte een bedrag van € 20.250,50 vordert, als vergoeding voor de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de ten laste gelegde poging tot doodslag.
Dit gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:

- € 1.399,- € 1.399,- als vergoeding voor materiële schade, bestaande uit:

 € 190,- als ziekenhuisdaggeldvergoeding;
 € 605,- als vergoeding voor kosten Obronca;
 € 504,- als vergoeding voor kosten mantelzorg;
 € 50,- als vergoeding voor kleding;
 € 50,- als vergoeding voor kosten medicatie;
 € 8.101,50 als vergoeding voor gederfde inkomsten;

- € 10.750,- € 10.750,- als vergoeding voor immateriële schade.



7.2.

Het standpunt van de officier van justitie



De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, met uitzondering van de post die betrekking heeft op gederfde inkomsten, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.




7.3.

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde of dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de volgende materiële schadeposten:



kosten Obronca


kosten mantelzorg


gederfde inkomsten.




Kosten Obronca

De raadsman heeft aangevoerd dat het bedrijf Obronca juridische bijstand verleent aan mensen die Pools spreken in Nederland. Dit betekent dat de kosten die de benadeelde partij voor deze juridische bijstand heeft gemaakt geen materiële schade, maar proceskosten betreffen.

Kosten mantelzorg

De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij deze kostenpost onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de vordering blijkt niet welke kosten de verdachte heeft gemaakt voor de mantelzorg die hij stelt te hebben gekregen.

Gederfde inkomsten

De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij deze kostenpost onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de vordering blijkt niet dat het arbeidscontract van de benadeelde partij niet is verlengd als direct gevolg van de ten laste gelegde poging tot doodslag.



Ten aanzien van de verzochte vergoeding voor immateriële schade heeft de raadsman verzocht deze aanzienlijk te matigen.




7.4.

Het oordeel van de rechtbank



Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden, zoals hieronder zal worden weergegeven.



7.4.1.


De materiële schade

De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de volgende posten toe:



ziekenhuisdaggeldvergoeding (€ 190,-)


kosten Obronca (€ 605,-)


kleding (€ 50,-)


kosten voor medicatie (€ 50,-).



Deze posten zijn voldoende onderbouwd en niet inhoudelijk betwist.
Ten aanzien van de post “kosten Obronca” merkt de rechtbank op dat deze kostenpost materiële schade betreft, en geen proceskosten. Het betreft immers geen kosten die gemaakt zijn voor het opstellen en indienen van de vordering tot schadevergoeding.




Kosten mantelzorg

De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “kosten mantelzorg” (€ 504,-) toe. De rechtbank acht op grond van de vordering en het dossier voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van de poging tot doodslag gedurende zes weken bepaalde huishoudelijke werkzaamheden niet meer kon verrichten. De rechtbank acht het ook voldoende onderbouwd dat deze huishoudelijke werkzaamheden, in de situatie waarin de benadeelde verkeerde, normaal gesproken zouden worden verricht door professionele hulpverleners, bijvoorbeeld thuiszorgverleners. Dat deze werkzaamheden mogelijk zijn verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening hebben gebracht, maakt niet dat de benadeelde geen recht heeft op de vergoeding van deze kosten.
De rechtbank acht de gestelde schade van één uur mantelzorg à € 12,- per dag voor zes weken voldoende onderbouwd en wijst de vordering ten aanzien van deze post dan ook toe.




Gederfde inkomsten

De rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfde inkomsten” niet-ontvankelijk, omdat deze op dit moment onvoldoende is onderbouwd. Wanneer de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, zou dit een te zware belasting voor de strafzaak gaan vormen.




Totale materiële schade

In totaal zal de rechtbank de te vergoeden materiële schade begroten op € 1.399,-.




7.4.2.


De immateriële schade.

De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen ten aanzien van de gevraagde vergoeding voor immateriële schade.
Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een benadeelde partij aanspraak maken op een vergoeding voor immateriële schade, als deze partij lichamelijk letsel heeft opgelopen door het onrechtmatig handelen van een ander. In dit geval heeft de benadeelde partij, als direct gevolg van de bewezenverklaarde poging tot doodslag door de verdachte, zwaar lichamelijk letsel opgelopen waarbij ernstige littekenvorming is opgetreden.
De rechtbank zal de immateriële schade die daar het gevolg van is vaststellen op € 6.000,-. De rechtbank heeft hierbij aangesloten bij de bandbreedte die in de zogenaamde Rotterdamse schaal voor middelzware littekenvorming geldt en de bedragen die binnen de rechtspraak in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat dit onvoldoende is onderbouwd, en aanhouding van de behandeling van de strafzaak voor nadere onderbouwing een te grote belasting voor de strafzaak zou betekenen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.




7.4.3.


Totale schade

De rechtbank waardeert de totale door de verdachte te vergoeden materiële en immateriële schade op € 7.399,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.




7.4.4.


De wettelijke rente

Het hiervoor genoemde bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Deze wettelijke rente wordt berekend:

- vanaf 25 september 2025 over een bedrag van € 6.290,-;
- vanaf 29 september 2025 over een bedrag van € 504,-;
- vanaf 12 april 2026 over een bedrag van € 605,-;
steeds tot de dag van de algehele voldoening.



7.4.5.


De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt ten behoeve van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als zij dat heeft gedaan, is zij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.




7.4.6.


Gijzeling

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) van 61 dagen worden toegepast.
Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van de verplichting tot betaling van de schadevergoeding, maar dient slechts als prikkel tot nakoming van die verplichting. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.




7.4.7.


De proceskosten

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.






. De toegepaste wetsartikelen


De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.




. De beslissing


De rechtbank:




bewezenverklaring


- verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;



strafbaarheid


- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.3.5. is vermeld;
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;



oplegging straf



- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;



benadeelde partij [slachtoffer]


- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van
€ 7.399,-, bestaande uit een vergoeding van € 1.399,- voor materiële schade en een vergoeding van € 6.000,- voor immateriële schade;


veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, die wordt berekend over een bedrag van € 6.290,- vanaf 25 september 2025, over een bedrag van € 504,- vanaf 29 september 2025, en over een bedrag van € 605,- vanaf 12 april 2026, steeds tot de dag van de algehele voldoening;


legt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 7.399,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , bij niet-betaling aan te vullen met 61 dagen gijzeling en vermeerderd met de wettelijke rente, die wordt berekend over een bedrag van € 6.290,- vanaf 25 september 2025, over een bedrag van € 504,- vanaf 29 september 2025, en over een bedrag van € 605,- vanaf 12 april 2026, steeds tot de dag van de algehele voldoening;


bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;


veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;


verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.






Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Garvelink, voorzitter, mr. L.M. Reijnierse en mr. M.H. Erich, rechters, in tegenwoordigheid van A. van der Zwan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juli 2026.





Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:



zij op of omstreeks 24 september 2025 te Bunschoten-Spakenburg , gemeente Bunschoten
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met een mes, althans met een scherp voorwerp, in de nek/hals en/of de buik en/of de arm, althans in het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;



subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



zij op of omstreeks 24 september 2025 te Bunschoten-Spakenburg , gemeente Bunschoten aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen met een mes, althans met een scherp voorwerp, in de nek/hals en/of de buik en/of de arm, althans in het lichaam, te steken;



meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



zij op of omstreeks 24 september 2025 te Bunschoten-Spakenburg , gemeente Bunschoten
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] meermalen met een mes, althans met een scherp voorwerp, in de nek/hals en/of de buik en/of de arm, althans in het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.




Bijlage II: De bewijsmiddelen






De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:

Op woensdag 24 september 2025 omstreeks 22:45 hoorden wij dat er een steekincident had plaatsgevonden aan de [adres 2] te [plaats] .Hier aangekomen liep ik het trappenhuis in en liep ik naar de tweede etage waar de huisnummers [nummer] en [nummer] zich bevonden.Ik hoorde een mannenstem roepen dat wij naar binnen moesten komen bij huisnummer [nummer] . In de woning zag ik dat er twee mannen aanwezig waren. Ik zag dat een van de mannen op de bank ging zitten. Ik zag dat de man die op de bank ging zitten onder het bloed zat.Ik hoorde dat de andere man zei dat hij de man die op de bank zat had opgevangen. Ik hoorde dat de man het volgende zei: “De man die op de bank zit is van huisnummer [nummer] ”. Ik hoorde dat collega [A] zei dat de verdachte van de steekpartij een vrouw was en dat deze vrouw mogelijk nog binnen zat bij huisnummer [nummer] .
Ik hoorde dat collega [A] zei dat de man die op de bank zat steekwonden in zijn nek, buik en arm had.Aanrijdend in de ambulance vroeg ik aan het slachtoffer wat zijn naam en geboortedatum waren. Ik hoorde dat het slachtoffer het volgende zei: “ [slachtoffer] , [geboortedatum] 1983”.
Toen wij de woning [nummer] betraden hoorde ik van een collega dat hij zicht had op de verdachte. Ik hoorde dat mijn collega de verdachte naar buiten praatte.
De verdachte bleek te zijn: [verdachte] , geboren [geboortedatum] -1989 te [geboorteplaats] in Polen.




De verdachte heeft het volgende verklaard:


[slachtoffer] is opgestaan van de bank en kwam naar mij toe. Achter mijn rug was dat mes. Ik heb dat mes in mijn rechterhand gepakt.




Getuige [slachtoffer] heeft het volgende verklaard:

Ik sliep in de zitkamer, het is een zitkamer samen met een open keuken. [verdachte] maakte avondeten klaar, ze bereidde iets in de magnetron. Toen begonnen wij ruzie te maken met elkaar en elkaar uit te schelden. Toen, plotseling, heeft zij een mes gepakt.
Zij sloeg met dat mes. Eerst dus in mijn buik, daarna in mijn hals. Ik bedoel met “sloeg” steken met het mes. Ik draaide mij toen om en toen raakte zij mijn ellenboog.





In een rapport letselonderzoek van de GGD regio Flevoland staat het volgende:

Naam: [slachtoffer] , geboortedatum [geboortedatum] 1983.



Bovengenoemde patiënt was opgenomen van 24-9-2025 tot en met 29-9-2025 op de afdeling Traumachirurgie.
Reden van opname: steekverwonding hals, abdomen en linkerarm.
Aanvullende onderzoeken: vrij vocht intra-abdominaal met actieve bloeding.
Operatie 24-9-2025: proeflaparotomie, evacueren 1 liter bloed, sluiten halsverwonding en bovenarm links.





HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1633.


Zie ECLI:NL:HR:2025:1681.


Zie ECLI:NL:HR:2025:853.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2025325867, doorgenummerd pagina 1 tot en met 155. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
De bewijsmiddelen zijn zakelijk weergegeven.


Proces-verbaal van bevindingen, pag. 53.


Proces-verbaal van bevindingen, pag. 54.


Proces-verbaal van bevindingen, pag. 65.


Proces-verbaal van bevindingen, pag. 66.


Verklaring van de verdachte ter zitting op 2 juli 2026.


Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris d.d. 12 mei 2026, apart genummerd, pag. 3.


Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris d.d. 12 mei 2026, apart genummerd, pag. 4.


Een deskundigenrapport Letselonderzoek Forensische Geneeskunde GGD Flevoland, pag. 151.


Een deskundigenrapport Letselonderzoek Forensische Geneeskunde GGD Flevoland, pag. 152.